
Mattheüs 5:13-16
13: ‘U bent het zout van de aarde; maar als het zout zijn smaak verloren heeft, waarmee zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer voor dan om weggegooid en door de mensen vertrapt te worden’.
Als Jezus begint te vertellen over het Koninkrijk van de hemelen, beantwoordt Hij de vraag: hoe leven nu eigenlijk mensen die mijn nieuwe leer aangenomen hebben? Hij spreekt daar allereerst met zijn leerlingen over, want Lucas 6:20 begint: ‘En Hij keek naar zijn leerlingen en zei’. Over hun hoofden sprak Hij tot de mensen, die deels bevrijd en genezen waren, want zij hadden ‘allen die ergens aan leden en die gekweld werden door een ziekte of door pijn tot Hem gebracht en ook bezetenen en maanzieken en verlamden werden naar Hem toe gebracht en Hij genas hen’ (Matth.4:24).

Onze Heer sprak totaal anders dan de schriftgeleerden. Hij discussieerde niet, ging niet in op twijfels, maar richtte Zich direct tot het hart van zijn publiek. De mensen werden niet aan de kant gezet. Er werd niet langs hen heen gepraat of over hun hoofden heen geredeneerd. De Farizeeën misten het contact met het volk en ze minachtten de menigte. Zij definieerden het lekenproletariaat: ‘ja, dat volk dat de wet niet kent, vervloekt zijn zij!’ Volgens hen hoorde de massa dus aan de duivel toe (Joh.7:49). Zij hadden alleen geloof in een kaste van aanzienlijken, die tijd en geld had om de geboden en inzettingen te onderhouden. Bij de Farizeeën was geen enkele zegen en geen enkel redding te krijgen.
Jezus gaf echter aandacht aan alle mensen die er behoefte aan hen (zie de vorige artikelen). Iedereen nu die instemde met het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen, vergeleek Jezus met ‘het zout van de aarde’. Hij liet zien hoe de mens in gerechtigheid kon leven:
- ‘Hij heeft u bekend gemaakt, o mens, wat goed is en wat God van u vraagt: niet anders dan recht te doen en trouw lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God’ (Micha 6:8).
De eerste Bergrede spreekt over het begin van de mogelijkheden om naar de wil van God te leven, terwijl de tweede Bergrede in Mattheüs 24 en 25 het resultaat en het einde van het evangelie van het Koninkrijk laat zien. Het ware Israël wordt verheven boven alle volken van de aarde, want het is bestand tegen bederf door zijn kennis en macht. Het vormt een koninklijk geslacht. Het natuurlijke Israël beantwoordde niet aan het doel, want het had geen zout in zich. Het was krachteloos of zoals veel vertalingen hebben: smakeloos, omdat het een prooi van de demonen was. Het had de kracht verloren om tegen de zonde te strijden en te overwinnen. Zijn leiders waren onbarmhartig, geldgierig en onrein en leidden het volk ten val. Daarom zocht Jezus zijn leerlingen uit de gewone mensen en bleef Hij ver van het godsdienstige centrum.
De sleutel van de kennis weggenomen

Het sanhedrin had geen enkel geestelijk gezag of visie in de hemelse gewesten en was dus onbruikbaar, want het had de sleutel van de kennis weggenomen, zodat niemand het Koninkrijk van God kon binnengaan. Onze Heer rekruteerde zijn volgelingen uit de menigte die hongerde en dorstte naar de gerechtigheid.
- Onze tijd komt met die van Jezus overeen. Na 18 eeuwen christendom hebben kerkgangers te maken met uitspraken van concilies, synodes, van pausen, bisschoppen en theologen, met eerwaarde, weleerwaarde en hoogeerwaarde heren die vreemd staan tegenover de grote massa.
Jezus is altijd heel duidelijk geweest. Zo volgt na de zaligsprekingen de uitspraak:
- ‘Wee u, u rijken, want u hebt uw vertroosting al. Wee u, die nu overvloed hebt, want u zult hongeren. Wee u, die nu lacht, want u zult pijn hebben en huilen. Wee u, wanneer alle mensen goede dingen van u zeggen; immers, op dezelfde manier hebben hun vaders met de valse profeten gehandeld’ (Luc.6:20-26).
De ware profeten worden vervolgd, verdrukt, geminacht, doodgezwegen en ze tellen niet mee. Met de woorden: ‘U bent het zout van de aarde’, begon de selectie in Israël, ‘want niet allen, die van Israël afstammen, zijn Israël’ (Rom.9:6). Het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen zorgde voor deze scheiding. De leerlingen waren zich deze kloof bewust, want zij hadden alles verlaten en waren Jezus gevolgd. Zij hadden zich gedistantieerd van het religieuze establishment.
Voordat Jezus de Bergrede uitsprak, had Hij gezegd: ‘Bekeer u, want het Koninkrijk van de hemelen is dichtbij gekomen’ (4:17). Zij die nog innerlijke kracht bezaten, moesten met het kwaad breken. Op de Pinksterdag herhaalde Petrus deze oproep, toen hij zei: ‘Wordt behouden uit deze verdorven generatie’, die niet de wil en de kracht bezit om de zonde te overwinnen. De leiders zaten vast aan de leugen en daarmee aan hun vader, de satan, die een leugenaar is vanaf het begin (Joh.8:44). Zij konden zich niet meer bekeren tot het evangelie van Jezus Christus. Het ondeugdelijke, smakeloze zout werd weggegooid en vertrapt. Zij waren immers horende doof en ziende blind. De mens moet zich eerst bekeren voordat hij bevrijd kan worden. Hij moet willen luisteren naar het evangelie van het Koninkrijk van God.
Het bederf van het zout, dat zorgt voor het verlies van eigen identiteit, wordt veroorzaakt door de machten van de duisternis. Er is sprake van het zout van de aarde, want wij leven op aarde. De aarde is de mensheid die overgeleverd is aan het bederf. Vlees wordt ingewreven met zout om bederf tegen te gaan. Ook geldt dit voor haring en groenten, zoals bonen. Het zout van de Dode Zee was van slechte kwaliteit. Flavius Josephus beschrijft hoe een voorraad zout uit de bewaarplaats van de tempel was bedorven en toen op bevel van Herodes in de voorhoven was gegooid om zo door de bezoekers te worden vertrapt (verg. Op.11:2). Ook rond de Middellandse Zee waren overal zoutpannen met een product van betere kwaliteit, maar als het blootgesteld werd aan zon, regen en lucht verloor het zowel zijn smaak als kracht.
De leerlingen waren het zout, maar ook de luisteraars en vandaag zijn dat de voorgangers, de oudsten en de gemeenteleden. De opnieuw geboren christen is als een antiseptische stof in deze wereld. Een kleine hoeveelheid ervan werkt snel door. Jezus bedoelde: alleen jullie zullen de gerechtigheid op aarde brengen. Zout is smaak gevend en een leven zonder Christus is smakeloos en krachteloos. Vanwege de tien rechtvaardigen, het zout van de aarde, zou de stad Sodom zijn gespaard, zoals de rechtvaardige Lot ook werd gered. Wij kunnen alleen redding verwachten van het ware christendom. Eenmaal zal de hele zuchtende schepping door de zonen van God worden hersteld. Jezus zei: ‘Heb zout in uzelf’ (Marc.9:50). De ware christen moet in zichzelf iets hebben dat de invloed en doorwerking van het kwaad tegenhoudt. Dit zout wordt ingezet voor de verlossing van de wereld.
Het zuurdesem

De levenskracht van het evangelie van het Koninkrijk en de kracht van Gods Geest worden niet alleen vergeleken met zout, maar ook met zuurdesem. De vrouw uit de gelijkenis had zelfs met een klein beetje zuurdesem twee emmers vol deeg doorzuurd. Het gaat hier over een innerlijke kracht. Paulus verbeterde het Romeinse rijk niet door het indienen van verzoeken bij de regering, of door protestacties waarbij zijn volgelingen werden opgeroepen met borden met allerlei leuzen te demonstreren. De ware christen openbaart zich als het zout in zijn gezin, in zijn werk, in de gesprekken die hij voert, waarmee hij de demonenwereld rondom hem controleert en op een afstand houdt, zoals zout het bederf tegenhoudt. Hij zoekt mensen die ook honger en dorst hebben naar gerechtigheid. Mensen in nood komen tot hem en hij kan ze een nieuwe levensweg wijzen. Kloosterlingen zijn níet het zout van de aarde, want zij isoleren zich van de wereld.
Bij Israël was het zout bedorven. Daarom werd het als speciaal volk van God afgeschreven, verstrooid en vertrapt door de demonen. De apostelen gingen toen het evangelie van het Koninkrijk aan de heidenen brengen. Die namen het tot zich en brachten het weer verder. Zo gaat het door totdat alles gezouten is. Verwerpt echter ook het Israël van God deze boodschap, dan moet wéér met een rest opnieuw worden begonnen. Het huidige kerkvolk kan de wereld niet redden en de ellende niet tegenhouden. Alleen een overblijfsel zal het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen over de hele wereld verspreiden. Wat smakeloos en krachteloos is, bereikt nooit de volkomenheid en het is niet geschikt om het geweld en het bederf van de antichristelijke tijd te keren. Ons tijdperk eindigt met twee categorieën christenen: zij die zich als zout van de aarde openbaren en zij die aan het bederf zijn overgegeven. Men moet een beslissende keuze maken, want de tijd dringt! Het zout kan zijn kracht verliezen en wordt dan weggegooid om vertrapt te worden.
- ‘Wie niet in Mij blijft is buiten geworpen als de rank en is verdord en men verzamelt ze en gooit ze in het vuur en zij worden verbrand’ (Joh.15:6; Op.11:2).
Dit is een serieuze waarschuwing voor allen die denken dat eenmaal gered zijn automatisch betekent: voor altijd behouden zijn. Wie in Hem blijft is gered. Er is daarom volharding nodig om te bewaren wat men heeft en om te ontvangen wat verder beloofd is.
- ‘Zie toe, broers, dat bij niemand van u een boos, ongelovig hart is, door af te vallen van de levende God, maar vermaan elkaar dagelijks’ (Hebr.3:12).

14: ‘U bent het licht van de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen blijven’.
Met de vergelijking: ‘U bent het licht van de wereld’, wordt een opnieuw geboren christen uitermate verhoogd. Het is een spreuk die Jezus ook op Zichzelf toepaste, want Hij zei: ‘Ik ben het licht van de wereld’ (Joh.8:12). Hij is ‘het licht van de natiën’ en gesteld tot ‘een licht van de volken’ (Jes.42:6; 49:6). Hij openbaart daarmee het leven en de kracht van God, want ‘het leven is het licht van de mensen’ (Joh.1:4).
Tijdens het scheppingsproces bracht God, na het vormen van hemel en aarde, uit een ‘zee’ van energie allereerst het licht tevoorschijn, dat zich voortplantte met een snelheid van 300.000 kilometer per seconde. Toen deze krachtsontplooiing de aarde naderde, werd het natuurlijke leven mogelijk. Door de zonde werd echter het levenslicht versluierd, want het kwaad bracht scheiding tussen de schepping en de bron van alle licht en leven, de Schepper. De wereld werd in ‘duisternis’ gehuld. Bij de herschepping werd het Woord van God naar de aarde gezonden als het Licht van de hele kosmos. Dit Woord, Gods Logos (Joh.1:1), is ‘het begin van de (her)schepping’ (Op.3:14), ‘want de God, die gesproken heeft: Licht schijnt uit het duister, heeft het doen schijnen in onze harten’ (2 Cor.4:6). De nieuwe, onuitputtelijke energie wordt geleverd door Gods Geest, die enkel leven uitstraalt en die wij ontvangen door Jezus Christus.
Zonen van het licht

Nu zegt de Heer tot zijn leerlingen dat zij ‘zonen van het licht’ zullen zijn te midden van de ‘zonen van de duisternis’. Zonder deze zonen van God blijft de meest verlichte eeuw, met al haar kennis op wetenschappelijk gebied, een tijdperk van duisternis. Alleen in de volgelingen van Jezus functioneert het eeuwige leven, dat als kwaliteitsleven zijn hoogste niveau bereikt en altijd standhoudt.
Overal is wetteloosheid, onvrede en verdriet. Er heerst in de wereld een sfeer van negativisme, agressie en geweld. ‘Een duistere wolk bedekt de lucht’. De demonen vallen neer, omringen de mensheid en inspireren talrijke mensen (Op.9:1,2). Het waarachtige leven is helaas ook uit veel kerkgangers geweken en wij leven in het tijdperk van de grote afvalligheid. Toch zegt de Heer ook nu tot zijn volgelingen: jullie zijn het licht van de wereld. Jullie schijnen als lichten in de duisternis. Waarom? Omdat ze verlost zijn uit de macht van de duisternis en overgeplaatst zijn in het Koninkrijk van Gods geliefde Zoon. Jezus Christus heeft ons voor God gekocht, verlost van de satan en Hij zal hen ook verder verlossen (Op.5:9,10). Het waarachtige leven wordt op aarde hersteld, maar dit kost tijd.
God vormt lichtdragers die een blij leven kennen. Vroeger geloofde men algemeen in een wraakgierige God, die met de duisternis was verbonden. Gods licht- en heilbrengende tegenwoordigheid was hierdoor verborgen en vrijwel onbekend. Zijn ark van het verbond bevond zich in een donker vertrek. Onze God herstelt echter het leven. Hij zegt tegen de mens: ‘Ontwaak u die slaapt en sta op uit de doden en Christus zal over u lichten’ (Ef.5:14). Leerling zijn is een lichtdrager zijn.
Jezus vervolgt: ‘Jullie vormen een stad op een berg, een verheven plaats, een heerlijk, zuiver lichtoord. Jullie zijn verheven boven de volken van de aarde. Jullie zijn van hoog niveau, jullie springen eruit’. Zo’n stad kan onmogelijk verborgen blijven. Haar Bouwmeester van God is Jezus Christus. Deze zegt: ‘Ik zal mijn gemeente bouwen’. Zijn evangelie van het Koninkrijk van de hemelen gaat door, want het vormt de ene ‘levende steen’ na de andere. Een machtige stad zal verrijzen op de hoge berg Sion. Jezus zal verheerlijkt worden in al zijn leerlingen, in al zijn heiligen en met verbazing in hen worden gezien (2 Thess.1:10). Petrus vermaant ook ons persoonlijk: ‘Laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis in die grote stad’ (1 Petr.2:5).

Wanneer wij ons geestelijk bezighouden met deze stad waar het leven volop functioneert, een stad die straalt en licht verspreidt, worden wij uiteindelijk gevoerd naar een grote en hoge berg, zoals Johannes deze in een visioen zag (Op.21:9,10). Hij zag toen de openbaring van de stad in al haar schoonheid en heerlijkheid. Abraham zag ernaar uit en zocht deze stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en Christus de bouwmeester is met hulp van Gods Geest (Hebr.11:10). Daarom bleef hij op aarde een vreemdeling en gast en zo ook wij. Het hemelse Jeruzalem is de stad van een geestelijk volk waarin rechtvaardigen leven, omdat zij door de Heer verzameld zijn, zoals een hen haar kuikens verzamelt. Het is de stad van de oprechten van hart en van de eerlijke en betrouwbare leerlingen van de Meester. De Heer vergeleek ons met een stad die op een berg ligt. Wij zijn dus al burgers van het nieuwe, maar nog onvoltooide Jeruzalem. Wij zijn immers naar de innerlijke mens overgezet uit de macht van de duisternis in het Koninkrijk van Gods geliefde Zoon.
- ‘En het zal gebeuren in het laatste van de dagen – wanneer God zijn Geest uitstort – dan zal de berg van het huis van de Heer vast staan als de hoogste van de bergen en hij zal verheven zijn – of verheven worden, zoals de Statenvertaling luidt – boven de heuvelen’ (Jes.2:2).
Deze berg is beeld van Gods Geest en hij voert de gelovigen steeds verder omhoog. Daarom openbaart deze berg voortdurend meer betekenis en kracht. Tenslotte is in de eindtijd het doel bereikt en is de gemeente van Jezus Christus stralend, zonder vlek en rimpel. Jesaja vervolgt dan dat alle volken naar deze stad zullen stromen en zullen zeggen: ‘Kom, laten wij optrekken naar de berg van de Heer, naar het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons leert over zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen’. Hij eindigt dan met de opwekkende woorden: ‘Huis van Jakob, kom, laten wij wandelen in het licht van de Heer’. Het evangelie van het Koninkrijk van God zal dus nog over de hele wereld worden verspreid tot een getuigenis voor alle volken en dan zal het einde gekomen zijn, dit wil zeggen dat dan de stad van God die van het begin af niet verborgen kon zijn, zal liggen op de hoogste van de bergen. Zij is ‘een vreugde voor de hele aarde, de stad van de grote Koning’.
Het licht van de wereld

15,16: ‘En ook steekt men geen lamp aan en zet die onder de korenmaat, maar op de standaard en hij schijnt voor allen die in het huis zijn. Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken zien en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken’.
Dit beeld gebruikt Jezus om duidelijk te maken dat zijn volk een vernieuwende en herstellende kracht in deze wereld bezitten gaat, is die van een lamp. Deze moet, als zij aangestoken is, dus opvallen door haar glans en daarom mag zij niet onder een korenmaat, onder een schepel, onder een bed, of in een kelder worden gezet (Luc.8:16; 11:33). Een brandende lamp hoort op een kandelaar te staan, want dan kan zij allen, die in de eenvoudige oosterse eenkamerwoning aanwezig zijn, verlichten.
Van iedere opnieuw geboren christen hoort licht uit te gaan. Dan valt hij in de duisternis juist op, want zo kan van hem worden gezegd: ‘Dat licht overstraalt de rechtvaardigen’ (Ps.97:11). Er gaat iets positiefs en iets hemels van hem uit, omdat hij deel heeft aan de goddelijke natuur. Licht moet gezien worden en Jezus zegt: ‘U bent mijn volgelingen, laat zo uw licht uitstralen, want jullie zullen gedoopt worden met Gods Geest; anders kunnen jullie je niet in het Koninkrijk van God bewegen. Laat de mensen zien wat het is om Mij te volgen, het is dé manier van leven. Wees als een lamp waarvan de pit verbonden is met de olie van Gods Geest. Wees niet alleen met de olie bezig, maar zorg er ook voor dat de pit niet walmt’. De navolgers van Christus zijn, om een ander beeld te gebruiken, God tot een aangename geur.
‘Laat zo uw licht schijnen voor de mensen’
Opnieuw geboren christenen zijn een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk, eigendom van God, om de grote daden te vertellen van Hem, die hen uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht’ (1 Petr.2:9). In Filippenzen 2:15 beschrijft Paulus christenen als ‘lichtende sterren in de wereld’. Zout is er slechts om bederf tegen te gaan en om voedsel smaak te geven. Zijn karakteristiek is enkel zijn zoutheid. Precies hetzelfde is dit met het licht. Een lamp heeft alleen tot doel licht uit te stralen. Wie echter een lamp door een voorwerp bedekt, is een dwaas. Een christen die niet getuigt over zijn leven vanuit de Woorden van God, leeft niet in verbondenheid met zijn Heer. Het zout is dan smakeloos geworden en heeft verder geen nut.
Wie als een rechtvaardige wil leven, zal eerst moeten geloven dat hij een rechtvaardige IS. Wie als een zoutend zout wil zijn, zal eerst moeten geloven dat hij bij het zout van de wereld hoort. Wie het licht van de wereld wil zijn, zal eerst moeten geloven dat hij het licht IS, want zonder dit geloof kan men niet naar Gods wil leven. Wie dit gelooft, kan zich niet meer permitteren negatief te denken. Negativisme is uit het rijk van de duisternis en wie zich hieraan overgeeft, bereikt nooit het doel. Paulus schreef:
- ‘Verder, broers, al wat waar is, al wat eerbaar is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat lieflijk is, al wat welluidend is, als er enige deugd is en als er iets prijzenswaardig is, bedenk dat. Wat u ook geleerd en ontvangen en gehoord en in mij gezien hebt, doe dat; en de God van de vrede zal met u zijn’ (Fil.4:8,9).