
- ‘Bent u hier gekomen om ons vóór de tijd te pijnigen? (Mattheüs 8:29). Onze naam is legioen, want wij zijn met velen. Wij bezweren U bij God dat U ons niet pijnigt!’ (Marcus 5:7-9).
De bevrijding van de gevaarlijke bezetene aan de overkant van het Meer van Galilea is niet zomaar een demonenuitdrijving zoals Jezus er zoveel heeft gedaan. Dit is een gebeurtenis waar een bijzondere betekenis achter zit. Dit blijkt al uit de uitgebreide beschrijving van deze bevrijding in de verschillende evangeliën.
De bevrijding van de bezetene van Gadara heeft ons meer te zeggen. Het verhaal van die ene mens blijkt van stap tot stap te maken te hebben met het ‘land’ waar deze scene zich afspeelt. Hier gaat het niet alleen om de bevrijding van een enkel mens, maar om de aanzet tot de ‘verovering’ van een heel gebied. Hier wordt een antwoord gegeven op de vraag wie de werkelijke macht over dit land had.
Van wie is het land?
Waren het dan niet de Romeinen die dit gebied beheersten? Het land van Gadara, gelegen aan de oostkant van het Meer van Galilea, viel inderdaad onder het Romeinse bestuur. Zij waren de toenmalige bezetters die een ‘omvangrijk’ gebied beheersten, waar onder andere ook de Decápolis onder viel. Hadden de inwoners van Gadara de macht over hun gebied? Het is duidelijk dat zij groot belang hadden bij hun gebied. Dat blijkt als de bezetene eenmaal is bevrijd. Men begint dan bang te worden voor de invloed die van Jezus uit zou kunnen gaan. Men wil baas blijven in eigen land, zelfs met een waanzinnige inwoner. In koor wordt er dan ook als het ware geroepen: ‘Jesus, go home!’ Gadara blijft van de Gadarenen. Jezus is voor hen een indringer.
Hierbij merken we op dat het gebied van de Gadarenen tot aan de regering van Salomo tot Israëls grondgebied werd gerekend. Daarna ging dit gebied voor Israël (geestelijk en cultureel) weer verloren. Nu vormden steden, zoals Gadara, Pella, Philadelphia en andere in de dagen van Jezus een soort ‘Tien-steden-bond’. De aanleiding tot de vorming van een verbond was het gemeenschappelijke verlangen om als steden de eigen zelfstandigheid tegenover Israël te handhaven.
De ‘God van de overkant’
Het feit dat Jezus de demonen toestaat in de varkens te kruipen, is in dit verband veelzeggend. Varkens waren voor de Israëlieten onreine dieren, maar voor de Decápolis waren ze van groot economisch belang. Wat hier gebeurt, zien de Gadarenen als een regelrechte aanval op hun economische zelfstandigheid. Hier zien zij Jezus in dienst van de God-van-de-overkant! Bovenal zijn het echter de demonen zelf die de macht over de Decápolis op eisen. De bezetene die voor niemand bang is, rent naar Jezus toe, knielt voor Hem neer en erkent dat Hij de Zoon van God is. Toch zijn de demonen bang voor de overmacht van de Heer en zij stellen een neutraliteitspolitiek voor. Ze geven daarmee aan een directe confrontatie uit de weg te willen gaan:
- ‘Wat hebben wij met U te maken, Jezus, Zoon van de Allerhoogste God?’
Macht tegenover ‘macht’

Het is opmerkelijk dat zij tegenover Jezus hun naam prijs moeten geven en daarmee hun machteloosheid erkennen. Ze geven zich gewonnen en smeken Jezus dringend hen vooral niet ‘buiten het land te zenden’ (Marcus 5:10). Dit is ongetwijfeld de meest opmerkelijke uitspraak in dit verhaal. Alles wijst erop dat ook dit legioen demonen, talrijk als het is, het allergrootste belang heeft bij dit gebied en zich opwerpt als de werkelijk bezettende macht. Hier wordt onze blik niet langer op de aarde gericht, niet langer op de Romeinse macht of op de claims van de inwoners van Gadara. Hier worden we geconfronteerd met een blik in ‘de hemelse gewesten’. Van daaruit worden de werkelijke aanspraken op dit gebied gedaan. En wel door satans demonen: ‘Door de overheden, de machten, de wereldbeheersers van deze duisternis, de demonen in de hemelse gewesten’ (Ef.6).
Ik heb alle macht!

Als Jezus de ‘bezetene van Gadara’ bevrijdt, is dat dan ook niet alleen omdat Hij met de man zelf is bewogen. Jezus is in het hele gebied geïnteresseerd. Het gaat de Heer niet alleen om bevrijding van de enkeling. Het is Hem erom te doen de macht van de satan over de hele streek te verbreken. Als de demonen uit de bezetene gaan en zich in wanhoop op de varkens storten, geven ze daarmee aan, dat niet alleen hun macht over een enkel leven, maar ook hun macht over de Decápolis doorbroken is. Ze mogen dan wel niet door Jezus buiten de landsgrenzen gezonden zijn, hun macht is doorbroken en de ondergang van de varkens waar ze in varen, staat ook voor hun eigen ondergang model.
Het is dan ook duidelijk waarom Jezus de bevrijde man niet toestaat verder met Hem mee te reizen. Jezus weet dat de overwinning die in de hemelse gewesten boven de Decápolis behaald werd, nu ook in mensenlevens verder door zal kunnen werken door de boodschap van het evangelie van bevrijding. Jezus wil dat de vroegere bezetene, als evangelist zijn overwinning op de legers van de satan uit gaat bazuinen. Deze man die eerst te vinden was in de bergen, de holen en de graven, trekt nu van stad tot stad in de Decápolis met het Evangelie van Jezus, dat macht over de demonen heeft.
Koning Jezus, de enige Heerser

Zo wordt dit hele gebied opgeëist voor Koning Jezus. Hij is immers de rechtmatige heerser over hemel en aarde. Waar Hij komt wil Hij de macht van het kwaad doorbreken. In mensenlevens en zelfs in hele gebieden. Voor de brengers van de blijde boodschap van bevrijding liggen er in de woorden van God talrijke beloften vast voor mens en volk, voor dorpen, steden, provincies en landstreken. Voor de hele aarde. Door de werking van Gods Geest in onze dagen zal deze vol worden van de kennis de Heer en van zijn heerlijkheid (Hab.2:14). Jezus is de Enige Heerser!
- ‘Zodat in de Naam van Jezus elke knie zou buigen van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn en elke tong zou belijden dat Jezus Christus de Heer is, tot heerlijkheid van God de Vader’ (Fil.2:10,11).
Wat vooraf ging: