De maanzieke jongen

De strijd aanbinden

Het staat onomstotelijk vast dat het evangelie van Jezus Christus gericht is op het Koninkrijk van de hemelen, hoewel dit voor het kerkvolk een onbekend en onbemind terrein is. De Heer was bekend met de onzichtbare wereld. Hij begon veel van zijn gelijkenissen met de woorden: ‘Het Koninkrijk van de hemelen is gelijk aan.’ Uit zijn werken bleek dat voor Hem ‘de gedachten van de satan niet onbekend waren’. Deze waren aan Hem geopenbaard, ‘zodat Hij de werken van de duivel zou verbreken’. Hij gaf aan zijn volgelingen het goede voorbeeld dat ‘het geschreven recht aan hen zou voltrekken: dat is de glorie voor al zijn getrouwen (Ps.149:9).

Wat is maanziek?

Nadat Jezus met drie van zijn leerlingen van de berg van verheerlijking afgedaald was, werd Hij ogenblikkelijk geconfronteerd met een ziektegeest uit het rijk van de duisternis (Matth.17:14-21; Marc.9:14-29; Luc.9:37-43). Een vader had zijn enige zoon tot de andere, achtergebleven leerlingen gebracht, zodat deze zijn kind zouden genezen van maanziekte. Zij hadden immers van Jezus macht ontvangen over de onreine geesten en al veel boze geesten uitgedreven. De woorden ‘daimon’ en ‘daimonion’ worden in de Nieuwe Vertaling weergegeven door ‘boze geest’ en in de Statenvertaling door ‘duivel’. Het juist voor de hand liggende woord ‘demon’ wordt in beide vertalingen gemist. De vertalende voorvaders hadden immers geen enkel inzicht in de geestelijke wereld, laat staan dat zij zich ooit werkelijk hebben bekeerd en het enige Bijbelse fundament in hun leven hebben gelegd. 

Een demon van Satan

Mattheüs vertelt dat de maanziekte door een demon werd veroorzaakt en Marcus voegt eraan toe dat deze geest stom en doof was. Tegen deze sterke demon waren de leerlingen niet opgewassen. Hun falen leidde tot een dispuut met de Schriftgeleerden, maar hierdoor waren ze niet veel wijzer geworden. Theologen weten meestal niet veel af van de onzienlijke wereld. Alleen de Schriftgeleerde die een leerling van het Koninkrijk van de hemelen is, wordt geschikt geacht om, uit de voorraad van zijn kennis, naast oude ook nieuwe waarheden over de geestelijke wereld tevoorschijn te brengen (Matth.13:52).

De ziekteverschijnsels die de vader beschreef, wijzen op epilepsie. De jongen werd aangevallen door bewustzijnsverlies, spierkrampen en spierschokken. Hij viel op de grond, kreeg schuim op de mond, terwijl hij met de tanden knarste en verstijfde. De vader sprak van maanziek, omdat hij de periodieke toevallen in verband bracht met de maanfasen. In die tijd was met van overtuigd dat kinderen die tijdens nieuwe maan geboren werden, bestemd waren om epilepsie te krijgen. In Mattheüs 4:24 staat dat Jezus zulke zieken genas.

‘Seleniazo’ – ‘Geslagen door de maan’

Volgens de Expository Dictionary betekent het Griekse woord ‘seleniazo’ letterlijk ‘geslagen of getroffen door de maan’. Denk daarbij aan een zonsverduistering, die veroorzaakt wordt, doordat de maan in een rechte lijn tussen de aarde en de zon staat. De maan ligt dan als een donkere vlek op de zon, die hierdoor getroffen of geslagen is en daardoor geheel of gedeeltelijk verduisterd, dus van licht beroofd wordt. De herhaalde aanvallen van epilepsie, waardoor de jongen getroffen werd, ontnamen hem de levenslust. Zijn zon was op zo’n jonge leeftijd al verduisterd, hoewel iemand met epilepsie meestal snel herstelt na een aanval en niet in zijn geestelijke vermogens beschadigd hoeft te zijn. 

Mannen als de hertog van Wellington, de schilder Vincent van Gogh, de componisten Richard Wagner en Hector Berlioz leden ook aan deze ziekte

Bij de maanzieke jongen bleef echter de ziektegeest IN hem zitten. Terecht zetten de vertalers boven het gedeelte in Marcus 9 en in Lucas 9 de genezing van ‘een bezeten jongen’. De situatie van stomheid en doofheid tijdens zijn bewustzijnsverlies veranderde dus niet. Het gaat hier niet over een beschadigd gehoor- en een beschadigd spraakorgaan die niet meer functioneerden, maar over het geestelijk lichaam van de jongen, dat de informaties van buitenaf door middel van het geluid niet meer opving en van een innerlijke communicatiestoornis met het spraakorgaan. Het verschijnsel dat men niet hoort of niet spreekt, komt normaal voor, wanneer men in een diepe slaap afgesloten is van de buitenwereld. Wie in de slaap iets hoort, wordt er door gewekt en wie in zijn slaap hardop spreekt, doorbreekt een barrière.

Demonen zoeken gemeenschap met de mens (Genesis 6)

In Judas 6 wordt een categorie engelen genoemd, die aan hun oorsprong, dat is aan hun gezaghebbende waardigheid, ontrouw werden. Hun geesteslichaam zocht naar een onnatuurlijke gemeenschap, die vergeleken wordt met de zonde, die de inwoners van Sodom en Gomorra deden. Deze engelen verlieten hun ‘eigen woning’, dat is hun existentie of manier van leven. Wanneer een opnieuw geboren en Geestvervulde christen sterft, verlaat hij ook zijn eigen woning, ‘zijn aardse tabernakel’, om met zijn geestelijk lichaam bij de Heer zijn intrek te nemen. Het geestelijk ‘lichaam van de Heer’ is een passend huis voor hem (2 Cor.5:1-10). Daar heeft de christen dan een andere existentie of manier van leven. Onreine geesten zijn demonen, die de zonde begaan door zich met hun geestelijke lichaam in een mens te dringen. Zij hechten zich aan de innerlijke mens vast om één geest met hem te worden (Gen.6).

In Romeinen 6:6 duidt Paulus zo’n boze geest aan met ‘het lichaam van de zonde’. In Romeinen 7:24 klaagt de zich ellendig voelende mens, die in dit zondigende vlees is: ‘Wie zal mij verlossen ván (en niet uit!) het lichaam van de dood?’ De verbinding met demonen voert immers eerst naar de tijdelijke; en na het laatste oordeel de eeuwige dood. Vanuit de begeerte het innerlijke lichaam van de mens te overmeesteren kan men zo’n demon ook aanduiden met ‘het lichaam van het vlees’ (Col.2:11). Zei God niet tegen Kaïn, dat de zondemacht, naar wie zijn begeerte uitging, als een belager aan de deur van zijn levenshuis lag? In plaats van dit geesteslichaam te weren en erover te heersen, liet hij de indringer binnen (Gen.4:7).

In het geval van de maanzieke jongen kan gezegd worden dat een onreine geest hem had overweldigd vanaf zijn prille jeugd. Hoe heerlijk is het dan voor ouders het eeuwige evangelie te kennen, te weten dat Jezus rondging weldoend en allen genezend die door de duivel overweldigd waren en dat Hij gisteren en vandaag Dezelfde is! Bij de jongen was sprake van een onreine boze geest of een vuile demon, zoals die ook in Lucas 4:33 beschreven wordt. In plaats van ‘het lichaam van de zonde’ dat elke demon heeft, kan men bij de maanzieke jongen spreken van ‘het lichaam van de wetteloosheid’, het onzichtbare lichaam van de ziektemacht, die de maanziekte veroorzaakte.

In Mattheüs 17:18 staat dat Jezus een maanzieke geest bestrafte en volgens Marcus 9:25 was dit een stomme en dove geest. Velen denken bij dit laatste aan een geest die het kind doofstom maakte. Men zou dan van een stijlfiguur kunnen spreken, zoals wij kennen in een ‘warme’ bakker of met een Bijbelse uitdrukking, in ‘de gezonde leer’ (1 Tim.1:10). Natuurlijk maakte de geest het kind stom en doof, maar de demon zélf was ook stom en doof. Onreine geesten zijn allen gedeformeerde geesten. Ze mankeren allemaal wat. Ze zijn misvormd en afstotelijk. Ze verleiden de mens niet, maar dringen zich met hun kenmerkende afwijkingen in hem. Een doofstomme geest kan uiteraard ook niet met andere geesten in engelentalen communiceren. Wel kon deze demon zien, want er staat:

  • ‘Toen de geest Hem zág(!) deed hij de jongen meteen stuiptrekken’.

In de Alexandrijnse tekst staat in Genesis 6:2 dat ‘de engelen zagen dat de dochters van de mensen knap waren en zij namen zich daaruit vrouwen, wie ze maar verkoren’, dus in grove willekeur. Zo had de demon zich met zijn geesteslichaam met geweld op de jongen geworpen en deze was daardoor wezensgelijk met hem. De verworpen geest schreeuwde dan eigen ellende uit en doorbrak zijn stomheid met de ongearticuleerde, doffe geluiden, die de jongen uitstootte. Het gedemoniseerde slachtoffer was niet in staat zich met zijn eigen geestelijk lichaam te weren, want de aanrander was te sterk. De jongen werd ondergedompeld in het lichaam van de wetteloosheid van zijn kwelgeest. Na zo’n aanval trok de macht zich weer terug, maar hij bleef het gehoor- en stemorgaan van het kind blokkeren.

Het herstel

De leerlingen hadden de doofstomme geest niet kunnen uitdrijven. Op hun bevel om uit te gaan, had hij niet gereageerd. Hij was als een dove adder, die niet luistert naar de stem van de bezweerders (Ps.58:5). Jezus bestrafte echter deze dove demon. Bij de woordverklaring van ‘bestraffen’ wordt allereerst gedacht aan: zijn macht op iemand leggen. Jezus legde zijn macht en autoriteit op de zieke jongen en hierdoor kwam de boze geest in het machtsgebied van het geestelijk lichaam van Jezus. Het Koninkrijk van God kwam over de jongen en dus ook over de demon (Matth.12:28). Toen gebeurde wat duizenden jaren tevoren het rebellerende leger van satan was overkomen. De geest werd buiten het Koninkrijk van God geworpen door Jezus van wie werd gezegd: ‘De Mensenzoon die in de (hoogste) hemel is’ (Joh.3:13). Zijn stem doorbrak de doofheid van de demon. Hij hoorde:

  • ‘Gij sprakeloze en dove geest, Ik zelf beveel u: verlaat hem en keer niet weder tot hem terug’ (Marcus 9:25 vert. Brouwer).

Aan het lichaam van de wetteloosheid werd zijn verzet afgepakt (Rom.6:6). Het geestelijk lichaam van de jongen ervoer toen een christelijke besnijdenis. Het werd immers besneden ‘niet door mensenhanden, maar met de besnijdenis van Christus, door het afleggen van het aardse lichaam’ (Col.2:11). De onreine geest kon niet meer terugkeren, want hij werd naar de afgrond verbannen en daar overgeleverd aan de diepste duisternis (2 Petr.2:4). In zijn begeerte naar het vlees wilde hij de jongen niet loslaten, maar op het ogenblik dat hij in het dodenrijk stortte, was de pijnlijke besnijdenis voltooid. Het Woord van God had als een mes de innerlijke mens van de jongen, zijn ziel en geest, gescheiden van het lichaam van de demon (Hebr.4:12):

  • ‘De jongen werd als een dode, zodat velen dachten, dat hij gestorven was. Maar Jezus pakte zijn hand, richtte hem op en hij stond op’.
  • Op de vraag van de leerlingen waarom zij de onreine geest niet hadden kunnen uitdrijven, was het antwoord: ‘Dit geslacht kan nergens door uitgaan dan door bidden en vasten’ (Marc.9:29).

In ‘Het Nieuwe Testament met commentaar’ staat de opmerking:

  • ‘Jezus heeft de demon in feite niet door gebed, maar door zijn machtswoord uitgedreven. In het onderhavige geval hadden de leerlingen slechts door gebed kunnen slagen – dus demonen uitdrijving door gebedsverhoring – niet door een bevelend machtswoord, waarover Jezus alleen beschikt…’

In Lucas 9:1 staat echter dat Jezus de twaalf bij elkaar riep en ‘hun macht en gezag gaf over alle boze geesten en om zieken te genezen’. Voor de ware christen betekent bidden bezig zijn in de hemelse gewesten, dus het bedenken van de dingen die boven zijn en niet die op de aarde zijn (Col.3:2). Vasten is het afleggen van: ‘ontucht, zedeloosheid, hartstocht, lage begeerten en ook hebzucht.’

Wij roepen u daarom op om ook deze weg te kiezen, om door de kracht van Gods Geest als verlossers de berg Sion te bestijgen en recht te spreken over de vijandelijke bergen – beeld van de onreine geesten – en deze op te nemen en in de afgrond te werpen (Obadja 21)!