
- ‘Bekeer u en laat ieder van u gedoopt worden (in water!) in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van zonden en (daarna!) zult u de gave van Gods Geest ontvangen (Hand.2:38).
Het is belangrijk dat men het verschil leert zien tussen het proces van het opnieuw geboren worden en de doop met Gods Geest. Veel bewoners in Babylon leren immers dat men bij het opnieuw geboren worden automatisch Gods Geest ontvangt. Voor hen is de doop met Gods Geest iets van vroeger en dus overbodig. Gewoon doorlopen… Toch wijst de Bijbel duidelijk de weg: Bekeer u (van uw huidige leven) en laat u dopen (IN water) en daarna volgt de doop met Gods Geest.
Oplegging van handen

Ook in Handelingen 8 is dit duidelijk de gang van zaken. De Samaritanen geloofden het evangelie dat Filippus bracht:
- Zij lieten zich als gelovigen dopen in water en ontvingen daarna via Petrus en Johannes, Gods Geest onder oplegging van handen.
- Ook Handelingen 19 vers 1-7 kent deze volgorde. De leerlingen van Johannes aanvaardden het evangelie dat Paulus leerde, toen werden zij gedoopt en daarná ontvingen zij Gods Geest na handoplegging.
Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de Heer Zich verder niet aan deze volgorde zou houden. Veranderingen worden veroorzaakt door dwaalgeesten, die theorieën brengen die in strijd zijn met de Bijbel. Hun doel is om iemand in verwarring te brengen en hem te verhinderen het Koninkrijk van God binnen te gaan.
Johannes de Doper roept op: ‘Kom tot inkeer, want het Koninkrijk van de hemelen is dichtbij!’ (Matth.3:2). Deze woorden wijzen er op, dat de mens niet alleen geschapen is om op de aarde te leven, maar ook bestemd is om in de hemelse gewesten te functioneren. De menselijke geest (ruach, adem, Gen.2:7) die God hem in het paradijs gegeven heeft, is zo gemaakt dat de volledig ontwikkelde mens daartoe in staat was.
Voor de mensen die Jezus willen volgen is er goed nieuws: Er is een weg om uit de duisternis waarin zij leven, te komen. Zij zullen alle vormen van onrecht moeten vermijden (2 Tim.2:19). Zij richten hun onderdrukte en vermoeide geest op God, dat is op zijn Woorden. Hun geest is er klaar voor om voortaan het goede te doen, hoewel het vlees, dat gewend is om satans demonen te gehoorzamen, nog zwak is. Maar met hun verstand en wil dienen zij God (Rom.7:26). Zij erkennen dat Gods geboden goed zijn en hebben zijn wet lief. In Hebr.6:1 worden deze bekering en dit geloof in God genoemd onder de twee eerste pijlers van het fundament, waarop de Heer zijn gemeente bouwt.
Voor God mensen gekocht

Het allereerste wat de bekeerde mens moet geloven, is dat Jezus zijn zondeschuld betaald heeft door vrijwillig zijn leven op Golgotha te offeren. Hij is ‘het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt’. Elk mens heeft immers gezondigd (het vrije contact met demonen van satan) en hierdoor zijn in de onzienlijke wereld ‘schatten van de toorn’ verzameld. De mens draagt dus een last van zondeschuld. Het evangelie van het kruis is, dat Jezus door zijn lijden en sterven voor alle mensen de schuld betaald heeft, want de mens Jezus Christus heeft Zich gegeven tot een losprijs voor allen (1 Tim.2:6). Hij heeft dus de zonde van het hele menselijke geslacht betaald. Deze waarheid is zo groots en bijna ongelofelijk, dat de apostel hiervan zegt:
- ‘Maar wij vertellen u van een gekruisigde Christus, voor Joden aanstootgevend en voor heidenen een dwaasheid’ (1 Cor.1:23).
Zonder enige inspanning, zonder enig werk van zijn kant, mag ieder mens die dit gelooft, zeggen, dat hij een rechtvaardige is op grond van het volbrachte werk van Jezus Christus:
- ‘Wij zijn dus als rechtvaardigen aangenomen op grond van ons geloof en leven in vrede met God, door onze Heer Jezus Christus’ (Rom.5:1).
‘Maar dit gaat zo maar niet..!’
De Joden en ook een menigte vrome geesten zeggen: ‘Dit gaat zo maar niet!’ De hedendaagse Jood en de nieuwste cultuurmens ergeren zich. Zij vinden het dwaas dat zij op deze grond zou kunnen zeggen van schuld gereinigd te zijn, maar het is een kracht van God tot behoud voor degene die gelooft. Het christendom is zeer exclusief, want het sluit alle andere verlossingsgedachten uit.
Het waterbad van het woord

Het proces van de nieuwe geboorte speelt zich af in de onzienlijke wereld. De Bijbel kan er dan ook alleen over spreken in beelden en gelijkenissen. De rechtvaardiging door het geloof vergelijkt de Bijbel met een waterbad. In de natuurlijke wereld is een waterbad bedoeld om het vuil van het lichaam te wassen (1 Peter 3:21). Als iemand een douche neemt, wordt het vuil verwijderd dat niet bij de mens hoort. Dit vuil kan misschien erg vast zitten of diep ingevreten, maar vormt toch geen wezenlijk bestanddeel van de mens. Zo is de zondelast ook geen wezenlijk deel van de innerlijke mens. Zij hoort niet bij de mens, maar heeft zich aan hem vastgehecht via Adam in het paradijs.
Door het brengen van het evangelie en het aanvaarden ervan wordt de mens gereinigd. Jezus zei: ‘Jullie zijn al rein door alles wat ik tegen jullie gezegd heb’ (Joh.15:3). Wanneer een mens aanvaardt dat Jezus Christus zijn schuld betaald heeft, weet hij dat de last weggenomen is en weet hij zich gereinigd door dit woord. Hij is dan een rechtvaardige. Om dit uit te beelden, getuigt hij in de zichtbare wereld van deze innerlijke reiniging door zijn doop in water, zoals er staat:
- ‘Sta op, laat je dopen (in water!) en je zonden wegwassen, terwijl je zijn naam aanroept’ (Hand.22:16).
‘Het bad van de nieuwe geboorte’ waarvan Titus 3:5 spreekt, zorgt door het evangelie ervoor dat de mens zich realiseert dat zijn zonden vergeven zijn. Johannes schrijft:
- ‘Wie Hem wél ontvingen en in zijn naam geloven, heeft Hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden’ (Joh.1:12).
Met de rechtvaardiging door het geloof staat men dus bij het begin van de nieuwe geboorte: het vrijkomen van het oude leven en het worden tot een kind van God.
Toegevoegde wetten voor een weerspannig volk in de woestijn (Gal.3:19)

Het hoogste wat de mens in het oude verbond met veel inspanning kon bereiken, was de rechtvaardiging door de wet. Hij probeerde zijn hele leven Gods wetten nauwkeurig gehouden had. Als hij struikelde bracht hij de voorgeschreven offers. En ieder jaar op de grote verzoendag hoorde hij de vergeving uitspreken over de zonden, die hij in onwetendheid gedaan had. Op die manier was hij een rechtvaardige naar de wet. Natuurlijk werd voor deze schuldvergeving ook geloof geëist, maar dit was slechts tijdelijk, want telkens moest opnieuw een dier geslacht worden.
De rechtvaardiging in het nieuwe verbond is echter constant. Zolang de mens in het geloof blijft aan de Woorden van God, zolang is hij zich van zijn rechtvaardiging bewust en zonder besef van kwaad. Zijn hart, beeld van de innerlijke mens, is door besprenkeling met het bloed van Christus gezuiverd van besef van kwaad en zijn lichaam is door de doop gewassen met zuiver water, beeld van innerlijke reiniging door het Woord van God (Hebr.10:22). Het zondebesef is dus geweken en de mens belijdt dat hij een rechtvaardige is. Jezus zei dat iemand geboren moet worden uit water (Joh.3:5). Dit was een voorwaarde om het Koninkrijk van God binnen te gaan, dus kind van God te worden.
Nicodémus in de nacht om de Joden te ontlopen

Nicodémus was iemand die naar alle waarschijnlijkheid goed bekend was met de doop van Johannes. Hij was misschien wel door deze medewerker van God gedoopt. Hij wist dus iets van een rechtvaardiging buiten het tempeloffer om, want Johannes wees op het Lam van God, dat ná hem kwam. Daarom was Johannes de allergrootste van het oude verbond. Hij preekte de rechtvaardigheid door het geloof, want:
- ‘Johannes doopte wel een doop van bekering, maar hij zei ook tegen het volk dat zij moesten geloven in Hem Die na hem kwam, dat is in Christus Jezus’ (Hand.19:4).
Johannes richtte de aandacht op het kruis van Christus, want de inhoud van zijn boodschap was verbonden met ‘het lam van God, dat de zonde van de wereld wegnam’. ‘Uit het water geboren’ betekent dus dat de geest van de mens die dood is in zonden en misdaden (dat wil zeggen ongeschikt is om in het Koninkrijk van God te functioneren) door de rechtvaardiging door het geloof tot nieuw leven wordt gewekt.
Wanneer de Oudtestamentische mens zijn hele leven de wet gehouden had, was hij een rechtvaardige naar de wet. Doel van het oude verbond is dus de rechtvaardiging. Het nieuwe verbond begint echter waar het oude verbond eindigt, namelijk met de rechtvaardiging door het gelóóf. In het nieuwe verbond is er dus nog tijd en gelegenheid voor een nieuw leven. Het doel van het nieuwe verbond is de volkomenheid, zoals er staat: ‘zodat een dienaar van God voor zijn taak berekend is en voor elk goed doel volledig is toegerust’.
De geboorte – een beeld
De geboorte van een kind is een verplaatsingsproces. Een kind leeft en ontwikkelt zich in de schoot van zijn moeder. Het heeft ogen, maar ziet niet en oren, maar hoort niet. Het leeft in het duister, maar het is niet de bedoeling dat het daar zal blijven. Dan komt het ogenblik dat het de moeder verlaat en het levenslicht ziet. Het gaat zien en horen. De moeder zegt: ‘Ik heb een kindje gekregen’, terwijl ze er toch juist van ‘verlost’ wordt. Zij rekent dus niet met de periode dat het kind niet zichtbaar was, maar alleen met de tijd dat het kind een eigen plaats in de wereld inneemt.
Hoewel het kind dus al bestond, begint men zijn leeftijd te tellen vanaf de geboorte. Het wordt eerst met melk gevoed en tijdens het groeien volgt het vaste voedsel. Bij de geboorte wordt het kind in het gezin opgenomen, het wordt met blijdschap ontvangen en de broers en zussen zijn blij. Nu wordt de baby ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand als kind van zijn vader en moeder. Het kind gaat zelfstandig functioneren in de zichtbare wereld van licht en duisternis, van leven en dood. Deze entree in de wereld, deze overstap is nu een beeld van de nieuwe geboorte in de geestelijke wereld.
De geest van de mens leeft en ontwikkelt zich op het terrein, waar de satan als overste van deze wereld zijn macht heeft. Deze menselijke geest heeft ‘ogen’ maar ziet niets van de heerlijkheid van het Koninkrijk van God. Hij houdt zich slechts bezig met de dingen van deze aarde, want wat de geestelijke wereld betreft, geldt voor hem: ‘van wie de gedachten door de god van deze wereld zijn verblind’. Hij heeft ‘oren’ maar hoort niet wat de Gods Geest zegt.
De metamorfose

Dan komt het ogenblik dat hij verlost wordt of onttrokken uit de macht van de duisternis en overgebracht of overgeplaatst wordt in het Koninkrijk van Gods geliefde Zoon (Col.1:13). Hij ziet het levenslicht (Joh.8:12). Hij begint aan een nieuwe levensperiode. In het Koninkrijk van God wordt hij eerst met melk gevoed en dan met vast voedsel:
- ‘Want de melk is voor de baby’s, maar vast voedsel is voor volwassenen; hun zintuigen zijn door ervaring geoefend en zij zijn in staat onderscheid te maken tussen goed en kwaad’ (Hebr.5:13,14).
De nieuw geborene komt in het huisgezin van God en daar is blijdschap, niet alleen bij de engelen, maar ook bij alle huisgenoten in het geloof. In de gemeente van Jezus Christus wordt hij met liefde ontvangen en op zijn beurt bewijst hij ook aanhankelijkheid en trouw aan zijn geestelijke broers en zussen. Hij is nu een kind van God en hij leeft waar zijn Vader is, namelijk in de hemelen zoals er staat:
- ‘Hij heeft ons samen met hem uit de dood opgewekt en ons een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus’, dus in zijn gemeente (Ef.2:6). Zijn naam is ingeschreven in het Levensboek, in de burgerlijke stand van de stad van God, want ‘wij zijn hemelburgers’ (Fil.3:20).
Zo mag de geest van de mens dan zich bewegen en ontplooien in het Koninkrijk van God, in het rijk van licht en leven, van blijdschap en gerechtigheid.
Uit onvergankelijk zaad
‘Mensen die opnieuw zijn geboren, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, door Gods levende en altijd blijvende Woord’ (1 Petr.1:23). De oorsprong van elk mens is de bevruchte eicel, ‘het zaad van de vrouw’ (Gen.3:15). Zonder de samenvoeging met het mannelijke zaad is de vrouwelijke eicel ten dode opgeschreven, maar door de verbinding van deze beide ontstaat nieuw leven, dat echter ook weer functioneert in de zichtbare, tijdelijke en sterfelijke wereld. Het zaad is vergankelijk en het voortgebrachte lichaam ook. Er is echter ook een onvergankelijk zaad, dat God er in gelegd heeft en waaruit de onvergankelijke geest van mensen zich ontplooit.
- Er wordt van God gezegd, dat Hij de geest geeft aan de mensen die op aarde wandelen (Jes.42:5).
- Jacobus 4:5 zegt: ‘Hij die ons het leven gaf’.
- Het scheppingsverhaal zegt immers: ‘Hij vormde hem uit stof, uit aarde en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen’ (Gen.2:7).
- In Numeri 16:22 staat: ‘God, u die al wat leeft de levensadem geeft’.
Het mensje ontvangt zijn geest als een zaadje dat zich ontwikkelen moet. Het is de bijzondere menselijke levensgeest die hem in de natuurlijke wereld doet ontplooien. Wil deze geest echt tot eeuwig leven komen, dan zal hij zich moeten verbinden als een vrouwelijk zaad of eicel door het geloof met het woord van God, dat tot hem komt van de man. Hierdoor ontstaat een nieuw en onvergankelijk leven. Na de bevruchting van het woord van God heeft de geest van de mens niet alleen tijdelijk maar ook eeuwig leven.
- Aanvaardt de geest van de mens het woord van God (dat tot zijn redding is) bewust en bij zijn volle verstand NIET, dan is hij ten dode gedoemd en wacht hem een eeuwig verderf, ‘een eeuwig afgrijzen’ (Dan.12:2; Matth.10:12-15).
Bij zijn groei ontwikkelt de geest van de mens zich dus eerst in de natuurlijke wereld. De bedoeling van God is echter dat hij zich gaat bewegen in het eeuwige Koninkrijk van de hemelen, waar God met zijn geest gemeenschap wil hebben, zoals Jacobus schrijft: ‘De geest, die Hij in ons deed wonen, begeert Hij met jaloersheid’. Deze gemeenschap van God met de menselijke geest begint met de doop in Gods Geest.
De menselijke geest die zich alléén bezighoudt met de zintuiglijk waarneembare wereld, leeft in het duister, omdat de duivel de overste van deze wereld is. Ook de duivel wil de geest van mensen bezitten en hij probeert hem zelfs door occultisme in de duistere kant van het Koninkrijk van de hemelen te krijgen (het rijk van satan). De menselijke geest heeft dan rechtstreeks gemeenschap met Satans demonen (o.a. Apollyon, het beest uit de zee) en wordt erdoor gedirigeerd (Op.13:1,2).
Bij de nieuwe geboorte wordt de menselijke geest, die door het Woord van God tot nieuw leven werd verwekt, verplaatst naar het Koninkrijk van God. Daar mag hij leven in de blijdschap, in de vrede en in de gerechtigheid van dit rijk. Dit vernieuwingsproces, de nieuwe geboorte, zou men kunnen vergelijken met de verandering van een rups in een vlinder. Deze gaat zich na de metamorfose in een wereld bewegen die hij van tevoren nooit gekend heeft. Hij leeft nu in een andere dimensie. Ook van deze herschepping geldt: ‘Let op! Ik maak alle dingen nieuw’ (Op.21:5). God geeft de mens geen nieuwe geest, maar zijn hart en geest worden vernieuwd (Ps.51:12 en Ez.18:31).
Door het Woord (Gods Logos – Joh.1:1; Hebr.1:1,2)

- ‘Πολυμερῶς καὶ πολυτρόπως πάλαι ὁ θεὸς λαλήσας τοῖς πατράσιν ἐν τοῖς προφήταις ἐπ’ ἐσχάτου τῶν ἡμερῶν τούτων ἐλάλησεν ἡμῖν ἐν υἱῷ, ὃν ἔθηκεν κληρονόμον πάντων, δι’ οὗ καὶ ἐποίησεν τοὺς αἰῶνας⸃ (Greek Interlinear):
- ‘In het verleden heeft God vaak en op veel manieren tot de vaders gesproken door profeten. Maar nu heeft Hij in deze laatste dagen tot ons gesproken door een van karakter Zoon, Die Hij Erfgenaam gemaakt heeft van alles, door Wie (Gods Logos en niet Jezus als mens, Joh.1:1), Hij ook de wereld gemaakt heeft’ 1,2.
De functie van het woord van God is dus, dat het zich verbindt met een ten dode gedoemde menselijke geest, waardoor de dood van zijn kracht beroofd en onvergankelijk leven aan het licht gebracht wordt (2 Tim.1:10).
- Jezus zei: ‘Er komt een tijd en het is nu al zover, dat de doden de stem van Gods Zoon zullen horen en dat wie hem horen, zullen leven’ (Joh.5:25).
- Jacobus zegt van de nieuw geboren mens: ‘Hij wilde ons door het brengen van de waarheid tot leven roepen, om ons de eersten te maken in zijn schepping’ (Jac.1:18).
- Ook voor de herschepping geldt: ‘Alles is erdoor ontstaan en zonder dit (Gods Logos, Joh.1:1) is niets ontstaan van wat bestaat’ (Joh.1:3).
Door het Woord van God (zijn Logos en niet een verzonnen jezus vóór zijn geboorte), wordt de menselijke geest klaar gemaakt om het duister te verlaten en in het Koninkrijk van God binnen te gaan. Alleen in dat rijk volgt gemeenschap met Gods Geest. Daar gaat de mens de ware blijdschap, vrede en gerechtigheid ervaren. Daar wacht hem het priester- en het koningschap. Voortaan kan de menselijke geest zich bewegen in twee werelden. Zoals een vlinder zich op de grond kan neerzetten, maar ook vliegen kan in de lucht, zo kan een opnieuw geboren mens zich bezighouden met natuurlijke dingen, maar zich ook verheffen in de geestelijke wereld en ‘wandelen op de hoge weg’. Zijn verwachtingen zijn echter niet gericht op de dingen van deze aarde, maar hij is opnieuw geboren tot een levende hoop in verband met ‘een eeuwigdurende, ongerepte erfenis die nooit verwelkt’ (1 Petr.1:4).
Wie uit het vlees geboren is, richt de aandacht op het uiterlijk waarneembare, maar wie uit de geest geboren is, richt de aandacht op God en op zijn Zoon Jezus Christus. De opnieuw geboren mens houdt de woorden van God, waardoor hij tot nieuw leven werd gebracht, vast in zijn gedachtewereld en beoordeelt de situaties in zijn leven vanuit wat God gesproken heeft: ‘Het zaad van God blijft in hem’ (1 Joh.3:9). De Woorden van God zijn voor hem het vaste voedsel, dat hem doet groeien naar de volwassenheid, zoals er staat:
- ‘Dan zullen we, door ons aan de waarheid (het Woord) te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toe groeien naar hem die het hoofd is: Christus’ (Ef.4:15).
Als de wind
Jezus zei:
- ‘De wind waait waarheen hij wil; je hoort zijn geluid, maar je weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat. Zo is het ook met iedereen die uit de Geest geboren is’ (Joh.3:8).
Het woordje ‘geest’ kan met of zonder hoofdletter geschreven worden. In de Duitse Bijbel staat dit woordje uiteraard altijd met een hoofdletter, omdat in deze taal de zelfstandige naamwoorden altijd met een hoofdletter beginnen. In het Grieks is het niet te zien. De nieuwe Engelse vertaling heeft in Johannes 3 geen enkele maal het woord geest met een hoofdletter. De mens die ‘in de geest’ is (Rom.8:9) of ‘naar de geest’ wandelt (Rom.8:4) richt zijn leven op God en beweegt zich in het Koninkrijk van de hemelen of in de geestenwereld. Hij oriënteert zich niet meer op wat voor ogen is, op wat van deze zichtbare, vergankelijke wereld is. Hij leeft door de Woorden van God en wil als geestelijk mens het doel bereiken dat in Gods gedachten voor hem bereid is.
Het beeld van de wind wordt nu duidelijk. De wind ontstaat en beweegt zich in de natuurlijke wereld, maar hij is echter niet zichtbaar. Men weet niet precies waar de wind begint. Hij komt nu uit de ene en dan uit de andere richting. Men weet ook niet waar hij heengaat en waar hij zijn doel bereikt heeft. Men merkt alleen zijn kracht op en hoort zijn geluid.
De opnieuw geboren geest leeft in de onzienlijke wereld. Zijn begin is niet zichtbaar, want de rechtvaardiging door het geloof is onzichtbaar net zoals de vernieuwing van de geest. Niemand kon het zien dat hij het woord van God aanvaardde en uit de duisternis overgeplaatst werd naar het Koninkrijk van God. Maar zoals de wind hoorbaar wordt, wanneer hij met de vaste stof in aanraking komt, zo wordt ook het resultaat van de nieuwe geboorte merkbaar, want de mens spreekt anders en handelt anders, zoals er staat: ‘Maar jij bent totaal veranderd’. Zoals de wind naar onbekende verten haast, zo jaagt de opnieuw geboren mens naar zijn doel: de volkomenheid.
Doop met Gods Geest

De nieuwe geboorte heeft dus betrekking op de geest van de mens en de Woorden van God. Van een nieuwe geboorte kan alleen gesproken worden in het nieuwe verbond dat gebaseerd is op het bloed van Christus, dat de rechtvaardiging bewerkt. In de opnieuw geboren mens die tot nieuw leven gekomen is, heeft God vreugde. In Johannes 14:23 zegt de Heer: ‘Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren’. Hier zien wij dus de verbinding (de liefde) tot stand komen tussen de geest van de mens en het woord van Jezus, die het vleesgeworden Woord van God is. Daarop volgt:
- ‘Mijn Vader zal hem liefhebben’, omdat de mens zich richt naar de gedachten van God.
- Tenslotte volgt dan: ‘Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen’.
Dit laatste wijst erop dat de Geest van God die via de Zoon van de Vader uitgaat (en Jezus zelf dus geen God is), zich verbindt met de opnieuw geboren geest van de mens. Gods Geest maakt het lichaam van de mens op deze manier tot een tempel van God in de geestelijke wereld. Door de kracht en de gaven van Gods Geest kan de mens dan in de geestelijke wereld leven en beantwoorden aan het doel waartoe God hem geroepen heeft. Hij kan zich door Gods Geest geleid en bekrachtigd, ontwikkelen tot een koning, een priester en een zoon van God, volmaakt klaar voor elk doel.