
Mattheüs 7:21-23
21: ‘Niet ieder die tegen Mij zegt: Heer, Heer, zal binnengaan in het Koninkrijk van de hemelen, maar wie de wil doet van Mijn Vader, Die in de hemelen is’.
Aan het einde van de Bergrede zegt Jezus heel duidelijk dat zijn evangelie gericht is op het Koninkrijk van de hemelen. In dit opzicht was Hij met geen van allen die vóór Hem de Woorden van God hadden geopenbaard, te vergelijken. Het Koninkrijk van de hemelen binnengaan betekent zich bewegen in de onzienlijke wereld om zich daar aan te sluiten bij allen die bij Jezus Christus horen en één front met Hem vormen.
De situatie in het Koninkrijk van de hemelen komt overeen met de verhoudingen onder de mensen op aarde. Er zijn goede en kwade mensen en er zijn goede en kwade engelen (geen uitverkiezing)! Op aarde leven de goeden en kwaden naast elkaar en zo is het ook in de onzienlijke wereld. Op aarde zal de opnieuw geboren christen zijn contacten zoeken met medegelovigen en slechte mensen zoveel mogelijk vermijden. Dit is dan een zwakke vergelijking met de afstand die er in de geestelijke wereld bestaat. De scheiding is daar duidelijker en de kloof onoverbrugbaar. De goede engelen horen bij het rijk van God en de demonen bij het rijk van de satan.
Jezus maakt hier duidelijk dat de christen niet bij de ingang van de poort mag blijven staan. Bij de poort staat het kruis van Golgotha en daar belijdt de mens dat Jezus eenmaal een vervloeking was vanwege zijn zondeschuld. Hij werd gekruisigd in zwakheid, dus als een mens van vlees en bloed (2 Cor.13:4). Aan het kruis was Jezus ‘het zwakke van God’, de steen waaraan men zich stoot en de rots van ergernis voor de Joden. De opnieuw geboren christen kan echter niet bij zijn bekering en het aanvaarden van zijn schuldvergeving blijven stilstaan, maar hij moet verder. Daarom is het zo on-Bijbels om te zingen:
- ‘Ik klem mij daarom aan Golgotha’s kruis, tot de Heer komt en met Hem het loon…’
De smalle weg

De ware christen moet de smalle poort doorgaan en op de smalle weg komen die door het koninkrijk van de hemelen gaat. Daar is geen sprake meer van Jezus als ‘het zwakke van God’, maar hier is Hij als Heer in het centrum van Gods gedachten. Tussen kruis en kroon ligt de weg waarop men moet strijden om het einddoel te bereiken. Paulus schreef aan het einde van zijn leven op aarde:
- ‘Ik heb de goede strijd gestreden. Ik heb de loop tot een einde gebracht. Ik heb het geloof behouden. Verder is voor mij weggelegd de krans van de rechtvaardigheid die de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij op die dag geven zal. En niet alleen mij, maar ook allen die Zijn verschijning hebben liefgehad’ (2 Tim.4:7,8).
De goede strijd is die door Efeziërs 6:12 genoemd wordt. Hij is niet tegen bloed en vlees, maar in het Koninkrijk van de hemelen tegen de overheden, de machten en de wereldbeheersers van deze duisternis; satans demonen. Op de hoge weg door de hemelse gewesten geldt de vuistregel van de apostel: niemand die door Gods Geest spreekt, zegt: vervloekt is Jezus. Door de belijdenis: vervloekt wás Jezus, ontvangt men wel de vergeving van schuld, maar wint er geen oorlog mee in de hemelse gewesten. Wie daar binnengaat, zegt: Jezus is Kurios of Heer, aan wie alle macht en heerschappij in de hemel onderworpen is (1 Cor.12:3). Dan moet het echter niet bij woorden blijven, want als men zulke gezaghebbende woorden uitspreekt, moet Jezus ook Heer zijn in het leven van de christen zelf. Als in hem de machten van de duisternis mee vibreren, rooft deze verdeeldheid van het hart de blijdschap en de vrede van het hemelse Koninkrijk. Hij wordt dan in zijn geestelijke strijd afgeremd. Hij kan niet met autoriteit optreden, om op slangen de voet te zetten en demonen uit te drijven.
Er wordt een volledige overgave van het hart geëist aan Gods Geest, die de christen naar het einde van de weg wil voeren om daar de volmaaktheid te bereiken (Fil.3:12). Wij zijn vreemdelingen en gasten op aarde en naderen de heilige stad, het hemelse Jeruzalem. Daar zijn onze namen als burger van deze stad opgetekend. Daar zijn wij bekend en de poorten staan voor ons dag en nacht open (Op.21:25). Jezus zei tegen zijn leerlingen die bezig waren geweest om demonen te onderwerpen: ‘wees blij dat uw namen in de hemelen zijn opgetekend’, dit wil zeggen dat jullie daar bekend zijn en daar thuis horen. Wanneer zijn innerlijke mens Jezus als Heer belijdt, zal de ware christen Hem ook onvoorwaardelijk willen gehoorzamen. Zo zei eens een vader tot zijn zoon: ‘Kind, ga en werk vandaag in de wijngaard. En hij antwoordde: Ja, heer, maar hij ging niet (Matth.21:28,29). Deze jongen deed NIET de wil van zijn vader.
De vijf dwaze maagden…

De dwaze maagden hadden ieder hun lamp bij zich. Hun lamp – beeld van de Woorden van God – ging echter uit, omdat er niet voldoende olie van het geloof in zat. Zij konden daardoor niet volharden in de strijd, die in het middernachtelijke uur op zijn hevigst woedt. Met uitgedoofde lampen in de hand riepen ze:
- ‘Heer, heer, laat ons binnen!’ Van binnen klonk echter een stem: ‘Voorzeker, ik zeg u, ik ken u niet’ (Matth.25:1-13).
Zij noemden Hem ‘Heer’, maar hadden zijn wil niet gedaan, hoewel deze geheel overeen kwam met die van zijn Vader, namelijk ‘het goede, welgevallige en volkomene’ (Rom.12:2). Zie verder bij Mattheüs 6:10 over het doen van de wil van God. Wie de wil van de Vader doet, gaat de feestzaal binnen – beeld van het rijk van God waar het herstel gebeurt – waar blijdschap, vrede en gerechtigheid de goede sfeer vormen en waar de Heer volop lof, eer en aanbidding worden toegebracht.
De rijke jonge man

Jezus zei: ‘Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren’ (Joh.14:23). De rijke jonge man sprak wel over de ‘goede Meester’, maar deed niet wat de Meester tot hem zei en daarom kon hij niet binnengaan. Met gewoon belasting betalen zoals iedereen, komt men immers niet in het koninkrijk van God. Zeker de rijken niet.
Jezus sprak over een categorie christenen die het eeuwig evangelie dat Hij bracht, hadden zien werken. Zelf waren zij echter niet door de enge poort binnengegaan. Zij kwamen voor een gesloten deur en riepen:
- ‘Heer, doe de deur voor ons open’, maar zij bleven buiten, omdat zij werkers van de ongerechtigheid waren geweest in plaats van boodschappers van de redding (verg. Luc.13:24-27).
Let er op dat de Heer van het standpunt uitgaat dat zijn volgelingen ook kunnen doen wat Hij hun had geboden. Zij zouden immers Gods Geest ontvangen en Deze zou het mogelijk maken, dat zij als bevrijde en herstelde mensen van God tot alle goede werken zouden zijn toegerust. Zo had Jezus in de Bergrede onder andere gesproken over:
- Niet bezorgd te zijn,
- niet te oordelen,
- vijanden lief te hebben,
- mensen te vergeven,
- aalmoezen in het verborgene te geven,
- je licht te laten schijnen,
- er niet aan te denken om te scheiden,
- niets te doen om door de mensen te worden gezien en aanbeden,
- schatten te verzamelen in de hemelen,
- zachtmoedig zijn.
De innerlijke mens moet dus op Jezus lijken. De christen moet spreken als zijn Heer en ook doen wat zijn Heer deed. Hij moet volmaakt zijn zoals zijn hemelse Vader volmaakt is. Hij moet dus innerlijk afgezonderd zijn van het kwaad, zoals er staat: ‘Wees heilig, want Ik de Heer uw God, ben heilig’.
Nogmaals: door zijn vruchten wordt de christen openbaar. Hij is herkenbaar aan zijn levenswijze. De vrucht van de Geest is in hem zichtbaar:
- Liefde,
- blijdschap,
- vrede,
- geduld,
- vriendelijkheid,
- goedheid,
- trouw,
- zachtmoedigheid,
- zelfbeheersing.
- Jezus zei: ‘zalig zijn de zachtmoedigen.’
Wie leiding aan een gemeente wil geven, zal hierdoor moeten worden gekenmerkt. Hij zal liefde bewijzen in de gemeente, in zijn gezin en aan allen met wie hij in aanraking komt.
22,23: ‘Velen zullen op die dag tegen Mij zeggen: Heer, Heer, hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd en in Uw Naam demonen uitgedreven en in Uw Naam veel krachten gedaan? Dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; ga weg van Mij, u werkers van de wetteloosheid’.
Het beter weten dan Jezus

Veel kerken hebben moeite met deze tekst. Er zijn zelfs groeperingen die zeggen dat de Bergrede niet voor ons geschreven is. Zij beschouwen het profeteren en het uitdrijven van demonen als een gevaarlijke zaak, waarmee de christen zich in onze tijd niet mag inlaten. Deze uitspraken zijn echter nog steeds actueel. Er zijn ‘superevangelisten en jetsetpredikers’ met een riant salaris, maar hun gerechtigheid is zeker niet groter is dan die van de Schriftgeleerden en Farizeeën (5:20). Jezus voorspelde dat velen de charismatische gaven zouden misbruiken. Hij noemt ze werkers van de wetteloosheid, die de weg voorbereiden voor de wetteloze antichrist, die bedrieglijke wonderen zal uitdelen. Zei Johannes al niet dat er ‘veel antichristenen (meervoud!) waren opgestaan’ (1 Joh.2:18)?
De profetieën van deze wetteloze werkers in Gods Koninkrijk zijn on-Bijbels. De gedachten van God komen er niet in voor en ze zijn niet tot opbouw, tot vertroosting, tot positieve vermaning of bemoediging, maar eerder tot afbraak en op het aardse leven gericht. De profetieën gaan niet vergezeld van een heilig leven van de profeten. Vanwege hun gebondenheden inspireren de demonen hen tijdens het profeteren. Hun godsspraken zijn niet gericht op het doel van God: de volkomen mens van God die tot alle goede werken volkomen is toegerust (2 Tim.3:17). De ware profetie is echter het getuigenis van Jezus, dus van zijn tegenwoordigheid in het midden van de gemeente.
Wanneer gezegd wordt dat een profeet op drie manieren kan spreken: uit God, uit de satan of uit eigen hart, wordt er dus op drie bronnen gewezen. Uit het hart profeteren is spreken vanuit eigen kennis, uit zintuiglijke waarneming, eigen ervaring en natuurlijke overleggingen. De profetie komt echter voort uit inspiratie door Gods Geest:
- ‘Door Gods Geest geïnspireerd hebben mensen van Godswege gesproken’ (2 Petr.1:21).
Ook maakt de Heer heel duidelijk dat het mogelijk is om boze geesten te verdrijven zonder dat iemands naam in de hemelen is opgetekend. Het is natuurlijk een positieve zaak als een goed, natuurlijk mens met zijn eigen geest een kwade geest weerstaat of uitdrijft, wanneer deze in hem is. Iemand met een sterke geest of ‘voldoende geest’ is hiertoe in staat (Mal.2:15). Zulke mensen stoppen bijvoorbeeld met roken of drinken of met bepaalde onreine gewoonten.

Maar er zijn ook mensen die demonen bestrijden met zogenaamde paranormale gaven. Zo zal een magnetiseur zeggen dat zijn genezingskracht een gave van God is. Toen Judas stage liep bij Jezus, wierp hij ook demonen uit, maar later werd hij zelf een duivel, dat is volkomen geleid en geïnspireerd door boze geesten (Joh.6:70). Zulke personen brengen niet de vrucht van het Koninkrijk van God voort en belemmeren dit ook bij anderen, namelijk vrede, blijdschap en gerechtigheid.
Een magnetiseur treedt het levenshuis van een zieke binnen vergezeld door een grootmacht van het rijk van de duisternis. Omdat het koninkrijk van satan verdeeld is, jaagt hij de kleine macht er uit, die bijvoorbeeld pijn veroorzaakt. Zijn strijken doet enigszins denken aan verven. Hij schuurt iets weg en legt er een nieuwe laag op. Hij geneest zieken en bindt hun zielen aan een grotere demon die ‘geneest’. De doelstelling van God, het herstel van de hele mens, wordt hier gemist. De gelovigen echter leggen de handen op zieken en claimen hen voor de weldaden van het Koninkrijk van God. Zij drijven demonen uit door een woord van God. Wanneer een verlamde op wonderlijke wijze genezen wordt, spreekt de apostel Petrus klare taal:
- ‘Mannen van Israël, wat verwondert u zich hierover, of wat staart u ons aan, alsof wij door eigen kracht of godsvrucht deze hadden doen lopen?’ (Hand.3:12).

Bij handoplegging opent de zieke of gebondene zijn levenshuis. De gelovige gaat dan het huis van de sterke, de boze geest, binnen en bindt deze demon. De zieke of gebondene vertrouwt zo’n helper, want hij verzoekt hem te komen en hem te bevrijden. Wat gebeurt er echter als zo’n helper zelf een boze geest bij zich heeft? Veronderstel dat je in huis door een vreemde hond lastig gevallen wordt. Nu komt een man binnen met een nog grotere hond, die de eerste wegjaagt maar de laatste achterlaat. Het laatste met zo’n mens wordt dan erger dan het begin, zegt de Heer (Matth.12:45).
Iemand die een ander bevrijdt, moet een beelddrager van God zijn. Laat je daarom nooit de handen opleggen door mensen die je niet kent, die negatief zijn en ook niet door hen, die Heer, Heer roepen en wier leven niet met hun woorden overeenkomt. ‘Ze hebben in mijn naam wonderen verricht’ (Can. vert.) of ‘machtsdaden gedaan’ (vert. Brouwer). Er zullen immers valse Christussen of antichristen komen ‘met allerlei krachten, tekens en bedrieglijke wonderen’. Ze hebben immers geen liefde voor de waarheid’ en het herstelplan van God (2 Thess.2:9,10). In dit verband geldt de opmerking: ‘De Heer kent de zijnen’ en: Ieder, die de naam van de Heer noemt, breekt met de ongerechtigheid’ (2 Tim.2:19). Onderzoek daarom of iemand, die met je bidt, de vrucht van Gods Geest bezit. Zoek geen mooipraters of populaire sprekers, maar een man van God en niet omdat deze dit van zichzelf zegt, maar omdat dit gezien wordt. Profeteren, duivelen uitdrijven en krachten doen, openbaren de wil van God, maar dit kan alleen gedaan worden door mensen die het kleed van de gerechtigheid dragen!