
1 Johannes 4:1
‘Geliefden, geloof niet elke geest, maar onderzoek de geesten of zij uit God zijn’ 1a.
Johannes spreekt tot ‘geliefden’, mensen die zeker weten dat ze op de goede weg zijn. Ze hebben contact met de levende God. Ze weten dat ze met hun innerlijke mens zijn overgeplaatst uit de macht van de satan naar het Koninkrijk van Jezus Christus (Col.1:13). Ze zijn opnieuw geboren. Johannes roept hen op om de geestelijke wereld te onderzoeken. In die geestelijke wereld werkt Jezus, werken de goede engelen, maar daar werkt ook satan met zijn demonen.
In de kerken wordt nauwelijks gesproken over de geestelijke wereld. Daardoor is er heel weinig aandacht voor het vernietigende werk van de satan. Kerkmensen spreken graag over ‘rechtvaardiging’ en geloven in een god die zowel goed als kwaad doet. Ze hanteren niet de sleutels ‘God is enkel goed‘ en ‘de duivel is enkel slecht’. Veel kerkmensen zoeken alleen maar een veilig plaatsje binnen de muren van het nieuwe Jeruzalem. Ze zijn al snel tevreden als het maar niets kost. Met een paar druppeltjes water als baby besprenkeld, als jong volwassene antwoord geven op wat vragen en de verzekeringspolis is getekend. Uiteraard gaat men zondags naar de kerk (soms zelfs 2 keer!), dit alles om de polis actueel te houden. Ze discussiëren met elkaar over de gaven van Gods Geest (aan de hand van een gaventest). Ze bestuderen ook wel de Bijbel van kaft tot kaft, maar denken al snel: ‘We zijn in het verbond met Abraham opgenomen, dus het komt wel goed…’
En daar houdt het dan voor deze naamchristenen mee op. Als ze maar niet verloren gaan, hoeven zij zich verder nergens zorgen over te maken! Het resultaat van zo’n opvatting is duidelijk. En de geestelijke wereld blijft zo onbekend terrein.
De schepping

De geestenwereld was er al voordat de mens geschapen werd. In Genesis 1:1 staat dat God in het begin de hemel schiep, dit wil zeggen dat de geestenwereld door Hem werd voortgebracht. Hij maakt door zijn woord de engelen die Hem dienden. Ze gehoorzaamden Hem en ‘letten op de adem van zijn mond’. De geestenwereld kent geen afstand, tijd of plaats. De engelen zijn dan ook niet aan tijd en afstand gebonden.
Alle engelen waren vol bewondering, toen God de zichtbare wereld schiep. In Job 38:7 staat dat toen God de aarde grondvestte, ‘de morgensterren samen juichten en al de zonen van God jubelden’. Niemand van hen ontbrak in dit grote koor. Toen God de materie schiep door zijn Woord en Geest, juichten ze. Toen Hij verder ging en alles ordende, zagen ze ook vol verwondering toe. Ze zagen hoe het groene kruid begon uit te lopen en de zaadjes zich in de planten vormden en uitgestrooid werden. De bomen kwamen tevoorschijn en brachten kostbare vruchten voort. De Schepper had bij dit alles geen enthousiastere supporters kunnen hebben. Hij schiep vervolgens dieren, levende wezens van hogere orde dan de planten, zodat de wateren begonnen te wemelen van de vissen en in de takken van de bomen de vogels kwetterden en floten. De engelen konden dit alles niet bedenken, het was alleen mogelijk door en vanuit de fantasierijke gedachten van de eeuwige God.
Toen God zei: ‘Laat Ons mensen maken naar ons beeld en als onze gelijkenis’, werkten de engelen opnieuw mee. God maakte de mens uit de elementen van de aarde en blies de levensgeest er in. Dit schepsel overtrof alles wat God tot dusver gemaakt had. Zijn ‘uitnemende geest’ bezat de mogelijkheid om zich ver te verheffen boven elk dier en om zich ook te ontwikkelen in de geestenwereld. De Schepper legde in hem de mogelijkheid niet alleen op aarde, maar door ontwikkeling ook een verheven plaats te krijgen in de hemelse gewesten en wel naast Zichzelf.
De val van dé troonengel

Vanaf dat moment kwam er een scheiding in de geestelijke wereld. De satan werd jaloers op de mens en zijn geestelijke mogelijkheden. De mens was dan nog wel niet op zijn bestemming in de onzienlijke wereld, maar hij – een deel van de engelen – zagen de capaciteit in de mens om dit doel te bereiken. Ze zagen dat God in de menselijke geest groei en ontwikkeling gelegd had, iets wat zij als engelen niet kenden. Toen zij geschapen werden waren ze immers compleet en gaaf. Ezechiël schreef over deze afgevallen cherub:
- ‘U, toonbeeld van volkomenheid, vol wijsheid en volmaakt van schoonheid, u was in Eden, de hof van God. Allerlei edelgesteente was uw sieraad: robijn, topaas en diamant, turkoois, onyx en jaspis, saffier, smaragd, beril en goud. Het werk van uw tamboerijnen en uw fluiten was bij u. Op de dag dat u geschapen werd, waren ze gereed’ (Ezechiël 28:12b).
De mens was na zijn schepping nog in ontwikkeling. Hij had tijd nodig om te realiseren dat hij naar Gods beeld en gelijkenis was geschapen. Dit gold ook voor de zienlijke wereld. Het zou miljarden jaren duren (en geen 6 dagen!) voordat de hele aarde bedekt was met flora en fauna. De engelen kenden echter de kracht van de Woorden van God. De mens werd gesteld tot ‘heerser’ over de zienlijke wereld. De engelen wisten dat zij op hun terrein ook aan de mens onderworpen zouden worden, dat zij hem dienen moesten om het goddelijke plan met hem vorm te geven (Hebr.1:14).
De bedekkende cherub Lucifer die zich het dichtst bij de troon bevond, kende het verlangen van God om in verbinding te staan met een wezen bij wie Hij wonen kon. Deze aartsengel wilde naast God tronen en met Hem heersen over al Zijn werken. Maar door de schepping van de mens, realiseerde hij dat dat er voor hem niet inzat. Toen werd hij ongehoorzaam. Hij onderschreef niet langer het plan van God dat van eeuwigheid de mens voor deze plaats had bestemd. In zijn wezen kwam een algehele verandering en hij viel. In plaats van een gehoorzame dienstknecht, werd hij een tegenstander en vervuld met nijd, jaloersheid en vooral haat. God heeft toen de satan verworpen en absoluut afgeschreven, want in deze geest en zijn aanhangers was geen enkel goed meer (Ez.28:11-19). Hun hele wezen was verdorven, wetteloos en onbruikbaar voor het goede.

Vanaf dat moment probeerde de satan de mens tot een wetteloze te maken. Hij slaagde er in door leugen en bedrog de mens ongehoorzaam te laten zijn, zodat deze de proef niet zou doorstaan op zijn weg naar de troon. Ja zelfs zijn koningschap over de aarde gaf Adam op door de duivel te gehoorzamen. Zo werd de satan de overste van deze wereld (Lucas 4;6). De satan heeft de mens verleid en zo was deze binnen zeer korte tijd zijn prachtige doelstelling kwijt en moest God zeggen: ‘De mens is enkel vlees!’ God kon dus geen man of vrouw meer vinden die door ontwikkeling tot een geestelijk mens kon worden.
Uit wie komt het kwaad? Uit de satan!

Onbegrijpelijk dat kerkmensen God de schuld van dit alles blijven geven en zeggen dat van God zowel het goede als het kwade komt. Maar wie heeft de aarde tot een chaos gemaakt? De satan! Hij is de schuldige, hij moet ter verantwoording worden geroepen. Zolang de mensen dit niet willen zien, is de geestelijke wereld voor hen gesloten en kunnen zij niet de geesten onderzoeken. Zij zullen zo nooit de demonen in eigen leven herkennen. Mensen worden ziek en depressief, vallen steeds terug in de zonde en komen niet uit het dal, zolang zij niet zien waar deze ellende vandaan komt.
In de volheid van de tijd

God heeft – direct na de val van Adam en Eva – omgezien naar Zijn kinderen en Hij doet dat nog steeds! Ook al heeft de satan veel macht, God heeft ingegrepen. In de volheid van de tijd zond Hij zijn Zoon. Ook dit begon heel eenvoudig, namelijk met een klein zaadje in de schoot van Maria. God omtuinde echter zijn Zoon als een vader zijn kind en Jezus groeide op en nam toe in genade bij God en de mensen. Zo ontplooide Hij Zich als een echt mens, die niet gedevalueerd was en niet verziekt, niet zondig en niet gebonden. Toen Hij dertig jaar oud was, werd Hij gedoopt IN water en met Gods Geest om Zijn roeping uit te voeren. Langs deze weg werd Hij de mens van God, tot alle goede werken volkomen toegerust (2 Tim.3:17).
Jezus scheidde in de geestelijke wereld het goede van het kwade, omdat het oordeel Hem was gegeven. De boom van de kennis van goed en kwaad functioneerde in de mensen, maar zelf zagen ze het verschil niet meer tussen goed en kwaad. Het slechte werd door Jezus verwijderd en het goede hersteld om dit opnieuw te ontwikkelen. Jezus genas zieken, bevrijdde de bezetenen en herstelde de aangetaste mensen. Herstel en vernieuwing kenmerkten Zijn optreden en karakteriseerden Zijn wezen. Johannes heeft van Hem geleerd, daarom spoort hij opnieuw geboren christenen aan: ‘Onderzoek de geesten of zij uit God zijn,’ ‘want er zijn veel valse profeten in de wereld uitgegaan’ 1b.
Valse profeten zijn mensen die geïnspireerd worden door satans misleidende demonen. Zij doen zich voor als engelen van het licht. Opnieuw geboren kinderen van God leren deze profeten te onderkennen, want hun doelen passen niet in het plan en doel van God. Er zijn ‘veel’ valse profeten, dus veel religieuze demonen maar ook ontelbare ziektegeesten, zondemachten en occulte geesten. Oprechte christenen proberen al deze demonen te onderscheiden. Het naamchristendom echter is krachteloos, omdat zij demonenblind is!
Met het advies van Johannes: ‘Onderzoek de geesten, of zij uit God zijn’, komt men vanzelfsprekend in de hemelse gewesten. De duivel wil de mensen laten geloven dat zij na de doop met Gods Geest alles hebben en in de onzienlijke wereld niets meer hoeven te doen, maar in de geestelijke wereld is niemand inactief. Wie overgezet is in de hemelse gewesten, luistert naar Jezus:
- ‘Hou de ogen goed open om te zien en haal de geestelijke handen uit de zakken, want er is veel werk te doen’.
Dat betekent dat de geestelijke mens moet leren oordelen. Het kwaad is in de hemel begonnen en daar begint ook het oordeel. Jezus zei: ‘De Vader oordeelt niemand, maar heeft het hele oordeel aan de Zoon gegeven’ (Joh.5:22). Jezus zal het oordeel tot overwinning brengen, Hij zal dus een totale scheiding maken tussen het goede en het kwade. Het slechte wordt veroordeeld en uitgezuiverd, terwijl het wetmatige tot in alle eeuwigheid blijft bestaan. Jezus oordeelt echter niet alleen, Hij schakelt de gemeente als medewerkers hierbij in.
Satanische legers

Er zijn miljarden demonen, want toen de satan op aarde binnendrong om zich daar als overste van de wereld te vestigen, kwam hij niet alleen, maar hij had een groot leger. Achter de satan staan, in goede orde en onder ijzeren discipline, zijn voornaamste geesten: de leugenmachten die het plan van God met de mens op de fijnste en meest geraffineerde manier tegenwerken. Daarachter komen de aanvoerders van de zondemachten met hun divisies en vervolgens de oversten van de ziektegeesten met hun slaven. Dezen hadden in het begin van de menselijke historie nog weinig invloed, want voor de zondvloed werden de mensen nog 800 en 900 jaar oud, terwijl wij moeten rekenen op een levensduur van 80 of 90 jaar. De levensgeest van de mens voor de zondvloed was nog sterk en werkte zo accuraat dat de ziektegeesten moeilijk konden binnendringen. De mensen werden toen zo oud, doordat hun lichaam bijna niet afgebroken werd en nog niet zo snel zouden sterven. Tenslotte komt achteraan het leger van de Dood met zijn rijk van gevallen engelen, de gevangenisbewaarders, die als koning heerst over allen die hun sterfelijke lichamen (hun aardse tent) hebben verlaten. In het begin waren er nog weinig mensen, maar nu zijn er miljarden die allen aangevallen worden door de ontbindende en wetteloze demonen.
De wereld (ook de godsdienstige) is vrijwel geheel demonenblind, maar wij worden onderwezen om de geesten in de hemelse gewesten te onderscheiden en de demonen te ontmaskeren. Zo zijn wij bezig in het Koninkrijk van de hemelen met de opdracht: ‘Onderzoek de geesten of zij uit God zijn!’ Wanneer wij de geesten moeten onderzoeken met wie wij in aanraking komen, zullen wij ook inzicht in hun gedachten en hun werkwijze moeten hebben. Het is belangrijk om te weten hoe demonen reageren en op welke manier Gods Geest in ons werkt en waaruit de dienst van de goede engelen bestaat. Hoe werken de infiltraties van een demon en wat zijn de gedachten van God? Hoe onderscheiden wij de geesten? Wat zijn de intenties van demonen, wat is hun streven en op wie is hun activiteit gericht?
Vrome geesten

In de eerste plaats mogen wij de gedachten van God kennen en het plan dat Hij in de Bijbel geopenbaard heeft. Wij zijn opnieuw geboren door zijn Woord en leven ernaar. We moeten ook weten hoe de satan denkt, zoals Paulus zei: ‘Zijn gedachten zijn mij niet onbekend’ (2 Cor.2:11). Dankzij de leer over het Koninkrijk van de hemelen kunnen wij de geestenwereld controleren of deze uit God is of verbonden is met de satan. Gods Geest woont in ons en helpt ons onderscheiden, maar we weten ook dat de satan ons wil beïnvloeden in ons denken en doen.
Demonen bedienen zich vaak van mensen om de mens te benaderen. Zij willen de mens tot een god zijn, want een god is immers een voorwerp van verering en een inspirator. De vader van de leugen probeert al vanaf het begin argeloze zielen, die niet opletten wie bij hen binnenkomt en die geen controle uitoefenen, te misleiden. Als zulke mensen de geïnspireerde gedachten doorgeven, worden ze valse profeten, hoe goed ze het ook mogen menen.
Valse profeten geven zich voor wat anders uit dan ze werkelijk zijn. Ze doen zichzelf voor als engelen van het licht, terwijl ze bij het rijk van de duisternis horen. Wanneer een valse profeet in het midden van de gemeente spreekt, zegt hij rustig: ‘Zo zegt de Heer’, of ‘zo spreekt Jezus’. De apostel Paulus schrijft echter: ‘Wat de profeten betreft, twee of drie mogen het woord voeren en de anderen moeten het beoordelen’ (1 Cor.14:29). Luister dus goed en wees kritisch. Een typisch kenmerk van de valse profetie is dat men moét profeteren. De Bijbel zegt echter dat de geesten van de profeten aan de profeten onderworpen zijn. God dwingt geen mens tot profeteren, maar demonen dwingen iemand wél om hun misleidende gedachten door te geven. Daarom zullen wij de profetieën moeten toetsen: ‘U weet niet van welke geest u bent. Want de Mensenzoon is niet gekomen om van de mensen hun zielen te vernietigen, maar om te behouden’ (Lucas 9:52-55).
Johannes bedoelt hier niet de onderscheiding van zonden zoals ook de wet dit doet, want hij laat liegen, doodslaan, echtbreken en dergelijke overtredingen in zijn brief buiten beschouwing. Het gaat bij hem om de subtiele en geestelijke benadering van de vijand door middel van leugen en dwaling die de mens van God afvoeren. Deze geesten zijn des te gevaarlijker, omdat zij in het midden van de gemeente opkomen. Johannes zei eerder: ‘Zij zijn van ons uitgegaan’ (2:19). Ook Paulus waarschuwde de oudsten uit Efeze voor de wolven in schaapskleren, die de kudde niet zouden sparen. Uit hun eigen midden zouden mannen opstaan die verkeerde dingen zouden zeggen (Hand.20:29,30). Ze zouden zich voordoen als engelen van het licht, als liefdevolle knechten van God ‘in schapenvachten’, dus als keurige, nette en intelligente mensen, ook vermomd in het kleed van het eeuwig evangelie, maar ze zouden geïnspireerd en gebruikt worden door verleidende geesten en de leerlingen verleiden.
Ook Jezus waarschuwde voor valse profeten: ‘Ze zullen komen onder mijn Naam’ (Matth.24:5). Vrome geesten eigenen zich dus de naam van Jezus toe. De gemeente zal daarom door een groot aantal verleiders benaderd worden. Ze zullen zelfs een meerderheid gaan vormen. Zij laten leer en leven in het onzienlijke rijk van God los. Ze houden ook op met de strijd in de hemelse gewesten om een weg te kiezen die aangenaam is voor het vlees. In de geschiedenis van de kerken merken we op hoe de kudde verscheurd en verdeeld is en volkomen het spoor is bijster geraakt onder leiding van ontelbare valse profeten, apostelen, leiders, herders en leraars. Daarom is er sprake van ‘het grote Babylon’.