
- ‘Wij zijn met velen’ (Marcus 5:9).
De gedemoniseerde aarde
Het verhaal over de genezing van de bezetene van Gadara in Lucas 8:26-39 is een aaneenschakeling van wonderlijke, bovennatuurlijke zaken. Allereerst is er sprake van een zware stormwind die door Jezus wordt bestraft. Wie zou ooit hebben gedacht dat hier de geestenwereld achter zat? Deze was er op uit om de fundamentleggers van de kerk van het nieuwe verbond in één grote aanval te liquideren. Verder gaat het hier over een mens in wie een heel leger van duizenden duivels huist onder een perverse hiërarchie van een grootvorst uit het rijk van de duisternis. Hun geweld en vernielzucht zijn opvallend, waarbij de beschadigingen van het verstand en het verstoren van de innerlijke vrede toch wel het allerergste blijken te zijn.

De verwoestende macht van de demonen uit zich in de meest uiteenlopende situaties. De natuurlijke mens – met een nog goed werkend geweten – neemt afstand van deze sinistere onderwereld. Toch staat hij machteloos en radeloos tegenover deze machten, hij heeft er geen antwoord op. De ‘eenvoudige’ christen kan er ook niet veel mee. Hij houdt liever de traditionele opvattingen vast dan dat hij de wapenuitrusting van God aandoet om te worstelen tegen de listen van de duivel, de heersers en machthebbers van de duisternis, de demonen in de hemelse gewesten. Hij ontloopt liever de consequenties die de opdracht van Jezus met zich brengt:
- ‘In mijn naam zullen de gelovigen demonen uitdrijven’ (Marc.16:17).
In de geschiedenis van de bezetene van Gadara is duidelijk het verschil tussen het optreden van de laatste en van de eerste Adam te zien. De eerste mens merkte de afwijking niet op die in de schepping was binnengeslopen, want hij was demonenblind geworden. Hij was niet in staat de bezeten slang te identificeren, omdat hij de onderscheiding van de geesten miste. Daarom ontheiligde hij ook de naam van God, door de leugen te geloven dat de Schepper van al het goede óók te maken had met het kwade. Net als de meeste kerkmensen vandaag. Wanneer de ontelbare legers van demonen de aarde bezetten, constateert de Heer dat de aarde om de mens vervloekt is, dus prijsgegeven aan de kwade geestenwereld.
Op duizenden manieren werd en wordt de prachtige schepping gedemoniseerd. Daardoor brengt bijvoorbeeld de aarde ‘doorns en distels’ voort. Er werken negatieve en wetteloze krachten in de plantenwereld, die de mens moeilijkheden bezorgen en zijn blijdschap en geluk afpakken. Van alle kanten dringt het gif binnen. Bepaalde diersoorten degenereerden tot roofzuchtige en bloeddorstige wezens en de ziekteverwekkende micro-organismen ontwikkelen zich en worden steeds meer. Veel mensen zijn zo gedegenereerd dat het beeld van God er niet meer in te herkennen is.
Oorspronkelijk was de mens een vruchtgebruiker, want hij at het zaaddragend gewas en de boomvruchten. De dieren hadden alle groene planten tot voedsel (Gen.1:29,30). Pas na de zondvloed werd tegen Noach gezegd, dat alles wat leeft, de mens tot voeding zou zijn met al het groene kruid (Gen.9:3). De mens zou zich echter nooit mogen verlagen tot een roofdier, want levend vlees – waarin de ‘ziel nog woonde’ – was voor hem verboden. Bij de herschepping, die door de zonen van God wordt hersteld, zal dit verbasteringsproces ophouden, want de wolf zal dan bij het schaap liggen en de panter naast het bokje. De leeuw zal in het vrederijk hooi vreten als het rund. Een kind steekt in het duizendjarige rijk de hand in het nest van een gifslang zonder dat dit beest hierdoor agressief wordt.
De zondvloed

Vóór de zondvloed was de aarde verdorven in Gods ogen en vol geweld (Gen.6:11). Geweldgeesten voerden de boventoon, niet alleen in de mensen maar ook in de dierenwereld. Zo lezen we dat er in die dagen reuzen op aarde waren, krachtmensen, beruchte mannen. God had de mens zulke gestalten niet gegeven, maar zo waren er velen, onder invloed van wetteloze geesten, geworden. De mens is in Gods ogen ‘verdorven’ of ook wel nutteloos gewórden (Rom.3:12), dus niet al vóór de geboorte. De Schepper formeert geen reuzen en ook geen dwergen, maar ze zijn afwijkingen van zijn oorspronkelijk patroon. Denk hierbij aan de geweldige mastodonten en de afschrikwekkende monsters uit de voortijd. Wanneer de dieren naar de ark komen, gebeurt dit echter onder de leiding van God.
Men kan er zeker van zijn dat God geen bezeten of gebonden dieren in de ark bracht. Hoe zou Noach anders in deze beperkte ruimte de rust en de vrede hebben kunnen handhaven? Hij zou dag en nacht geteisterd worden door de onrust en de agressie van dit soort beesten. Wij kunnen ons ook niet indenken dat hij iedere dag de roofdieren met vlees moest voeren. Dat later opnieuw een verwordingsproces bij mens en dieren intrad, ligt voor de hand.

Ook de zondvloed zelf was een gevolg van het oproepen van kwaadaardig geweld van de demonen. Wanneer achter de storm op het meer van Galiléa de boze geesten stonden, welke geweldmachten moeten dan wel achter de zondvloed hebben gestaan? De hele aarde werd immers ontzet en uit haar voegen gerukt. Denk alleen al aan de tegenwoordige scheve stand van de aardas ten opzichte van de zon. De gedachte hieraan vinden we terug bij de psalmist met de woorden: ‘Daarom zijn wij niet bang, al wankelt de aarde en storten de bergen in het diepst van de zee’. Vanwege deze veranderingen ontstonden ook de subtropische woestijnen en poolgebieden. Voortaan is er sprake van koude en hitte, van zomer en winter. Voordat het vrederijk aanbreekt, zal ongetwijfeld de aarde opnieuw ‘wankelen’ om in haar juiste stand terug te komen (Ps.46:3 en Hebr.12:26).
Herhaling van de zondvloed – Het beest uit de zee

Bij de zondvloed gebeurde in het groot wat met de bezeten varkens in het land van de Gerasenen plaatsvond. Deze dieren verdronken in de zee en de geweldmachten kwamen in de afgrond of in het dodenrijk terecht. Later zou Johannes op Patmos in een visioen deze geweldgeesten zien opstijgen, die dan opnieuw de aarde vervullen. Hij ziet hoe de put van de afgrond wordt geopend en de machten als de rook van een grote oven opstijgen. Zij teisteren de aarde zo verschrikkelijk dat de mensen wensen te sterven. Ook ziet de apostel een beest opkomen met tien horens en zeven koppen. Dit gedrocht met zeven koppen wijst op een uitbrekende wetteloosheid, want God heeft geen schepsel zo gemaakt. Vandaar dat de namen van godslasteringen op de koppen staan.
Het beest uit de aarde – dé antichrist

Dit geestelijke monster ontvangt van de duivel al diens kracht en macht, zodat de antichrist met zijn aardse helpertjes – in wie dit beest met zijn legioenen intrek neemt – genoemd wordt:
- ‘De wetteloze mens, hij die verloren zal gaan. Hij zal alles wat goddelijk en heilig is bestrijden en zich erboven verheffen, om in Gods tempel plaats te nemen op de troon en zich voor te doen als God’ (Op.9:2; 13:11-18; 2 Thess.2:3,4).
In de voortijd waren de gelovigen niet gedoopt en vervuld met Gods Geest, want Deze was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was. Daarom werd Henoch weggenomen en vond Noach een schuilplaats in de ark. Zij konden de schepping niet bevrijden, omdat zij geen macht hadden duivels uit te drijven. Oudtestamentisch georiënteerde letterknechten zouden deze mannen later als beeld gebruiken om een onmachtig en onvervuld christendom voor te stellen, dat niet in staat is de vijand het hoofd te bieden. Daarom vertellen zij dat de gemeente weggenomen wordt vóór de grote strijd begint. Zij zingen wel ‘voorwaarts christenstrijders’, maar dan om snel te vluchten! Geestvervulde christenen zien echter uit naar de openbaring van de zonen van God, die de herstelwerken zullen doen zoals Jezus die eenmaal deed. Zij zullen in het hemelse Armageddon het beest binden en hem met de bezeten antichrist levend werpen in de vuurpoel. Dan wordt vervuld:
- ‘Op die dag zal de Heer (door middel van zijn gemeente) ingrijpen: Hij trekt zijn groot en machtig zwaard (zijn Woord) tegen Leviathan, de snelle, kronkelende slang en hij zal Leviathan doden, het monster in de zee’ (Jesaja 27:1).
De openbaring van de ware mens
Satan heeft, als overste van deze wereld, in de loop van de eeuwen alles aangetast en beschadigd. Daarom zie je mensen, dieren en planten waarvan God moet zeggen: ‘Zo heb Ik ze niet gemaakt’. Is het vreemd dat wij daarom zo bijzonder blij zijn met het evangelie van Jezus Christus en met zijn methode tot herstel? De demonen schrikken wanneer ze voor het eerst in hun lange bestaan de ware geestelijke Mens ontmoeten, die ver boven hen staat en zijn plaats heeft ingenomen in de hemelse gewesten. Ze beginnen zich op hun eigen terrein onzeker te voelen. Wie is deze Mensenzoon en wat kan Hij in de onzienlijke wereld presteren? In de synagoge te Kapernaüm roept een onreine geest:
- ‘Wat hebben wij met jou te maken, Jezus van Nazareth? Ben je gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wel wie je bent, de heilige van God’ (Marcus 1:24).
De duistere geestenwereld was niet vooraf ingelicht. Er was een nieuwe mens, de Heilige van God, wiens sfeer van licht en kracht zij nu meemaakten. Zij wisten dat zij niet tegen Hem bestand zouden zijn en dat Hij hen zou overwinnen en vernietigen. Onder de mensen was de hoofdman van Kapernaüm een van de weinigen, die de ware situatie in de hemelse gewesten doorzag. Hij zei tot Jezus dat Deze in de onzienlijke wereld hetzelfde kon doen als hij met zijn soldaten. Wanneer hij tot een ondergeschikte sprak dat hij gaan moest, vertrok deze. Zo zouden de duivels ook moeten verdwijnen op bevel van de Heer. De demonen wilden geen mens boven zich hebben staan, maar van de Mensenzoon staat echter geschreven dat de heerschappij op zijn schouder rust. Hij bestrafte de rebellen en gebood hen te zwijgen.
Vroeger zochten de demonen met grote willekeur uit wie ze maar wilden (Gen.6:2). Nu worden ze echter voor het grote onbekende geplaatst en raken ze in paniek, want ze zouden ervaren dat Jezus was gekomen om allen te verlossen en te herstellen, die door de duivel overweldigd waren (Hand.10:38). Ook de bezetene in het land van de Gerasenen hadden zij aangerand en zijn verzet gebroken. Zijn gang naar Jezus was nog een teken dat zijn gebonden ziel hulp en redding zocht. Hij kon de Heer nog net bereiken, schreeuwde hard en viel daarna aan Zijn voeten.
Hoeveel mensen vragen nu in hun grote nood: wat heb ik toch gedaan, dat ik zo vernederd word en een speelbal ben van de onreine geesten? Het antwoord is dat zij volkomen wetteloos zijn en ook zonder recht of aanleiding het juist op zulke zachtmoedige geesten gemunt hebben. Wat is het heerlijk, wanneer de demonen ook in de opnieuw geboren mens het beeld van Jezus zien. Wat een perspectief heeft hij, die weet dat de zonen van God zullen worden geopenbaard. De zuchtende schepping zal door hen ontzet en bevrijd worden.
De val van Jericho

God gaf zijn volk het bevel dat het de Kanaänieten uit hun land zou verdrijven en voor hen uitjagen. De inwoners van de versterkte steden dachten echter sterk genoeg te zijn om te kunnen blijven zitten. Het resultaat was dat zo’n stad werd ingenomen en haar inwoners gedood. Die ondergang was beeld van het vergeefse verzet van de demonen met wie Jezus werd geconfronteerd. Ze hadden kunnen vluchten en uitwijken, om nog op deze manier een tijd lang hun oordeel te ontlopen. Zij bleven echter zitten, omdat ze toch eigenlijk de enorme kracht van Gods Geest onderschatten. Ze dachten de aanmaning van Jezus te kunnen negeren: ‘Onreine geest, ga uit van deze mens’. Zij deden dus als de inwoners van Jericho, die ondanks hun angst toch de poorten sloten en het risico van een confrontatie op zich namen.
Uit het verhaal van de ondergang van Jericho kan men ook leren, dat men in de strijd vaak vele malen om zo’n stad moet heentrekken om haar te laten vallen, wat zeggen wil dat men de inwonende machten vaak moet binden om uiteindelijk de overwinning te behalen. De onreine geesten die niet vrijwillig vluchten, zullen dan tot straf in het dodenrijk, de gevangenis, worden geworpen. Zij worden daar gepijnigd vóór hun tijd, omdat ze volkomen machteloos en krachteloos moeten wachten op het laatste oordeel, dat hen naar de vuurpoel zal verwijzen.
Waarom liet Jezus het eigenlijk toe dat de demonen eerst nog in de kudde zwijnen konden varen? Zeker niet met de bedoeling om de varkenshoeders een duur lesje te leren dat zij geen onreine dieren mochten hebben. De Heer verklaarde immers vanuit zijn visie op het Koninkrijk van de hemelen alle voedsel rein (Marc.7:19). Hij schonk in dit verhaal echter een ‘kostbare’ gelijkenis. Hieruit valt te leren op welke manier het herstel van de schepping zal gebeuren.
Alles wat geest heeft, dus leven, zowel mensen, dieren als planten, is door de demonen aangetast en meer of minder gedemoniseerd. Jezus verdreef echter de boze geesten en zei dat op deze manier het Koninkrijk van God over de schepping zou komen (Matth.12:28). Bij de bezetene van Gadara drong Hij het huis van de sterke binnen en bond eerst de sterke. Daarna plunderde Hij zijn huis door zijn huisraad af te pakken. In de zichtbare wereld stormden de zwijnen de steilte af en stortten zich in de zee van Galiléa. In de onzichtbare wereld werden de geweldgeesten in het dodenrijk geworpen, zoals dit gebeurde in de dagen van de zondvloed.
Het herstel
Als de schepping hersteld is, zal de bevrijde mens, gekleed en goed bij zijn verstand, aan de voeten van Jezus zitten. ‘Vrome’ geesten beweren dat mensen die Jezus volgen: ‘hun verstand eerst moeten inleveren…’ Een wetteloze raad! De bezetene van Gadara krijgt zijn verstand terug om er voortaan zelf over te kunnen beschikken. Het was niet meer verduisterd, maar juist verlicht en gezond geworden. Herstel is een functie van ieder leven. Deze bezetene was met de kracht van Gods Geest, de drager van het goddelijke leven, in aanraking gekomen en hij was genezen. Als vrij en herboren mens mocht hij voortaan hiervan getuigen en het evangelie van het Koninkrijk doorvertellen. Hij was een voorloper en een voorbeeld van de vernieuwde schepping. Daarom moet dit evangelie van het Koninkrijk in alle talen over de hele aarde worden gebracht. Dan zullen velen op dezelfde manier genezen als deze geesteszieke van Gadara.
Petrus schreef dat de duivel rondgaat als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal of kan verslinden. De tijd is dus voorbij dat de machten onder opnieuw geboren christenen maar lukraak kunnen grijpen wie ze willen. Zij stuiten op het verzet van de zonen van God, die ook hun weerloze kinderen zodanig heiligen, dat zij geen prooi meer worden van de onreine en gewelddadige geesten die in de eindtijd als een vloed zullen opkomen. Er is een volk dat weerstand biedt, dat de Koninklijke academie van God heeft bezocht en in de geestelijke oorlog is onderwezen. Ook van hen kan worden gezegd: de heerschappij rust op hun schouder. Deze zonen van God gaan de slagorden formeren om tenslotte na de overwinning op de demonen alles tot volheid of tot zijn bestemming te brengen. Het herstelwerk is ontzaglijk groot en het vereist uiterste precisie. Dan wordt vervuld:
- ‘Wat eerder nog vernield werd, zullen zij herbouwen, de lang verlaten streken weer bevolken; ze herstellen de vervallen steden, verlaten sinds mensenheugenis’ (Jes.61:4).
We hebben een zeer zware opdracht maar zij is ongelofelijk mooi. We willen erin volharden en de geestelijke strijd niet uit de weg gaan, want wij weten:
- ‘Zo geldt dit ook voor het woord dat voortkomt uit mijn mond: het keert niet vruchteloos naar mij terug, niet zonder eerst te doen wat ik wil en te volbrengen wat ik gebied’ (Jes.55).
Dit geloof in een geweldige toekomst overwint de wereld en al haar overheersers!