3. Heiligen van hart – Vredestichters

<<<<<

Mattheüs 5:8,9

8: ‘Gezegend zijn de heiligen van hart, want zij zullen God zien’.

Met de zesde zaligspreking komen we bij een van de voornaamste en meest omvattende uitspraken van de Bijbel. Wie zich in deze woorden verdiept, ervaart een gevoel van ontzag en van heiligheid, van iets bovenmenselijks en van gedachten die uit een andere wereld tot ons komen. Heiligheid en gezegend zijn wordt hier samengevoegd (veel vertalingen gebruiken het woord ‘reinen’). Zij merken de kracht van Gods Geest en stijgen ver uit boven het natuurlijke leven.

Jezus spreekt bij de heiligen van hart over de toestand van hun innerlijke mens. De Farizeeën waren alleen geïnteresseerd in het schoonmaken van de buitenkant van de beker en van de schotel, maar van binnen waren zij slecht: ze waren gierig naar anderen toe en leefden tegelijk zelf in overdaad (Matth.23:25). Bij de overgang van het oude naar het nieuwe verbond zegt Jezus dat het echter niet gaat om cultische, uiterlijke reinheid, waaraan het Jodendom zo’n waarde hechtte.

Water wordt wijn

Op de bruiloft te Kana veranderde Jezus het water in de zes vaten – die neergezet waren ‘volgens het reinigingsgebruik van de Joden’ – in heerlijke wijn, die de leiders van het feest mochten uitdelen aan de bruiloftsgasten. Met zijn evangelie botste Hij daarom met wat de Farizeeën leerden. Dezen waren verbaasd dat Jezus totaal andere dingen zei vanuit de heerlijkheid van het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen.

Psalm 24:3,4 spreekt ook over rein van hart. Bij het beklimmen van de berg Sion en bij het binnentreden van de heilige stad stelt het nieuwtestamentische volk de vraag: ‘Wie zal de berg van de Heer beklimmen? Wie zal staan in zijn heilige plaats?’ Het antwoord luidt dan: ‘De man, die rein van hart en zuiver van handen is, wie zich niet inlaat met leugens en geen vreemde goden dient’. Heilig van hart zijn zij bij wie de zondemachten overwonnen en uitgebannen zijn, want ‘zij brengen scheiding tussen u en uw God, uw zonden laten Zijn gezicht voor u verborgen, zodat Hij niet hoort’ (Jes.59:2). De reinen van hart zijn echter sterk, zij hebben de boze geesten overwonnen (1 Joh.2:14). Jezus spreekt over een volheid van geluk, voor hen die hun hart gezuiverd hebben van slechte gedachten. Dit hadden de Farizeeën nooit gedaan en dat doen de ‘vrome’ geesten nu nog niet. Het hart van zulke godsdienstigen is nog vol van doodsbeenderen en allerlei onreinheid (Matth.23:27). Kerkmensen denken dat het niet mogelijk is dat men heilig van hart kan zijn, want ieder mens zou immers in ongerechtigheid zijn geboren en in zonde door zijn moeder zijn ontvangen (Ps.51:7)? Zij spreken daarom liever van een erfschuld dan van gerechtigheid door het bloed van het Lam, dat de verzoening van de hele wereld bracht.

Er zijn reinen van hart, maar er zijn ook ónreinen van hart, dus mensen in wie satans demonen huishouden. Uit hun hart komen: ‘slechte gedachten, moord, echtbreuk, hoererij, diefstal, leugens en godslasteringen. Dat zijn de dingen, die een mens onrein maken, maar het eten met ongewassen handen maakt een mens niet onrein’ (Matth.15:19,20). Zo heeft een man die naar een andere vrouw kijkt, in zijn hart al echtbreuk met haar gepleegd (Matth.5:28). Hij is dan een onreine van hart.

Vrome geesten

Mensen die ‘vrome’ geesten in zich hebben, spreken vanuit hun klimaat. Zij doen zich godsdienstig voor, zijn uiterlijk engelen van het licht, maar in wezen medewerkers van satan. ‘Vrome’ geesten maken de mens schijnheilig en tot een misleidende werker in Gods Koninkrijk. Zij spannen zich in voor het zichtbare, voor het traditionele, hebben religieuze ijver en zijn gekenmerkt door uiterlijke wetsonderhouding. Zij vasten veel, bidden lang, raken bij bepaalde liedjes in extase, maar zij verzuren met hun dogma’s en tradities het leven van hun naasten in de gemeente of in het gezin. Zij maken hun huis vaak met bezems schoon, wat echter voor de onreine geesten geen bezwaar is om met vele andere en sterkere geesten terug te keren. Zo’n ‘vrome’ geest spreekt dan van ‘zijn huis’ en zijn eigendom (Matth.12:43-45). Onreine geesten werken vaak onder de dekmantel van vroomheid. In hun ‘verbolgenheid’ willen ze de overspeelster stenigen, maar ze zijn op seksueel terrein zelf gebonden.

Alleen de reinen van hart zullen God zien, want God is de absoluut Heilige, dit wil zeggen: volkomen afgezonderd is van de demonenwereld. God is één en zij die in Hem geloven en aan het beeld van Jezus gelijkvormig zijn, zijn ook één. Een christen is niet gespleten in zijn denken. Jeremia zegt: ‘Onbetrouwbaar en sluw is het hart boven alles, ja, verderfelijk is het; wie kan het kennen? Ik, de Heer, doorgrond het hart en toets de nieren’ (Jer.17:9). Hoe is deze onbetrouwbaarheid, dus ook onreinheid dan erin gekomen?

Kaïn en Abel

God waarschuwde Kaïn al voor zijn belager, die aan de deur van zijn levenshuis stond en wiens verlangen naar hem uitging. Als het hart door een boze geest bevrucht wordt, baart het zonde en als deze volgroeid is, brengt het de dood voort (Jac.1:15). Wie het onkruid zaait, is de duivel (Matth.13:39). Deze veroorzaakt het kwaad óf rechtstreeks door inspiratie óf door mensen heen.

De Bijbel spreekt over verleiding tot zonde, over begeerte van de ogen van hen die eer en macht zoeken, over de hoogmoed van het leven met het verlangen om vooraan te willen lopen en door middel van geld en goederen te willen heersen. De begeerte van het vlees is de meest laagstaande verleiding: roken, drinken,te veel eten, overtrokken seksuele verlangens en alles wat buiten de wet van God omgaat. Ook kan de satan beïnvloeden door dwangmatig handelen, overweldiging, opwekken van schuldgevoelens, verleugening van de menselijke geest, dwalingen en aanvallen van ziektemachten. De mens is onrein als hij de stem van God en die van zijn eigen (ingeschapen!) geweten overschreeuwt door slechte verlangens. Trouwens, alle boze geesten zijn onreine geesten. Het hemelse Jeruzalem – waarin de opnieuw geboren christen zijn leven heeft, heet de heilige stad. In haar zal niets onreins binnenkomen en de volken zullen in haar licht wandelen (Op.21:24,27).

  • ‘Gezegend zijn zij, die hun gewaden wassen … maar buiten zijn de honden en de tovenaars, de hoereerders, de moordenaars, de afgodendienaars en ieder, die de leugen liefheeft en doet’ (Op.22:14,15).

Honden zijn onreine dieren. Hoereerders schenden het beeld van de eenheid van Christus met de gemeente. Moordenaars willen macht over leven en dood. Afgodendienaars zijn hoereerders in de geestelijke wereld. Leugenaars hebben gemeenschap met dwaalgeesten; zij aanvaarden hun inspiraties en leven daarnaar. Leugenaars zijn geboren uit de vader van de leugen, de duivel.

Hoe kom ik aan een rein hart? Allereerst door de reiniging in het bloed van het Lam van God. Wie het evangelie aanvaardt, is vrij van schuld door het woord dat onze Heer heeft gesproken (Joh.15:3). Ten tweede werkt de geest van de mens samen met Gods Geest om de satan uit te werpen en te weerstaan. Ook kan iemand zich – in de gemeente! – laten bevrijden van demonen in de naam van Jezus Christus. Het is daarom voor ieder opnieuw geboren christen noodzakelijk om te bidden om geestelijke gaven tot versterking van zijn eigen geest. Dan kan hij met zijn geest leven in de schaduw van Gods hand (Jes.49:2). Wie heilig is, moet heilig blijven. De Heer tolereert geen dubbelhartig leven. God is licht en er is geen duisternis in Hem. Je kunt je leven niet mixen en af en toe de reiniging van je vroegere zonden en gebondenheden vergeten (2 Petr.1:9). Alleen in een rein hart kan God Geest Zich openbaren, zijn gaven laten groeien en zijn krachten manifesteren.

De meest omvattende vertroosting en allergrootste belofte is dat de heiligen van hart God zullen zien. Er breekt een tijd aan dat de zonen van God de volmaaktheid zullen bereiken en niet langer door een spiegel zien, in raadsels, maar van aangezicht tot aangezicht (1 Cor.13:12). Zij zullen dan verzadigd worden met zijn beeld (Ps.17:15). Voor  de onreinen van hart is het onmogelijk om de heilige God te zien. Op het oude spoor van de voorvaders kun je Hem niet leren zien, maar je zult het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen moeten aanvaarden en in je opnemen om Hem te zien. Hier gaat het niet om een zien met het natuurlijke, blote oog, want wij weten dat God geest is, maar ‘als ziende de Onzienlijke’ (Hebr.11:27). Dit ‘zien’ stelde Mozes in staat de toorn van de Farao te trotseren en wonderen en tekens te doen. In de rotsholte heeft God hem eenmaal met zijn hand bedekt, dit wil zeggen dat Zijn Geest over hem kwam en de kracht van het Allerhoogste hem overschaduwde. Toen zag hij in geestvervoering de heerlijkheid van de Heer (Ex.33:18-23, vergelijk Luc.1:35).

Job en de Leviathan, het monster uit de zee

Aan het einde van zijn beproevingen zag Job wie zijn ware vijand was geweest. Hij begreep de betekenis van de monsterachtige dieren die hem hadden belaagd en wier geweld uitvoerig wordt afgeschilderd. Hij zag toen ook wie God werkelijk is: ‘uit het einde dat de Heer deed volgen, zag hij dat de Heer rijk is aan barmhartigheid en ontferming’ (Jac.5:11). De satan had zijn hand tegen Job uitgestrekt en niet God. Hij was in de macht van de satan geweest (Job 1:11,12). Job erkende:

  • ‘Alleen van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U gezien’ (Job 42:5).

Wij merken hierbij op dat Job zelfs in diepste ellende niet had gezondigd en kon getuigen dat zijn hart zuiver was. Voor de heiligen van hart geldt:

  • ‘Wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien, zoals Hij is. En ieder, die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, zoals Hij rein is’
  • en ‘ieder, die zondigt, heeft Hem niet gezien en heeft Hem niet gekend’ (1 Joh.3:2,3,6).

Men ervaart pas wat helder water is, wanneer men het drinkt. Men ziet wie zijn vrienden zijn, wanneer men in nood is. Wij zien wie God is, als wij zijn wezen leren kennen, zijn gedachten verstaan en zijn werken opmerken. Jezus zei: ‘Wie Mij ziet, ziet de Vader’. Jezus lijkt op Hem en drukt zijn wezen uit. Als Jezus door Gods Geest in ons woont, zal God Zich ook ‘in’ ons openbaren. Er staat: ‘Streef naar vrede met allen en naar de heiliging, zonder welke niemand de Heer zal zien’ (Hebr.12:14). Wie liefde heeft uit een rein hart, dus wie niet gebonden is, kan zijn medemens iets geven (1 Tim.1:5). Iemand die een ander vermaant door de liefde uit een rein hart, maakt hem los van een macht, trekt hem ergens onder uit en voert hem in hogere regionen. Wie God ziet, kent Hem en leeft uit zijn eeuwig raadsplan dat tot redding en tot herstel is van de mens.

Vredestichters

9: ‘Gezegend zijn de vredestichters, want zij zullen Gods kinderen genoemd worden’.

Bij de vredestichters is ‘afwezigheid van levensstoornis’. Door de zonde wordt het leven in al haar facetten aangetast, dus verstoord. God is de bron van alle leven, maar door de ongerechtigheid in deze wereld wordt in de eerste plaats de goede verhouding met Hem ontwricht. Een vredelievende geest zorgt voor rust en harmonie, maar waar deze geest ontbreekt, ontstaat verwarring en disharmonie.

Om de geest van de mens te versterken gaf Jezus ons Gods Geest. Hij zei: ‘Vrede laat Ik u, mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u’ (Joh.14:27). ‘God is geen God van wanorde, maar van vrede’ schreef Paulus tot de Corinthiërs die van geen tucht wilden weten (1 Cor.14:33). ‘Hij is onze vrede’ en ‘de God van de vrede’ (Ef.2:14 en 1 Thess.5:23).

Daarom was het leven voor de zondeval vol vrede. Er was toen geen contactstoornis tussen God en de mens, ook niet tussen het eerste mensenpaar, dat in serene rust leefde. Er was geen enkele stoornis in hun leven: geen angst, verdriet, pijn, verdrukking, ziekte, leugen, verwarring en ook geen echtelijke ruzie. Toen de vrede met God verloren was, kwamen ook de tegenstellingen en de contactstoornissen tussen de mensen onderling. Er kwam onvrede in de mens zelf: ‘Want de goddelozen hebben geen vrede’. ‘Ze zijn als de zee, zo opgezweept, dat zij niet tot rust kunnen komen en wier wateren slijk en modder opborrelen’ (Jes.57:20,21).

Vanaf het begin was het Gods plan deze verdrietige toestand te laten ophouden en de vrede en de harmonie te herstellen. Daarom juichten de engelen bij de geboorte van Jezus Christus omdat er weer vrede op aarde zou zijn. God had ondanks alles plezier in mensen en Hij gaf hen de ‘Vredevorst’ (Jes.9:5). Door Jezus ging de Schepper de vrede herstellen, nadat door het vrijwillige offer van Zijn Zoon, alle dingen weer met Hemzelf waren verzoend, zowel op de aarde, als in de hemel. Jezus geeft ons constante vrede van het hart voor alle omstandigheden in ons leven. Wij zijn immers tot ‘vrede geroepen’ (1 Cor.7:15). Om de vrede te herstellen, gebruikt Hij medewerkers, die helpen om de onrust en alles wat het leven belemmert, weg te nemen en op te ruimen.

De Heer spreekt over vredestichters, dat zijn bouwers aan de vrede. Dit kunnen alleen mensen zijn, die zelf de vrede liefhebben en kennen. Daarom spreken andere vertalingen over ‘vreedzame mensen’. De vrede was en is op aarde zo ver te zoeken, dat men zich zelfs geen toestand zonder levensstoornis kan indenken. Men neemt de wanorde maar voor lief en zegt: zo is het leven nu eenmaal. Het is echter Gods bedoeling om zelfs een vrede te geven die alle verstand te boven gaat (Fil.4:7). De intenties van de satan zijn om de vrede in al zijn facetten van de aarde weg te nemen (Op.6:4). Ook hij zoekt medewerkers om zijn destructief werk te doen en te voltooien door de ‘zonen’ van het verderf (2 Thess.2:3). Om de intermenselijke verhoudingen aan te tasten gebruikt hij onruststokers, ruziezoekers, ontevredenen en verder goddelozen en zondaars. Hij gebruikt mensen die zelf geen vrede bezitten, die negatief en kritisch zijn ingesteld. Dezen streven niet naar vrede, maar veroorzaken moeite en onrust en hebben de vernietiging van miljarden mensen op het oog.

De gemeente moet daarom een centrum zijn van vrede, rust en harmonie. Jezus zegt: ‘Kom tot Mij, allen die vermoeid en belast zijn en Ik zal u rust geven’ (Matth.11:28). Hij is het hoofd van de gemeente en onder zijn vleugels vinden de door demonen aangevallen mensen, de geïrriteerde mensen, de zieken en gebondenen verlossing, genezing en herstel. Daar zijn bij uitstek de vredestichters die hun Heer navolgen en gehoorzaamt het geestelijk volwassen lid zijn voorgangers en onderwerpt hij zich aan hen, want zij zijn het die waken over zijn ziel (Hebr.13:17). Daar bewaart men de eenheid van geest door de band van de vrede (Ef.4:3).

Vreedzame mensen

De kanttekenaars van de Statenbijbel wijzen erop dat het woord ‘vreedzame mensen’ in de oude vertaling de betekenis heeft van ‘vredemakers’, die niet alleen voor zichzelf vreedzaam zijn, maar ‘ook bij anderen de vrede bevorderen’. Zij willen vrede met allen en verlangen naar de heiliging of reinheid, zonder welke niemand de Heer zal zien (Hebr.12:14). De wijsheid die ze hebben om vrede te maken is van boven en zij is zuiver (Jac.3:17). De vredestichters bezitten vruchten van Gods Geest, namelijk van goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing. Met een zacht antwoord keren zij de grimmigheid af (Spr.15:1).

Hoe kan zo’n christen, die zelf de vrede in het hart heeft en kent, anderen helpen om de harmonie en de rust te ontvangen?

  1. In de eerste plaats door ze de waarheid te laten kennen dat God alleen vrede wil en zoekt en dat de machten van de duisternis de onruststokers en vrederovers zijn. 
  2. Ten tweede om hen te leren deze rust verstorende geesten te onderscheiden, te weren en hen daarbij een helpende hand te bieden.

De vredestichters worden gezegend en ontvangen de belofte dat zij zullen uitgroeien tot ‘zonen van God’, zoals er in vele vertalingen terecht staat. Zij zijn ook de toekomstige bouwers in het duizendjarige vrederijk.

In de antieke wereld was het predicaat ‘vredestichter van het aardrijk’ een eretitel voor onoverwinnelijke heersers, die zich bovendien sinds de tijd van Alexander de Grote, zonen van God lieten noemen. Dit soort vredestichters bracht bijvoorbeeld de Romeinse vrede tot stand, maar ze hadden hem met geweld gevestigd en daarom was de wereld bij de geboorte van Jezus in de tijd van keizer Augustus in rust. Deze vrede werd in stand gehouden en bevorderd door het beroemde Romeinse recht, dat zich in Rome tijdens een periode van ongeveer 1000 jaar had gevormd en dat op de rechtspraak in vele delen van de wereld een grote invloed heeft gehad. Dit recht verzekerde een uiterlijke veiligheid en rust, maar de door onze Heer aangeduide vredestichters verspreiden de genade van God. Zij leven in volkomen gemeenschap en harmonie met de hemelse Vader, want zij worden door Gods Geest geleid. Zij zijn daarbij de erfgenamen van God en de mede-erfgenamen van Christus (Rom.8:14,17).

Niet de vredeverstoorders worden zalig genoemd, maar de vredestichters worden behouden, dat wil zeggen: zij ontvangen de kroon die de rechtvaardige Rechter geeft aan de volwassen geestelijke mens. Nooit is het de bedoeling van God geweest, dat zijn Koninkrijk te vuur en te zwaard of door fanatisme of met geweld zou worden verspreid. De zonen van God zijn de ware vredebrengers in deze wereld vanwege de werkingen van Gods Geest, die in hen woont en Zich in hen en door hen openbaart.

>>>>>