
Openbaring 6:3,4
‘En toen het Lam het tweede zegel geopend had, hoorde ik het tweede dier zeggen: Kom en zie! En een ander paard, dat rood was, trok uit en aan hem die erop zat, werd macht gegeven de vrede van de aarde weg te nemen en te maken dat men elkaar zou afslachten. En hem werd een groot zwaard gegeven’ 3,4.
De paarden die nu komen, zijn niet wit, maar gekleurd en daarmee beelden van de machten van de duisternis. Wij bevinden ons immers met Johannes, de ziener, nog steeds in de geestelijke wereld (4:1). De rossige, vuurrode kleur waardoor dit tweede paard zich kenmerkt, komt in de Openbaring vaker voor. De grote draak die Johannes in Openbaring 12:3 te zien krijgt, is ook rossig of vuurrood. Hetzelfde geldt voor het beest met zeven koppen en tien horens dat in Openbaring 13:1 uit de zee opkomt: het is scharlakenrood (Op.17:3). De vrouw, de grote hoer, die op dit beest zit, is ook gehuld in purper en scharlakenrode kleding (Op.17:4). Ook de harnassen van de ruiters op de paarden in Openbaring 9:17 kenmerken zich door deze rossige, vuurrode kleur. Jesaja koppelt deze kleur aan de zonde: ‘Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (1:18).
Nahum spreekt in hoofdstuk 2 van het optrekken van de verstrooier en vernieler, een geest die samen met zijn onderdanen een vernietigend werk doet: het schild van zijn helden is rood van kleur, de dappere mensen zijn in scharlaken gekleed. In tegenstelling tot de kleur wit staat rood in het boek Openbaring voor onzuiverheid en onreinheid, voor zonde en wetteloosheid. Het houdt verband met de groep demonen in de hemelse gewesten die mensen beïnvloeden om mee te werken aan de vernietiging en ondergang van de wereld. Rood is ook de kleur van alles wat ‘aards’, dus van de aarde is (vergelijk Genesis 4:10).
Sprekend de draak

Met de rossige, (vuur)rode kleur van het paard laat Jezus ons het wezen zien van de geest die hier uittrekt. Het is een macht die sterk lijkt op de grote draak – de satan (Op.12:9, 20:2). Het rode paard wijst dus niet op de duivel zélf, maar op een vertegenwoordiger van de overste van de wereld die in rangorde dichtbij hem staat. Het is een grootvorst uit het leger, die – in opdracht van de satan – mensen tot zonden en ongerechtigheden brengt. Het is een ‘wereldbeheerser’ uit het rijk van de duisternis, die zorgt voor wetteloosheid en verdeeldheid. Door hem worden mensen in het verderf gestort. Deze geest vervreemdt mensen van het leven met God. Uiteindelijk drijft hij hen buiten het bereik van God en zijn Koninkrijk. Hij verzet zich tegen het plan van God en het werk van Jezus Christus.
De ruiter op het rode paard trekt uit in dezelfde ‘dimensie’ als de ruiter op het witte paard: in de hemel van mensen. Hij wil de vrede in hun leven wegnemen, waardoor er geen harmonie en eenheid met God mogelijk is. Hij wil Jezus’ werk belemmeren, door het onkruid tussen het koren te zaaien (Matth.13:25). Hij liegt en bedriegt waar mogelijk ieder mens, zodat er verharding en verzet optreedt.
Val van dé troonengel

De strijd tegen Gods heiligen en geliefden woedt al vanaf het begin van de schepping. Satan begon ermee in het paradijs. De grootvorsten uit zijn leger zetten daarna deze strijd voort. Steeds weer vindt dit ‘rode paard’ een geschikte ‘ruiter’, mensen die zijn wetteloze werken willen doen.
De ruiter op het witte paard zei ooit: ‘Vrede laat Ik u, mijn vrede geef Ik u’. Waar hij overwint, komen harmonie, blijdschap en gerechtigheid. Het schijnlichaam van de Heer heeft de vrede op aarde echter niet gebracht. Men heeft hem zelfs niet binnen de eigen muren kunnen bewaren. In de kerk ‘hebben zij elkaar afgeslacht’. De kerkgeschiedenis is die van Babylon.
- ‘De vrouw was dronken van het bloed van de heiligen en van het bloed van de getuigen van Jezus’ (Openb.17:6).
De rode bladzijden van de geschiedenis van de zogenaamde ketters en sektariërs vertellen van de martelaars binnen het christendom. Zij hebben binnen Babylon het lijden om de naam van de Heer ervaren. Op de straten van deze zeer grote stad werden en worden allen vervolgd, die voor God willen leven in Christus Jezus. Het leven in de hemelse gewesten en het volgen van Jezus werden en worden gehonoreerd met vervolging en lijden. Zo groot was de angst en de afkeer van het bovennatuurlijke, dat vele duizenden onschuldige ‘heksen’ door rooms-katholieken en protestanten op gruwelijke wijze werden vermoord. Bekend zijn de wreedheden van de inquisitie, de godsdienstoorlogen, de scheuringen, de verbanningen, de excommunicaties, de schavotten en de brandstapels.

De ruiter op het rode paard, die niet nader geïdentificeerd wordt, had een groot zwaard, maar dit is niet het zwaard van Gods Geest, het Woord van God; het zijn de dwalingen waardoor de massa uit de gemeenschap van Jezus Christus getrokken worden. Het zijn dogma’s van mensen, de ceremonieën, het aankweken van kerkbesef ten opzichte van aardse instellingen, de uitspraken van concilies en synoden. Hoe heeft bijvoorbeeld de leer van de uitverkiezing niet haar duizenden verslagen en deze mensen belemmert de genade en de verlossing aan te nemen. Hoeveel tienduizenden zijn alleen al vanwege de Bijbelse doop gemarteld, ter dood gebracht en verguisd. Het grootste percentage van de martelaars, ook in Nederland, hoort bij de overdopers. Hoewel de overheid haar zwaard nu niet meer aan de kerkelijke autoriteiten leent, worden zij die zich op Bijbelse wijze laten onderdompelen, in vele kerken, familie- of dorpsgemeenschappen, nog steeds op allerlei manieren gediscrimineerd en uitgesloten.
De ruiter op het witte paard en de andere ruiters trekken samen uit. Jezus sprak over het samen opgroeien van tarwe en onkruid. Beide moeten tot hun volle ontwikkeling komen, zodat in de tijd van de oogst geen verwarring mogelijk is. Met de opening van het tweede zegel zien we de acties van het rode paard in de hemel van mensen. Juist voor hen, die Hem op witte paarden willen volgen, is het van groot belang het werk van het rode paard in eigen leven en dat van de gemeente te onderscheiden. Op die manier kunnen ze deze aanvallen pareren en overwinnen. Dankzij die overwinning kan het leven door Gods Geest en de gaven van Gods Geest tot ontwikkeling komen.

Veel kerkmensen zijn gevoelig voor het werk van het rode paard en zijn ruiters. Zij blijven niet bij de ene, ware Levensbron, bij één man: Christus; ze laten zich meevoeren naar vele wateren (Openb.17:1), ze gaan drinken van vele (geestelijke) bronnen. Zij laten zich misleiden door het schijnchristelijke en verzaken hun eerste liefde (Op.2:4). Ze vallen van hun hoogte (Jes.14) en komen in de geestelijke wereld tot ‘hoererij’. Zij komen steeds meer onder invloed van het rode paard en daarmee onder de macht van het beest uit de zee. Zij vallen uit de hemel, het ‘land’ waarin ze (geestelijk) geboren zijn en komen in ‘ballingschap’: ze komen – geestelijk gezien – terecht in Babel. Babel is een typering voor een bepaalde manier van denken en leven. Het grote Babylon is hiermee in de geestelijke wereld het tegenbeeld van het nieuwe Jeruzalem. Net zoals de hoer de tegenhanger is van de vrouw en dolik (onkruid) het tegenbeeld is van tarwe (goede zaad). In de tarwe, de vrouw en het nieuwe Jeruzalem, werkt Jezus Christus.