
Mattheüs 5:6 en 7
6: ‘Gezegend zijn zij die honger en dorst hebben naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden’.
In de vierde zaligspreking wordt gesproken over hen die honger en dorst hebben naar de gerechtigheid. Deze burgers van het komende rijk van God worden in andere vertalingen ook wel zalig genoemd. Het woord ‘makarios’ (zalig) wordt in het klassieke Grieks gereserveerd voor de goden die de onsterfelijkheid bezaten. Ook gebruikte men dit woord om aards geluk aan te duiden, bijvoorbeeld wanneer een vrouw een goede echtgenoot of gezonde, leuke kinderen had. Het ging dus om een toestand van harmonie en vrede.
Het valt op dat deze tekst in zijn geheel moet worden vergeestelijkt, want de honger wordt gestild en de dorst wordt gelest bij het deelnemen van de feestmaaltijd in het Koninkrijk van God. Een mens is in de natuurlijke wereld hongerig en dorstig als hij een tekort heeft om te leven. Dan vraagt zijn lichaam om eten en drinken. Zo is het ook in de geestelijke wereld, als iemand hongerig en dorstig is naar de innerlijke mens. Dan kan het lichaam wel verzadigd zijn, maar de onzienlijke mens verlangt naar iets dat zijn geestelijk leven intact kan houden en waardoor het zich verder kan ontwikkelen. Bij het verlangen om het geestelijk tekort aan te vullen wordt het geweten vaak afgestompt om maar niet te spreken: ‘met een brandijzer dichtgeschroeid.’ Men weegt dan zijn geld af voor wat geen brood is en zijn vermogen voor wat niet verzadigen kan (Jes.55:2).
Zoek eerst Zijn Koninkrijk

De opnieuw geboren christen, wiens geweten goed functioneert, richt zich allereerst op de geestelijke wereld, zoals de Heer later in de Bergrede zegt: ‘Zoek eerst zijn Koninkrijk en zijn gerechtigheid’. De psalmist zei al: ‘Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God, wanneer zal ik komen en voor God verschijnen?’ (Ps.42:3). Hij had dorst naar God zoals een hert snakt naar water. Hij wist ook dat in God het antwoord was verborgen dat zijn verlangen zou stillen: ‘Verzadigd met uw goddelijk beeld’ (Ps.17:8 berijmd).
Iedere gelovige weet ook dat hij alleen in gerechtigheid, dus als een rechtvaardige, voor God kan staan. Hij verlangt dus naar gerechtigheid om zich in de hemelse gewesten te kunnen bewegen zonder besef van kwaad (Hebr.10:22). Zo wilden de gelovigen in het oude verbond ook rechtvaardig leven, om aan het doel van de goddelijke wet te beantwoorden. God had Abraham lief en daarom was het verlangen van Abraham dat zijn nageslacht de weg van de Heer zou bewaren om recht en gerechtigheid te doen (Gen.18:19). Abraham is hierdoor de vader van alle gelovigen, want zijn zegen, de gerechtigheid, is tot de heidenen gekomen in Jezus Christus (Gal.3:14). Daarom zal ieder die zich bekeert, hongeren en dorsten naar het goede, het wetmatige, het harmonische en naar een zuivere liefdevolle levenssfeer, naar het Koninkrijk van God met zijn vrede, blijdschap en gerechtigheid. In gerechtigheid leven betekent dus in de juiste verhouding tot God komen en deel hebben aan de sfeer van het Koninkrijk van God.
Wetten en inzettingen

Er waren in Jezus’ dagen ook mensen die dit verlangen in zich hadden. Sommigen voelden zich misschien als de verloren zoon met heimwee naar de vader, of als een balling die zijn vaderland zoekt, of als een schipbreukeling die uitziet naar de kust. Jezus, staande op de grenzen van het oude en het nieuwe verbond, zei tegen hen dat zij verzadigd zouden worden. Ook in het oude verbond hadden velen gezocht naar de gerechtigheid, dat is leven naar de wil en de gedachten van God. Het Farizeïsme echter probeerde hieraan te voldoen door het pijnlijk nakomen van de wet en massa’s inzettingen. Denk maar aan de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar, die naar de tempel gingen om te bidden.
De Farizeeër en de tollenaar

De Farizeeër, die niet erkende dat ook hij in de greep van de duisternis kon komen en deze ook niet zo ervoer omdat hij een fatsoenlijke zondaar was (een bekend begrip!), bad: ‘O God, ik dank U, dat ik niet zó ben als de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als deze tollenaar; ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van al mijn inkomsten’ (Luc.18:9-14). Het nieuwe verbond zou echter veel meer redding geven dan het oude, want dit oude verbond was niet toereikend, het had geen eten en drinken gebracht om een eeuwig leven te ontvangen en in stand te houden. Nu ging dit veranderen. Had Zacharias niet geprofeteerd van alles wat God zou geven, om de mogelijkheid te creëren om de Heer te dienen in heiligheid en gerechtigheid al de dagen van zijn leven (Luc.1:75)? Zoals God zijn volk Israël in de woestijn verzadigde met manna, dat is brood uit de hemel en water uit de rots, dat is de Geest uit Christus, zo zal Hij nu zijn volk verzadigen met gerechtigheid door Woord en Geest (1 Cor.10:4).
De godsspraak van Zacharias beloofde daarom verlossing van zondeschuld én de vijand, dus van de ongerechtigheid. De profetie beloofde redding of heling en het tonen van barmhartigheid door de Allerhoogste aan de mens. Door de vervulling met Gods Geest mogen wij weten dat Jesaja’s woorden vervuld worden: ‘Zij zullen honger noch dorst hebben, woestijngloed noch zonnesteek zal hen treffen, want hun Ontfermer zal hen leiden en hen voeren aan waterbronnen’ (Jes.49:10). Zo zien we tenslotte in het einde deze belofte van verzadiging vervuld aan de grote menigte voor de troon van God en van het Lam. Deze verzadigden belijden in koor: ‘De redding is van onze God, die op de troon zit en van het Lam’ (Op.7:10).
7: ‘Gezegend zijn de barmhartigen, want aan hen zal barmhartigheid bewezen worden’.
De vijfde zaligspreking is de eerste die de onderlinge verhouding tussen de mensen regelt. In plaats van hardheid verlangt de Heer barmhartigheid, in plaats van egoïsme wil Hij onbaatzuchtigheid en liefde. De mens is verantwoordelijk voor de medemens en in het bijzonder de sterke voor de zwakke. Hij is de hoeder van zijn broer. Barmhartigheid is een bij uitstek goddelijke eigenschap. Ze is onlosmakelijk verbonden met zijn wezen.
Goedertierenheid – ‘Chèsed’

Wanneer God aan Mozes voorbijgaat, wordt uitgeroepen dat God barmhartig, genadig, geduldig en groot van goedertierenheid en trouw is (Ex.34:6). Barmhartigheid is ook bij uitstek een kenmerk waaraan God zijn volk herkent en waardoor het ook in de wereld openbaar wordt. Het is veel meer dan het geven van aalmoezen!
Het woord ‘barmhartig’ staat in verband met ‘erbarmen’ en ‘ontfermen’ en het wijst, naar zijn oorsprong, op medelijden hebben. Ook de natuurlijke mens kan nog iets van deze houding van God bezitten en daarmee bedoelen we niet de nieuwste Gutmensch die zich goed voor wil doen door vooral te moraliseren op andermans kosten. Maar de oprecht, goedwillende mens handelt ten opzichte van zijn medemens en de schepping met ontferming. Ook God heeft immers de mens en de aarde niet verstoten, maar Zich over beide ontfermd door het creëren van het herstelplan. Zo vinden wij deze barmhartigheid terug in de Egyptische vroedvrouwen Sifra en Pua, die tegen het gebod van de Farao om de pasgeboren jongetjes van de Israëlieten te doden ingingen en daarmee lieten ze zien barmhartig te zijn. Denk ook aan de Ethiopiër Ebed-Melech, die Jeremia met grote voorzichtigheid uit de kuil naar boven haalde. Ook de barmhartige Samaritaan was een levend voorbeeld tot navolging voor iedere christen en niet-christen.
In de Talmoed staat: ‘Wie zich over de mensen erbarmt, over hen erbarmt zich de hemel’. Hier geldt echter ook, dat de onwetende erbuiten valt, dus de menigte die de wet niet kent, want die is vervloekt (Joh.7:49). Daarom leerden de rabbijnen: ‘Het is verboden een mens, die geen kennis van de Thora bezit, barmhartigheid te bewijzen’. In de zaligsprekingen horen echter zulke buitengesloten mensen er wel bij. Deze regel geldt voor iedereen. God zegt in Hosea 6:6 in verband met hen die alleen maar voor de buitenwereld de wet keurig naleven: ‘Want in liefde heb Ik behagen en niet in slachtoffer, in kennis van God en niet in brandoffers’.
Het levensboek

De namen van barmhartige, natuurlijke mensen zijn niet uitgewist uit het levensboek en in het eindoordeel roemt de barmhartigheid tegen het oordeel (Op.20:12,13).
Ook de beelddrager van God, onze Heer Jezus Christus, was vol barmhartigheid en vol ontferming tegenover allen die verdrukt, beschadigd, ziek en door de satan overweldigd waren. Zijn barmhartigheid richtte zich op het bij elkaar verzamelen van de verstrooide schapen van het huis van Israël en het herstellen en genezen van gebonden en zieke mensen. Zijn barmhartigheid werd het mooist geopenbaard, toen Hij Zichzelf als offer, vrijwillig overgaf om alle verlorenen te redden. Bij het gezegde: aan hen zal barmhartigheid bewezen worden, kunnen we afleiden dat een barmhartig mens niet verloren gaat. Wij lezen echter ook dat een onbarmhartig oordeel zal gaan over hen, die niet barmhartig zijn (Jac.2:13).
Het moet voor een geestelijk mens, die kennis heeft van de onzienlijke wereld, niet moeilijk zijn om barmhartig te zijn, want hij rekent het kwade niet toe aan de mens. Hij heeft dus geen neiging om hen, die door demonen bespeeld en gebruikt worden, hard te behandelen. De liefde tot de naaste en de liefde tot God horen bij elkaar: ‘U zult de Heer uw God liefhebben … en uw naaste als uzelf’. Gods barmhartigheid bereikt de mens. Barmhartigheid is zo essentieel in het leven van een opnieuw geboren christen, dat hij nooit onbarmhartig, hardvochtig of liefdeloos mag zijn, want dit zou de reden zijn om uiteindelijk toch veroordeeld te worden. Zij die barmhartig zijn, zullen in het oordeel met mildheid worden behandeld, omdat de Heer zijn eigen gezindheid in hen terugvindt. In het oordeel van de Mensenzoon is alles wat aan een van zijn minste broers is gedaan, aan de Heer zelf gedaan (Matth.25:40).
De gelijkenis van de slaaf, aan wie een grote schuld was kwijtgescholden maar die een medeslaaf om een kleine schuld gevangen zette, leert ons dat wij barmhartigheid niet alleen voor onszelf moeten accepteren, maar haar ook aan anderen moeten bewijzen. Van deze onbaatzuchtige liefde zegt Jezus in Lucas 6:36 in de Bergrede: ‘Wees barmhartig, zoals uw Vader barmhartig is’. Tegen de onbarmhartige Farizeeën zegt Hij: ‘Ga heen en leer wat het betekent: Barmhartigheid wil Ik en geen offer’.
Zonder werken van barmhartigheid is het geloof dood. Jezus was ook niet barmhartig tegenover de Farizeeën: Huichelaars en addergebroed noemde Hij hen:
- ‘Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u eet de huizen van de weduwen op en voor de schijn bidt u lang; daarom zult u een des te zwaarder oordeel ontvangen. Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u reist zee en land af om één proseliet te maken en als hij het geworden is, maakt u hem een kind van de hel, dubbel zo erg als u…’ (Matth.23:14,15, enz.).