
Natuurlijk hebben de gelijkenissen, die Jezus op de Olijfberg uitsprak, ook nu nog hun betekenis voor de zich christelijk noemende kerken. Juist in de eindtijd, waarover het hier gaat, zullen wij de ware bedoeling van deze gelijkenissen beter verstaan. Babylon bestaat en deze ‘grote stad’ is wereldwijd vertakt. Iedere christen wordt er regelmatig mee geconfronteerd, maar wie spreekt erover? Er is een ware gemeente, wier leden ‘aangenomen worden’ en opgroeien tot zonen van God (Matth.24:40). Er zijn wijze, maar ook dwaze christenen. Jezus zelf sprak over het verschijnsel dat in de laatste dagen er mensen zullen zijn die voortijdig willen deserteren. Zij roepen steeds en maar al te graag ‘Jezus komt spoedig!’.
Voortijdig deserteren – de aardse weg

De verstandigen gaan echter langs ‘de hoge weg’ hun Heer tegemoet, terwijl de dwazen de aardse route kiezen. De gelijkenis van de talenten bepaalt ons bij de christenen, die in de tijd van de late regen allen geloven in de doop met Gods Geest en de geestelijke gaven accepteren. Het is niet voldoende om uit te roepen dat men de Bijbel van kaft tot kaft gelooft (zelfs de kaft!), want dit kan één van de vele kreten zijn, waarmee men juist de onzienlijke wereld van het Koninkrijk van de hemelen buitensluit. De Heer rekent ook af met die naamchristenen die de Bijbelse waarheid over het ontvangen van Gods Geest onderschrijven en aanvaarden, maar die toch niet werken met de gaven van deze Geest, omdat zij zich slechts bezighouden met de dingen van de aarde.
‘Nu kwam ook degene die één talent ontvangen had naar hem toe, hij zei: ‘Heer, ik wist van u dat u streng bent, dat u maait waar u niet hebt gezaaid en oogst waar u niet hebt geplant en uit angst besloot ik uw talent te begraven; alstublieft, hier hebt u het terug’ Matth.25:24-26.

De slechte slaaf ontving slechts één talent, want meer kon zijn heer hem niet toevertrouwen. Hij geeft immers iedereen naar vermogen. Deze knecht heeft de minste visie en van hem wordt ook de kleinste inspanning gevraagd. Iemand die een miljardenbedrijf moet leiden zou een ruimere blik moeten hebben en meer geestelijke energie moeten opbrengen dan de baas van een kleine patatzaak.
Veel lawaai maken en imponeren
De slaaf met het ene talent krijgt dus niet veel, maar hij zal er toch mee aan het werk moeten gaan. Hier zien wij de tragiek van vrijwel alle kerken en hun bewoners. Zij hebben slechts één talent. Zij noemen zich daarom ‘eenvoudige christenen’ en zij distantiëren zich van allen die meer talenten ontvangen hebben en daarnaar werken. De ontrouwe slaaf is wel een christen, maar hij gelooft niet in de waarde van zijn bezit en in de mogelijkheden die het hem biedt. Hij wordt bang en begraaft zijn talent in de grond. Hij gebruikt het niet om – in dienst van de gemeente van Jezus Christus – de waarde ervan te vermenigvuldigen. Hij is als een vrek, die zijn rijkdom verstopt en alleen blij is om het maar te hebben. Misschien produceert hij veel muzikaal lawaai en zweept hij zich op tijdens de herrie op allerlei feestdagen, maar geestelijke gaven worden niet in hem gevonden. Hij vloert wel mensen op de grond of zwaait met vlaggen als een circusartiest. Hij is hysterisch en schreeuwt op het podium, maar heeft niet de rust en de vrede van het Koninkrijk van God.
Veel één talent bezitters zijn lid van uitstervende, charismatische gemeenten. Zij bepalen vaak het peil van deze instituten. Zij dragen de naam christen, maar hebben geen inzicht in het gebruik van de geestelijke gaven. Zij zien het nut er zelfs niet van in en zijn dus heel anders ingesteld als de apostel Paulus, die over de verschillende gaven schreef. De ontrouwe slaaf gebruikt de doop met Gods Geest niet om zich in de hemelse gewesten te kunnen bewegen, daar te groeien en te werken, maar hij verstopt deze schat in de grond. Hij verborg hem in een zweetdoek (Luc.19:20). Paulus gebruikte zijn zweetdoek om het zweet – van het werken voor zijn dagelijks onderhoud – van zijn lichaam te verwijderen (Hand.19:12). De geestelijk luie slaaf gebruikte zijn zweetdoek om de geestelijke gaven, die hij ontvangen had, te camoufleren en te verbergen, maar niet tijdens het werk, want echt geestelijk werken deed hij niet!
Religieuze acties en imponerende inspanningen

In de zichtbare wereld zijn deze leden binnen hun kerkverband vaak erg actief. Zij organiseren samenkomsten, zijn bij elke landelijke activiteit aanwezig, stapelen imposante bouwwerken. Toch wordt de slaaf lui genoemd. Niet vanwege zijn fanatieke prestaties op aarde, maar vanwege zijn onverschilligheid ten opzichte van de onzienlijke wereld. Zo werd aan de gemeente te Efeze geschreven:
- ‘Ik weet wat u doet, hoe u zich inzet en standhoudt en dat u boosdoeners niet verdraagt. Zo hebt u mensen die beweren dat ze apostelen zijn, op de proef gesteld en als leugenaars ontmaskerd. U bent standvastig en hebt veel verdragen vanwege Mijn mijn naam, zonder te verslappen. Maar dit heb ik tegen u: u hebt de liefde van eerdere tijden opgegeven. Bedenk van welke hoogte u gevallen bent. Breek met het leven dat u nu leidt en doe weer als vroeger. Anders kom ik naar u toe en neem ik, als u geen berouw toont, uw lampenstandaard van zijn plaats’ (Op.2:2-5).
In de gemeente in Efeze dacht men nog vaak aan het machtige verleden, toen de apostel Paulus daar werkte. In die beginperiode werden – door de handen van Paulus – zieken genezen en demonen uitgedreven. Zij stond op grote hoogte wat betreft kennis en wijsheid, maar dit alles was verleden tijd. Men kreeg andere inzichten en koos een andere weg. Ze bleven wel zeer orthodox en fundamentalistisch. Zij bemoeiden zich graag met wat anderen deden, terwijl in eigen leven het geestelijke leven niet tot ontplooiing kwam. God zal ook hen ter verantwoording roepen en vragen: ‘Wat hebben jullie met Gods Geest gedaan? Op welk niveau hebben jullie je bewogen, op dat van de hemel of dat van de aarde?’
De ontrouw van kerken en groepen begint waar zij uit de hemelse gewesten neerdaalt op de aarde: ‘Bedenk dan van welke hoogte u gevallen bent’ (Op.8:10,11). Er is geen kennis van de onzienlijke wereld, het Koninkrijk van de hemelen dat Jezus ons door zijn boodschap openbaarde. Men is onbekend met leven en strijden in de hemelse gewesten. Daarom zijn er nauwelijks genezingen, gebondenen worden er niet bevrijd, profetieën worden nauwelijks meer gehoord, men spreekt niet meer in andere talen. Geen wonder dat deze afvallige kerken elkaar gewoon accepteren en samen gaan.
De luie slaaf is bang. Hij wil graag door de mensen aanvaard worden en daarom moet hij wel héél veel water bij de wijn doen. Hij is bang mensen in de samenkomsten te verliezen, wanneer het geestelijk niveau te hoog wordt. Zijn clubje zal schade lijden als er geen plaats is voor mensen die zijn ‘evangelie’ verwerpen, tegenstaan en zelfs haten. De luie slaaf ziet niet dat juist het eeuwig evangelie een grote zegen is voor mensen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Gemeenten, die dit eeuwig evangelie brengen, staan nergens vermeld, ook niet in de ellenlange Godsdienstlijstjes van Wikipedia, maar zijn wel bekend in het Koninkrijk van God met zijn blijdschap, vrede en gerechtigheid.
‘Zijn heer antwoordde hem: ‘Je bent een slechte, laffe dienaar. Je wist dus dat ik maai waar ik niet heb gezaaid en oogst waar ik niet heb geplant? Had mijn geld dan bij de bank in bewaring gegeven, dan zou ik bij terugkomst mijn kapitaal met rente hebben terugontvangen’ 26,27.
De talenten, die de Heer aan zijn knechten geeft, blijven zijn eigendom. De schatten die zij in de hemel verzamelen, komen Hem toe. De genadegaven komen niet in een dood vat, maar in een levend mens, die ermee werken moet voor zijn Heer. Zonder de charismatische gaven kan de mens weinig of niets doen in de onzienlijke wereld, maar zonder zijn medewerking blijven de gaven ongebruikt. De gaven van God en de medewerking van de mens zorgen samen voor de groei van het Koninkrijk van God. Wijzelf zijn verantwoordelijk voor de teruggang en de verwaarlozing óf de verbreiding en ontwikkeling van dit Koninkrijk. De doop met Gods Geest is het grondkapitaal voor de opnieuw geboren christen. Daardoor rust er een grotere verantwoordelijkheid op hem dan op allen die deze doop missen of zelfs weigeren.
De verzegeling met Gods Geest is een stempel en onderpand van onze erfenis in de hemelen (Ef.1:14). Met dit onderpand moet gewerkt worden. Op die manier ontvangen we alles wat we nodig hebben. Men ontvangt niet de gave van wijsheid en kennis, van profeteren, de kracht om te dienen of de gave van onderwijzen door handoplegging, maar door het streven naar die gaven. Paulus schreef aan de jonge Timotheüs: ‘Veronachtzaam de genade die je gegeven is niet; je dankt haar aan de profetische woorden die de raad van oudsten over jou, onder handoplegging, heeft uitgesproken. Richt je hierop, maak het je eigen, zodat voor iedereen duidelijk wordt dat je vorderingen maakt’ (1 Tim.4:14,15). Als Timotheüs zijn werk trouw deed en er volkomen in opging, zou deze gave zich hoe langer hoe meer in hem ontplooien. De luie slaaf echter negeerde de hem toevertrouwde gave, omdat hij er niet mee handelde.
Gods gaven gebruiken
Iedere met Gods Geest gedoopte christen kan alleen dán nuttig zijn voor de Heer en het opgedragen werk goed doen, als hij gebruik maakt van de geestelijke gave, die hem door God in genade gegeven is. Degene die spitten moet, ontvangt van zijn baas een spa; die wieden moet, krijgt inzicht om het onkruid van de goede planten te onderscheiden; die begieten moet, heeft een overvloed van water nodig en krijgt de beschikking over de gieter of de slang om de tuin te besproeien. Op deze manier groeit het gewas van de gerechtigheid wel verzorgd op tot zijn volle volwassenheid. Om een ander beeld te gebruiken: ‘Vanuit dat hoofd krijgt het lichaam samenhang en wordt het ondersteund en bij elkaar gehouden door alle gewrichtsbanden. Ieder deel draagt naar vermogen bij tot de groei van het lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de liefde’ (Ef.4:16).
Tijdens zijn leven op aarde beperkte Jezus zijn ‘zaaien’ binnen de begrenzing van het Joodse land. Nu eist Hij echter dat zijn knechten de hele wereld met het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen bekend maken. Zij moeten spreken zoals Hij sprak en de werken doen, die Hij gedaan heeft en daarvoor krijgen zij ook Gods Geest en toerusting, die Hij ontving, toen de hemelen scheurden en Gods Geest als een duif op Hem neerdaalde. Zoals Jezus onder het volk Israël vrucht oogstte van wat Hijzelf gezaaid had (twaalf leerlingen, honderdtwintig in de opperkamer, vijfhonderd broers die bij zijn verschijning tegenwoordig waren), zo zoekt Hij nu vrucht over de hele aarde waar Hijzelf niet gezaaid heeft, maar zijn medewerkers. In Lucas 19:22 zegt de heer:
‘Uit uw eigen mond zal ik u oordelen, slechte slaaf. U wist dat ik een streng mens ben’.
De Heer wijkt niet van zijn principes af. Hij wil vruchten zien en oogsten en wel op dezelfde manier als Hij ons in de evangeliën het voorbeeld gaf. Wij zullen in alles Hem moeten volgen en er geen eigen methode op na gaan houden. Gods scheppings- en herscheppingswerk wordt door Jezus voltooid. Zijn knechten worden uitgezonden in de hele wereld, op wat voor manier dan ook. Werken met de gaven die hen is toevertrouwd. Zij worden verdrukt en rechtstreeks of indirect door de demonen aangevallen. Zij zullen vaak door allen gehaat worden, maar de opdracht blijft. De opdracht is zwaar en moeilijk, maar ondanks deze tegenstand blijft Hij eisen en wijkt niet af van de gegeven opdracht: ‘Handel, totdat Ik terugkom!’
De luie slaaf beschuldigt zijn Heer van hardheid en strengheid. Hij vindt Hem liefdeloos. Hij wil wel voor zijn Heer werken, maar niet met de charismatische gave, want ‘andere’ christenen doen dit ook niet! Daar zit het knelpunt. In wezen heeft de ontrouwe slaaf dezelfde houding als de ‘andere’ burgers van het land en daarom gebruikt hij ook liever hun methode en niet de gave die zijn Heer hem gegeven had. Het is daarom vreemd dat de ontrouwe kerkgangers spreken over liefdeloosheid van hen, die wél het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen brengen en die alleen dit éne evangelie erkennen.
Aantasting van het fundament

Het geassimileerde kerkvolk roept veel en luid om opwekkingspredikers en om mannen van God, die hen uit de verwarring en impasse moeten leiden, maar tegelijkertijd weigeren zij zich te bekeren en zelf te werken met de gave van Gods Geest (het enige gehele (!) Bijbelse fundament is bijna nergens gelegd, maar juist aangetast). Zij sluiten zich af voor iedere verdere ontwikkeling en openbaring van het Koninkrijk van de hemelen. Zij hebben een diepe afkeer van de methode van Jezus Christus en van de woorden: ‘Trek de hele wereld door en maak aan alle schepsels het goede nieuws bekend. Wie gelooft en zich laat dopen, zal gered worden, maar wie weigert te geloven, zal veroordeeld worden. God zal hen die geloven, met de volgende tekens bijstaan: zij zullen in mijn Naam demonen uitdrijven en nieuwe talen spreken; slangen zullen ze oppakken, zelfs vergif drinken zonder er nadeel van te ondervinden; en als ze zieken de handen opleggen, zullen die weer gezond worden’ (Marcus 16:15-20). Zij beschuldigen de trouwe medewerkers van Jezus Christus en daarmee hun Heer van liefdeloosheid, omdat deze weigeren compromissen aan te gaan of concessies te doen met het grote Babylon.
Ook verwijt de Heer de luie slaaf dat hij zijn geld niet aan de bankiers gegeven heeft. Dat zijn mensen die (heel lang geleden) met het geld van anderen werken en dit levert dan tenminste nog rente op. Veel kerkmensen hebben de moed niet om tegen de heersende stroom op te roeien. Daarom blijven zij in de kerk, waar zij als kind geboren en als baby besprenkeld werden met een paar druppeltjes. Hun belijdenisgeschriften, dogma’s en dwalingen remmen de openbaring van de charismatische gaven af.
Het einde van de luie slaaf is ellendig. Uiteindelijk wordt van hem gezegd:
‘Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, ik ken u niet. Neem hem dan het talent af en geeft het aan hem, die de tien talenten heeft. Want aan ieder, die heeft, zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben. Maar wie niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem ontnomen worden. En werpt de nutteloze slaaf uit in de buitenste duisternis. Daar zal het gehuil zijn en het tandengeknars’ 28-30.
Jezus vertelde deze gelijkenissen als waarschuwing, ook voor ons. Wij leven in de periode van de verzegeling met Gods Geest, waarin soms nog mensen gedoopt worden met Gods Geest (Op.7:1-4). De winden aan de vier hoeken van de aarde worden nog vastgehouden. De ijzeren wet van het Koninkrijk van de hemelen is duidelijk: de bezitters worden nog rijker en de niet-bezitters steeds armer.
Tegen hen, die de weg van Gods Geest niet gaan en niet streven naar de talenten en gaven van Gods Geest, wordt gezegd: ‘Breng hen hier en slacht ze voor mijn ogen’. Dit klinkt niet alleen streng, maar het is dramatisch. Zij worden overweldigd en verscheurd door de apocalyptische gedrochten, die uit de afgrond worden opgeroepen. Het leven dat zij nog bezitten, raken zij volkomen kwijt. De luie slaaf komt ook in deze buitenste duisternis terecht, die voor de duivel en zijn engelen bereid is. Duisternis is het klimaat, waaraan de demonen gebonden zijn. Zij overweldigen de mens, die in dit klimaat wil leven. Wie echter met Gods Geest verbonden is, maakt kennis met het klimaat van het Koninkrijk van God: gerechtigheid, vrede en blijdschap.
Trek uit Babylon!

In de eindtijd blijven alleen de geestelijk sterken leven, dat zijn zij die geen enkel compromis aangaan, maar alleen de weg van Jezus gaan. Iedere aarzeling is fataal. Zo geeft God het trouweloze Babylon prijs met allen die zich aan haar gebonden hebben. Van deze stad wordt gezegd: ‘Zij is geworden een woonplaats van duivelen, een schuilplaats van alle onreine geesten en een schuilplaats van alle onrein en verfoeid gevogelte’. Daarom klink het:
- ‘Ga uit van haar, mijn volk, zodat u geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen’ (Op.18:1-5).
De laatste dagen vragen om een speciale toerusting om stand te kunnen houden. Veel kerkgangers menen dat zij uit Babylon trokken, toen zij hun lidmaatschap van hun kerk opzegden. Zij vergissen zich, want Babylon is een kolossale, geestelijke wereldstad met héél veel buitenwijken. Wie niet totaal vernieuwd wordt van denken en leert te leven en strijden in de hemelse gewesten door de kracht van Gods Geest, gaat met deze stad onder. Voor hen die de hoge weg gaan geldt:
‘Geen leeuw of roofdier zal daar komen, geen enkel wild dier dwaalt er rond, ze blijven er allemaal weg, alleen zij die verlost zijn zullen daar gaan. Wie door de Heer bevrijd zijn, keren terug. Jubelend komen zij naar Sion, gekroond met eeuwige blijdschap. Gejuich en blijdschap trekken de stad binnen, gejammer en verdriet vluchten eruit weg’ (Jesaja 35:9,10).