
‘Aan de een gaf hij vijf talent, aan een ander twee en aan nog een ander één, ieder naar wat hij aankon. Toen vertrok hij naar het buitenland’ Matth.25:15.
Wanneer iemand Gods Geest ontvangt, veroorzaakt dit in hem geen schokeffect. In Gods Koninkrijk gebeurt niets bij toverslag. Gods Geest moet Zich in de mens kunnen ontwikkelen en een mens moet leren zich in gehoorzaamheid te stellen onder Zijn leiding. Dit noemen we een ‘opgroeien in de genade’. De Bijbel zegt hierover:
- ‘En verlang vurig, als pasgeboren kinderen, naar de zuivere melk van het Woord, zodat u daardoor mag opgroeien, u hebt toch ondervonden hoe goed de Heer is? 1 Petr.2:2).
- ‘Vanuit Hem groeit het hele gebouw, steen voor steen, uit tot een tempel die gewijd is aan Hem, de Heer, in wie ook u samen opgebouwd wordt tot een plaats waar God woont door zijn Geest’ (Ef.2:21,22).
Het is dwaas om tot iemand, die met Gods Geest gedoopt is, te zeggen dat in hem plotseling al de gaven functioneren, ‘als hij maar in het geloof uitstapt…’ Vergelijk het met een schoolkind, die niet direct alles kan wat hij nog moet leren tijdens zijn schooltijd. Wie gedoopt is met Gods Geest, moet gaan ‘streven naar de gaven van de Geest’ (1 Cor.14:1), dat wil zeggen deze tot ontwikkeling brengen.
De opdracht is: ‘Handel, totdat Ik terugkom’. Dit betekent: richt je op Gods Geest en geef Deze gelegenheid Zich in je te ontwikkelen met al zijn krachten en gaven. Gods Geest kan zijn gaven ontplooien in overeenstemming met de vermogens van de ontvanger, dus volgens diens eigen geestelijke gave, zijn karakter en natuur. De menselijke geest wordt immers door Gods Geest niet onder druk of op dood spoor gezet. Demonen houden geen rekening met de eigen geest van de mens. Zij dwingen hem dingen te doen, die hij niet wil of niet wenst en waarvan hij zelfs een afkeer heeft (Rom.7:15). Zij onderdrukken de menselijke geest, overweldigen hem en beschadigen hem daardoor.
Gods Geest echter verheft de menselijke geest. Hij sluit zich bij hem aan, wil ermee trouwen zoals er staat: ‘Wie zich aan de Heer hecht, is één geest met Hem’ (1 Cor.6:17). Het komt (te vaak nog) voor dat in een huwelijk de man heerst en zijn vrouw dwingt hem in alles te gehoorzamen. Hij is de baas en zij moet zich maar naar zijn inzichten schikken. Zo’n huwelijk is het beeld van het contact tussen de geest van een mens met een demon van satan. Paulus waarschuwt de man voor dit gedrag met de woorden: ‘Wees niet ruw tegen haar’ (Col.3:19). In 1 Petrus 3:7 volgt de vermaning: ‘Ook u mannen, leef verstandig met uw vrouwen, als met kwetsbaar vaatwerk en bewijs haar eer’. Wie in het natuurlijke leven deze dingen niet kent, begrijpt van de verhouding tussen de Geest van God en de menselijke geest ook niets. Jezus zou in dit verband zeggen: ‘Als Ik u van het aardse gesproken heb zonder dat u gelooft, hoe zult u dan geloven, wanneer ik u van het hemelse spreek?’ (Joh.3:12).
In sommige kringen wordt gebeden: Heer, breek mij maar geheel… Zo’n tekst is door ‘vrome’ geesten geïnspireerd, die het op de vernedering van de mens gemunt hebben. Gods Geest vernieuwt de geest van de mens, neemt de beschadigingen weg en verheft de menselijke geest. De door demonen ingegeven spreuk: ‘Breek mij maar geheel’ moet beantwoord worden met de woorden: ‘Ga weg achter mij satan, want jij bent niet bedacht op de dingen van God, maar op die van (vrome) mensen’. Men bidt immers dat God de mens naar geest, ziel en lichaam tot een puinhoop wil maken. Dit verzoek klinkt in onze oren als de bekende Hollandse vloek, die de mens in dezelfde richting laat ‘bidden’. God maakt echter geen wrakken, maar heeft zijn Zoon gestuurd om de ‘werken van de satan te verbreken’ en de mens te herstellen.

God wil door Zijn Geest in harmonie met onze geest leven en past zich dus aan bij onze geest en maakt deze zeker niet inactief. Maar hoe kan Hij de gave van kennis en wijsheid uitdelen, als de geest van de mens niet hunkert om meer van de onzienlijke wereld te weten en deze kennis met wijsheid toe te passen? Als er zelfs – zoals bij veel naamchristenen – geen verlangen is Zijn Woord geestelijk te leren kennen? Als men niet de behoefte heeft een ander lid van de gemeente te helpen, hoe kan Gods Geest dan de gave ontwikkelen om te dienen, want ook dit is een charismatische gave: ‘Wij hebben nu gaven, onderscheiden naar de genade, die ons gegeven is:… wie dient, in het dienen’. Jezus had deze gave in bijzondere mate, want Hij zei van zichzelf: ‘Maar Ik ben in uw midden als dienaar’ (Luc.22:27). Zo is er ook een bijzondere wijsheid en genade nodig om een gemeentelid te vermanen, het charisma: ‘Wie vermaant, in het vermanen’ (Rom.12:6-8).
‘Meteen ging de man die vijf talent ontvangen had op weg om er handel mee te drijven, en zo verdiende hij er vijf talent bij. Op dezelfde manier verdiende de man die er twee had gekregen er twee bij. Degene die één talent ontvangen had, besloot het geld van zijn heer te verstoppen: hij begroef het …
Na lange tijd keerde de heer van die dienaars terug en liet hen verantwoording afleggen. Degene die vijf talent ontvangen had, kwam naar hem toe en overhandigde hem nog vijf talent erbij met de woorden: “Heer, u hebt mij vijf talent in beheer gegeven, alstublieft, ik heb er vijf talent bij verdiend.” Zijn heer zei tegen hem: Voortreffelijk, je bent een goede en betrouwbare dienaar. Omdat je betrouwbaar bent gebleken in het beheer van een klein bedrag, zal ik je over veel meer aanstellen. Wees welkom bij het feestmaal van je heer …
Ook degene die twee talent ontvangen had, kwam naar hem toe en zei: “Heer, u hebt mij twee talent in beheer gegeven, alstublieft, ik heb er twee talent bij verdiend.” Zijn heer zei tegen hem: ‘Voortreffelijk, je bent een goede en betrouwbare dienaar. Omdat je betrouwbaar was in het beheer van een klein bedrag, zal ik je over veel meer aanstellen. Wees welkom bij het feestmaal van je heer’ 16-23.
De opdracht is: ‘Handel met de talenten totdat Ik terugkom’ (een talent was 6000 x een dagloon). Dit is de onverbiddelijke eis. Niets verliezen is nog geen winst maken! In de dagen van de zondvloed werd de vraag gesteld: wat heeft de mens met zijn geest gedaan? Het antwoord is dat hij zich misdragen had en enkel vlees geworden was. Wanneer de duisternis aanbreekt, waarin de demonen als een zondvloed van vuur over de aarde zullen stromen, wordt de vraag gesteld aan allen, die verlicht zijn geweest, van de hemelse gave genoten hebben en Gods Geest ontvangen hebben en het goede woord van God en de krachten van de toekomende eeuw geproefd hebben: wat hebt u met Gods Geest gedaan?

Op dat moment zullen de zonen van God geopenbaard worden, die gewerkt hebben met de hun toevertrouwde geestelijke gaven. Van het zaad dat in de goede aarde terecht kwam, geldt dan in die tijd: ‘Toen dat opgekomen was, bracht het honderdvoudige vrucht voort’ (Luc.8:8). Veel kerkmensen zullen dan echter moeten erkennen, dat zij het hun toevertrouwde talent in de grond verstopt hadden. Zij blusten Gods Geest uit (1 Thess.5:19)!
Wanneer een kind geboren wordt, heeft het een geest dat in het geheel nog niet opvalt. Hoe geheel anders is het, wanneer het een man of vrouw geworden is, die rijk is aan talenten en die schittert in de culturele of technische wereld. Wanneer een kind van God met Gods Geest gedoopt wordt, lijkt dit niet zoveel. Hij is nog lang niet gelijk aan het beeld van Jezus Christus. Bij de doop met Gods Geest ontvangt de mens echter het zaad, waaruit de man of vrouw van God die tot alle goede werken toegerust is, zich ontwikkelt. Paulus schreef hierover:
- ‘In Hem hebt ook u de boodschap van de waarheid gehoord, het evangelie van uw redding, in Hem bent u, door uw geloof, gemerkt met het stempel van Gods Geest die ons beloofd is als voorschot op onze erfenis, zodat allen die Hij zich heeft verworven verlost zullen worden, tot eer van Gods grootheid’ (Ef.1:13,14).
De erfenis is de volledige redding, de totaliteit van wat God geven wil, namelijk de heerlijkheid en het zitten op Zijn troon. Zoals de christen gelooft in de schuldvergeving, zo zal hij ook moeten vertrouwen dat hij Gods Geest door het geloof ontvangen heeft. Vanuit dit geloof dat de Schepper van hemel en aarde door Zijn Geest in hem woont, kan hij spreken en handelen zoals Jezus dit deed. Deze zekerheid doet hem in iedere situatie van het leven overwinnen, omdat Hij die in hem woont, groter, sterker, wijzer en rijker is dan die tegen hem is.
De geestelijke gaven ontplooien zich in de trouwe knechten, maar zij verrijken er ook anderen mee. Zo vermenigvuldigen zij zich. Zij worden immers gebruikt in het midden van de gemeente. De kennis en wijsheid, die gegeven zijn, delen zij uit en hierdoor ontvangen ook de anderen inzicht in de hemelse gewesten. De gaven van genezingen vermenigvuldigen zich in allen die herstellen. De oudsten handelen door gebed t.o.v. de zwakken en zieken. De gave van de profetie neemt toe naarmate er geloofszekerheid is dat de Heer in de harten woont en dat men dan vol vertrouwen de gedachten van God mag uitspreken.
Kinderen van God streven naar de geestelijke gaven. Door middel van deze gaven kunnen zij de vijanden van God en van de mens verslaan. Zonder gebruik van deze geestelijke gaven komt de gemeente nooit tot de volheid en bereikt zij nooit haar doel. Wij zullen niet afwachten, Jezus wacht juist af totdat wij beginnen te gehoorzamen aan zijn opdracht. Van Hém wordt gezegd: ‘waar Hij wacht op het moment dat zijn vijanden voor Hem tot een bank voor zijn voeten zijn gemaakt’ (Hebr.10:13).
Het Koninkrijk van God breidt zich niet uit, als de slaven ontrouw worden aan de opdracht om te werken met de geestelijke gaven. Ook nu nog geldt de uitspraak: ‘Als Ik door de Geest van God (die in mijn volk woont) de duivelen uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God over u gekomen’ (Matth.12:28). De zonen van God vullen in hun vlees (zijnde) aan, wat ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus, ten behoeve van zijn lichaam (Col.1:24). Door het gebruik van de gaven van Gods Geest schenken zij herstel, genezing, bevrijding en handelen zij zo in de hele wereld, als onze Heer deed binnen de begrenzing van het Joodse land.
De Heer zei: ‘Verzamel voor jezelf geen schatten op aarde: mot en roest vreten ze weg en dieven breken in om ze te stelen. Verzamel schatten in de hemel, daar vreten mot, noch roest ze weg, daar breken geen dieven in om ze te stelen’ (Matth.6:19,20). Is het overdreven wanneer wij constateren dat onze Heer eist dat zijn volk dezelfde verlossingsmethode moet gebruiken als Hij? Zijn wij extreem als wij aan Zijn opdracht willen voldoen en daarbij gebruik maken van de gaven, die Hij ons gegeven heeft?

Het doorgeven van het eeuwige evangelie is heerlijk, omdat zij aansluit bij het leven en het werk van Jezus Christus. Daarom zijn waarachtige christenen blijde mensen. Zij zijn feestgangers. Voor hen gaat het feest door als zij de feestzaal binnenkomen, wanneer zij ingaan tot de blijdschap van hun Heer. Niemand komt daar zonder feestkleren. Het Koninkrijk van God is in hen, dat wil zeggen blijdschap en vrede en de gerechtigheid omhult hen als een mantel van fijn wit linnen. Een van de hoogtepunten van dit feest is, wanneer vervuld wordt: ‘En ik zag tronen en zij zetten zich daarop en het oordeel werd hun gegeven’ (Op.20:4). Zij zijn het koninklijk priestergeslacht dat God stelt over al de werken van zijn handen.