11. De Mensenzoon omstraald door luister

<<<<<

De voorgaande gedeelten van Jezus’ toespraak op de Olijfberg eindigden alle in een scheiding tussen goede en kwade christenen:

Onkruid in de akker

Allereerst beschreef de Heer de ondergang van de kerk van het oude verbond én het uittrekken van het gééstelijk Israël uit Jeruzalem. Dit oordeel over het aards Jeruzalem én het ontkomen van het ‘overblijfsel’, waren een schaduw van de toekomende dingen. In de laatste dagen komt er een scheiding tussen een aardsgezind christendom en een geestelijk volk van God. De laatsten worden als zonen van God aangenomen en het grote Babylon wordt achtergelaten, dat wil zeggen een prooi worden van de demonen. In de zonen van God zal dan Gods Geest als nooit tevoren werken, want het hout van de vijgenboom zou zacht worden en het nieuwe leven zich openbaren. De valse kerk wordt van de ware gescheiden als het onkruid van de tarwe.

Valse leraars en Godslasteraars

Ten tweede sprak de Heer over het oordeel dat over zijn dienstknechten zou gaan. Zij, die aan hun volgelingen het juiste voedsel in de verschillende seizoenen (King James Version) zouden uitdelen, worden over al het bezit van hun Heer gesteld. De ontrouwe dienstknechten die hun Heer niet verwachtten en een ander evangelie brachten, zouden het lot van de huichelaars delen. Ook zij zouden door satans demonen gefolterd worden.

De vijf dwaze maagden

Ten derde zou zich een scheiding voltooien tussen allen die zeiden de terugkomst van de Heer te verwachten. Een bepaalde categorie van hen, trekt wel uit om de Bruidegom tegemoet te gaan, maar zij doet dit onder voorwaarden, omdat zij Gods Woord maar tot op bepaalde hoogte aanvaardt. De dwaze maagden houden niet tot het einde vol. Zij hebben slechts geloof voor een bepaalde tijd, hun olie is niet toereikend. Zij pakken de beloften, die speciaal voor de eindtijd gegeven zijn, niet vast. Zij hebben geen geloof in de doop met Gods Geest, in de geestelijke gaven, noch in de volle redding of de heerlijkheid. Daarom missen zij de vruchten van het geloof. Zieken worden niet genezen en duivelen worden niet uitgeworpen. Ze gaan niet de weg van de heiligmaking. Als ze die al gaan, bouwen ze op hun eigen kracht. Hun verwachtingen specialiseren zich o.a. op het natuurlijke volk Israël.

Zij interesseren zich voor de politiek in het Midden-Oosten, zoals anderen dit doen voor Zuidoost-Azië, Afrika of Zuid- en Midden Amerika. Zij leren dat de Heer deze nacht kan komen, daardoor hebben zij geen oog voor de volle verlossing en de heerlijkheid van een ontwaakte gemeente. De kloof tussen ware en schijnchristenen wordt steeds dieper! De wijze maagden verwachten de verlossing van het geestelijk Israël van God. Daarom streven zij naar de ontwikkeling van de geestelijke gaven in hen om de gemeente te dienen.

De talenten

Ten vierde sprak de Heer over de scheiding tussen hen die Gods Geest ontvangen hebben. De trouwe opnieuw geboren christenen werken met de hun toevertrouwde talenten, terwijl het ontrouwe deel de gave van Gods Geest in de grond verbergt. De dwaze naamchristenen kunnen in de eindtijd geen standhouden. Zij gaan niet in tot het feest van hun Heer.

Het laatste oordeel

Tenslotte eindigt Jezus zijn tweede ‘Bergrede’ met te wijzen op de finale scheiding, wanneer alles vervuld is wat gebeuren moet. Hij zegt over het eindoordeel:

  • ‘Omdat God heeft bepaald dat er een dag komt waarop hij een rechtvaardig oordeel over de mensheid zal laten vellen door een Man die hij voor dat doel heeft aangewezen. Het bewijs dat het om deze Man gaat, heeft hij geleverd door Hem uit de dood te doen opstaan’ (Hand.17:31).

Met voorbijgaan van de eerste opstanding en de interim periode van het duizendjarige rijk, benaderde de Heer de ‘dag’, waarin over de eeuwige toestand van ieder mens door middel van de gemeente en haar Hoofd beslist zal worden. Er wordt dan geoordeeld wie ingaat tot een toestand van eeuwig geluk en wie eeuwige rampzaligheid te wachten staat. De heiligen zullen dan de wereld oordelen naar de maatstaf van het evangelie van Jezus Christus (1 Cor.6:2). Jezus Christus komt terug in heerlijkheid:

  • ‘Wanneer de Mensenzoon komt, omstraald door luister en in gezelschap van alle engelen, zal hij plaatsnemen op zijn glorierijke troon’ (Matth.25:31).

Om dit laatste en moeilijke gedeelte van de Bergrede te begrijpen, zullen we eerst antwoord moeten geven op de vraag: wat betekent ‘omstraald door luister’? Deze luister is niet ‘abstract’ zoals veel Bijbeluitleggers het doen voorkomen. Zij vervangen in verklaringen het woord ‘luister’ alleen door wat synoniemen, zoals: heerlijkheid en majesteit. Ze spreken zelfs over de pracht van zijn koninklijk gewaad, terwijl God toch geest is. De bekleding van de Vader en de Zoon is de gemeente(!) want daarin wonen zij. De ‘luister’ van de Vader en van de Zoon is reëel en gebonden aan het lichaam van Christus, de gemeente (o.a. Spr.14:28).

Geheel vervuld met Gods Geest

Allereerst is sprake van de ‘luister’ die de Vader aan de Zoon gegeven heeft. Als nieuwe schepping ontving de Mensenzoon Gods Geest. Door deze Geest kon Hij de demonen weerstaan en overwinnen. Zijn luister was dat Hij daarom ‘in een vlees aan dat van de zonde gelijk, zonder te zondigen kon leven (Rom.8:3). Hij was één, zoals de Vader één is, dus geheel rein, volkomen heilig en afgezonderd van het kwaad. Door deze Geest was Hij ook in staat te redden, te genezen en te bevrijden.

Nadat de Heer als Lam van God de zonde van de wereld weggenomen had, werd Hij ‘door de rechterhand van God (Gods Geest) verhoogd’ (Hand.2:33). Toen ontving Hij ‘alle macht in hemel en op aarde’ (Matth.28:18). In Johannes 17:22 zegt de Heer van hen die in Hem geloven: ‘En de luister, die U Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, zodat zij één zijn, zoals Wij één zijn’. Door de kracht van Gods Geest, waarin zij gedoopt werden, zullen zij in staat zijn met een onverdeeld hart te leven. ‘Zij zullen de satan overwinnen’ (1 Joh.2:14). Door het ingaan in het Koninkrijk van de hemelen en door de kracht van Gods Geest zullen zij een plaats ontvangen in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, dus in zijn lichaam zijnde (Ef.2:6). Jezus had immers gebeden:

  • ‘Ik wil, dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om mijn heerlijkheid te zien’ (Joh.17:24).
  • Daar zien zij Jezus ‘met eer en luister gekroond’ (Hebr.2:9).
  • ‘Wij allen die met onbedekt gezicht de luister van de Heer zien, zullen meer en meer door de Geest van de Heer naar de luister van dat beeld worden veranderd’ (2 Cor.3:18).
  • Jezus is gekomen ‘om veel zonen tot luister te brengen’ (Hebr.2:10).

Hij is in alles ons voorbeeld, zodat wij in zijn voetsporen wandelen. Hij is ‘de eerstgeborene onder veel broers’ (Rom.8:29). Van vóór de grondvesting van de wereld had de Vader het zo besloten. Hij wil dat wij aan zijn Zoon gelijk zullen zijn, zoals er in 1 Johannes 2:2 staat: ‘Wij weten dat, als Hij geopenbaard zal zijn (in ons), wij aan Hem gelijk zullen zijn’. Ook de kinderen van God krijgen deel aan de goddelijke natuur (2 Petr.1:4). Deze luister, die Gods kinderen verwerven, is het grote geheim van God, dat ‘eeuwen en geslachten lang verborgen geweest is, maar nu is geopenbaard aan zijn heiligen’ (Col.1:26).

  • ‘Want in Hem is de goddelijke volheid lichamelijk aanwezig en omdat u één bent met hem, het hoofd van alle machten en krachten, bent ook u van die volheid vervuld,’ dat is in zijn Lichaam zijnde of in de gemeente (Col.2:9,10).

Het geheimenis geopenbaard

Paulus schreef:

  • ‘Wie Hij hiertoe heeft bestemd, heeft Hij ook geroepen; en wie Hij heeft geroepen, heeft Hij ook vrijgesproken; en wie Hij heeft vrijgesproken, heeft Hij nu al laten delen in zijn luister’ (Rom.8:30).

De luister van de kinderen van God wordt gerealiseerd door de volgende reddingsfeiten:

  • Zij zijn van schuld bevrijd en gerechtvaardigd,
  • zij worden van de demonen verlost, genezen en hersteld,
  • zij ontvangen de doop met Gods Geest,
  • hun denken wordt vernieuwd en hun wandel is in de hemel,
  • zij handelen en spreken door Gods Geest geleid,
  • zij groeien uit tot de volkomen volwassenheid: ‘De eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle volwassenheid gekomen volheid van Christus’ (Ef.4:13).
  • Zij ontwikkelen zich van kinderen tot zonen en van zonen tot vaders, die door Gods Geest de diepste gedachten van God leren kennen.
  • Zo zijn zij geschikt tot al de goede werken en werkelijke medewerkers van God.

Dit zich uitstrekken naar de volkomenheid om het plan van God met de mens te realiseren, leidt naar de luister. Hoe God dit alles in de laatste dagen zal realiseren is nog een verborgenheid. Wanneer in Openbaring 10:4 en 7 gesproken wordt over het geheim van de donderslagen, lezen wij:

  • ‘Op het moment dat de zevende engel zijn bazuin zal laten klinken, zal Gods geheim werkelijkheid worden, zoals Hij zijn dienaren, de profeten, heeft beloofd.’

Het plan van de Vader is dus een gemeente, die gelijkvormig is aan het beeld van Jezus Christus. Wanneer de in Christus ontslapenen opstaan uit de doden en de dan nog levenden in een ondeelbaar ogenblik veranderd worden, is dit proces van volmaking voor de gemeente van Jezus Christus voltooid. De tempel van God in de hemel is dan klaar. Deze is ook de heerlijkheid van de Vader, want zijn veelkleurige wijsheid wordt in haar geopenbaard:

  • ‘Want de Mensenzoon zal komen in de luister van de Vader, met zijn engelen en dan zal hij iedereen naar zijn daden belonen’ (Matth.16:27). 

God zei eenmaal (tot de engelen): ‘Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis’. De duivel wilde dit plan verhinderen. Al in het paradijs ontkende hij de bedoeling van God met de mens, toen hij zei: ‘Maar God weet, dat op de dag dat u daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden en u als God zult zijn’. Het is echter het verlangen van God om ons tot zijn niveau te verheffen, zodat zijn Geest met onze geest in volkomen harmonie voor eeuwig verbonden zal zijn. Wanneer er dus staat: ‘Wanneer de Mensenzoon komt in zijn luister’ wordt bedoeld, dat Hij komt met zijn gemeente. Door deze gaat God de wereld oordelen. Jezus komt met de wolken, beeld van zijn gemeente. Daarom is bij het laatste oordeel sprake van ‘een grote witte troon’ (Op.20:11). Deze is zo groot dat er plaats is voor de menigte, waarvan gesproken was:

  • ‘Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, zoals ook Ik heb overwonnen (strijdende op aarde tegen de boze machten in de hemelse gewesten) en zit nu met mijn Vader op zijn troon’ (Op.3:21).

Jezus is de Koning van de koningen en de Heer van de heren. Zijn troon is het centrum van macht in hemel en op aarde. Een koning alleen zonder volgelingen bezit geen heerlijkheid. Op deze manier wordt vervuld:

  • ‘En God zal Hem de troon van zijn vader David geven en Hij zal als koning over het huis van Jakob (nu het geestelijk Israël) heersen tot in eeuwigheid en zijn koningschap zal geen einde kennen’ (Lucas 1:33).

De troon van David is de troon van God. Er staat immers: ‘En Salomo zette zich op de troon van de Heer als koning in de plaats van zijn vader David’ (1 Kron.29:23). De heerlijkheid van Salomo was een schaduw van de heerlijkheid van Christus:

  • ‘Toen de koningin van Scheba al de wijsheid van Salomo zag en het huis dat hij gebouwd had, het voedsel van zijn tafel, het zitten van zijn dienaren, het staan van zijn bedienden en hun kleding, zijn dranken en zijn brandoffers die hij in het huis van de Heer bracht, toen was zij buiten zichzelf’ (1 Kon.10:4,5).

‘En al de engelen met Hem’

In Hebreeën 1:14 wordt gezegd dat de goede engelen allen dienende geesten zijn, uitgezonden om hen bij te staan die deel zullen krijgen aan de redding.’ De goede engelen vinden wij bij de kinderen van God. Waar die zijn, bevinden zich ook hun goede engelen. Het is daarom niet vreemd dat rondom de grote witte troon, waarop de gemeente van Jezus Christus zit, al haar dienaars aanwezig zijn: ‘En al de engelen stonden rondom de troon’ (Op.7:11). Zij zijn blij als deze zonen van God zich tot God bekeren. Zij dienen de gelovigen die in de strijd tegen de satan volharden. De engelen dragen hen op de handen, zodat zij hun voet niet stoten, dat wil zeggen: zij worden door de moeiten heen gedragen zonder te struikelen of te zondigen. Nu zien zij hoe de gemeente één geworden is, zoals de Vader en de Zoon één zijn. De troonverwervers zijn nu tot al de goede werken volmaakt toegerust, zij hebben het einddoel van het geloof bereikt en God kan hun het oordeel over de wereld toevertrouwen.

>>>>>