De Farizeeër en de tollenaar

  • ‘En Hij sprak ook met het oog op sommigen die van zichzelf overtuigd waren dat zij rechtvaardig waren en alle anderen minachtten, deze gelijkenis: Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden. De één was een Farizeeër en de ander een tollenaar’ (Luc.18:9,10).

De centrale gebedsplaats voor Israël was de tempel. Het huis van God op de heilige berg was een huis van gebed voor alle volken (Jes.56:7). Veel generaties waren al daar naar toe gegaan (en gaan er nog steeds heen). Daar in het bijzonder kon men vertrouwen op de beloften van God en de verhoring van zijn gebeden (2 Kron.7:14). Hizkia stortte er zijn hart uit in een moeilijke tijd en hij vond er redding. Anna, de profetes, smeekte er dag en nacht om de komst van de Beloofde en God vervulde haar wensen. Ook de eunuch uit Ethiopië was naar Jeruzalem gegaan om daar te bidden en op de terugweg stuurde God zijn apostel om het evangelie aan hem te vertellen.

In Israël bad men veel. We lezen niet alleen van een verootmoedigd volk dat met zijn priesters, God aanriep (Joel 2:17), maar ook van een ongebroken en ontrouw volk, dat daar toch kwam om te bidden (Jes.1:15). In de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar zijn het maar twee personen, die gaan bidden. Zij beklimmen de negen trappen die naar de Schone Poort leiden om God aan te roepen. De Farizeeër en de tollenaar! Een grotere tegenstelling is nauwelijks denkbaar. De één is een man van aanzien in de kerk van God die aan de voorkant werkt. Die weet wat hij waard is en daarom meent dat hij rechtvaardig is. De ander is een tollenaar. Ook al waren er tollenaars die wél goed werk deden, tollenaars (belastinginspecteurs) werden door mensen veracht. Door deze haat voelden zij zich minderwaardig t.o.v. de mensen, maar ook t.o.v. God. Gelukkig durft de (goede) tollenaar uit de gelijkenis wél tot God te bidden.

Jezus vroeg aan de Schriftgeleerden en Farizeeën:

  • ‘Slangen, adderengebroed, hoe zou u aan de veroordeling tot de hel ontkomen?’ Matth.23:33.

In dit verhaal lezen we het antwoord: de arrogante, zelfverzekerde Farizeeër ontkwam er niet aan, maar de schuldbewuste tollenaar wél. God gaf aan de Farizeeër veel talenten. Hij had een leidende positie in de kerk, maar hij gebruikte dit talent voor zichzelf. Hij diende het Koninkrijk van God niet, hij vond zijn eigen orthodoxe organisatie belangrijker. Op zich was het niet fout dat hij rechtzinnig was. Jezus zelf gaf eens het advies om naar de woorden van de Farizeeër te luisteren, maar deze Farizeeër verachtte de rest. Hij alleen wist het en hij alléén had gelijk. Hij voelde zich onaantastbaar door zijn steile rechtzinnigheid. En dit leidt altijd tot het zich isoleren van medegelovigen. Het leidt altijd tot versplintering of sektevorming. Dit verachten van anderen leidt altijd tot heerszucht. Het wordt een strijd om de top in de beperkte kring van gelijkdenkenden. Samenwerken kan hij niet, want stel dat één van de volgelingen zélf gaat nadenken en meer geestelijk inzicht heeft. Men gaat scheiden wat God één gemaakt heeft.

Deze waarschuwing van Jezus is nog steeds actueel. Hij leert ons dat de één de ander uitnemender moet achten dan zichzelf. Op de deuren van de kerken en vergaderlokalen zou men moeten schilderen: ‘Leer van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart’. Wie zijn broer of zuster niet acht, stelt zich boven hem. Daarom is deze orthodoxe Farizeeër zo onbarmhartig en onverdraagzaam. Hij is de talentvolle spreker, die de ongeletterde medebroeder veracht in kerkenraadskamer. Hij vindt dat alleen zijn bazuin een zuiver geluid laat horen. Paulus schreef al:

  • ‘Want zij zoeken allen zichzelf, maar niemand zoekt wat van Jezus Christus is’.

De trotse Farizeeër

De Farizeeër is jaloers wanneer God buiten hem om werkt. Hij is jaloers als een ander meer volgelingen heeft dan hij. Hij wil volle kerken en hij alléén wil de mensen de weg wijzen. Zijn organisatie en zijn instituut moet de centrale werkplaats zijn. Hij is niet blij wanneer het bij een ander beter gaat. Hij zal dan gaan waarschuwen, verdacht maken, hij zal hun dogmatische onbetrouwbaarheid bewijzen. Dit egoïsme en deze arrogantie leidt tot verstarring in leer en leven. Jezus Christus wordt niet meer gezocht. De Farizeeër redeneert en bouwt ontelbare stelsels zoals de kinderen hun zandtorens bouwen aan het strand. De Farizeeër is rijk gezegend met zichzelf. Hij heeft een God naar eigen beeld gemaakt. En zo gaat deze Farizeeër naar de kerk. Het kritieke moment komt dat hij een gesprek aanknoopt, dat hij gaat bidden. Hij staat rechtop en bidt:

  • ‘O God, ik dank U dat ik niet ben zoals de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers of ook als deze tollenaar. Ik vast tweemaal per week. Ik geef tienden van alles wat ik bezit’ (Luc.18:11,12).

Deze Farizeeër weet veel. Hier staat een deskundige, een afgestudeerde theoloog. Hij is de vakman, die technisch de hele Bijbel beheerst. Hier staat een voorganger in Israël, één aan wie de geestelijke leiding is toevertrouwd. Maar hij pleit niet voor het volk, hij voelt zich niet verbonden met de afgedwaalde schapen van de kudde. De geest van Mozes en Daniel, die zich verootmoedigden voor de Heer vanwege het volk, is hem vreemd. Hij is de rechtvaardige, die zich distantieert van zijn mede-tempelganger.

Deze geestelijke aristocraat is het waarschuwende voorbeeld voor allen die een elitegroep vormen in kerken (en vandaag regeringen) die hun broers en zusters om hun stand of ontwikkeling, of misschien om hun misstappen, buitensluiten, want ook de tollenaar is een bezoeker van de kerkdienst. Hij is altijd aanwezig. Wij kennen zijn strijd niet die aan dit alles voorafging, maar vanwege zijn moeilijkheden kwam hij naar de kerk. En daar ontmoet hij nu de koude, liefdeloze leider van de kerk, die geen enkele interesse heeft dit ‘evangelisatieobject’.

De Farizeeër is, als zoveel andere Farizeeërs, zeer arrogant. De kennis heeft hij, maar hij mist de liefde. Jezus zegt van hem dat hij het zwaarste van de wet naliet: het oordeel en de barmhartigheid. Ook nu zijn er veel van dit soort ‘ambtsdragers’. Terwijl zij moeten dienen, gedragen zij zich arrogant. Ze zijn dan wel ‘zuiver in de leer’, maar ze voelen zich beter dan ieder ander, alsof ze geen fouten kunnen maken. Het afschuwelijke is dat de invloed van dit soort leiders zo ver reikt. Ze denken God te kunnen dienen, maar tegelijkertijd zichzelf te kunnen verhogen. Ze zonderen zich wel af van de wereld, soms tot in het extreme, maar zij zijn nooit opnieuw geborenDe Farizeeër staat op de preekstoel, kan boeiend en levendig vertellen. Al zijn redeneringen kloppen. Maar zijn eigen spitsvondigheid vervangt de kracht van Gods Geest. Zijn theologische, wetenschappelijke opleiding is belangrijk om dat elke zondag over de hoofden van mensen uit te gieten, maar de geestelijke honger wordt niet gestild.

Het grote gevaar voor de gemeente van de Heer zijn niet de buitenkerkelijken. Jezus voerde geen strijd tegen de Herodianen of Sadduceeërs. Hij zei niet tegen hen: ‘wee u’. Het gevaar voor kinderen van God ligt niet in de eerste plaats bij het modernisme met zijn afbrekende kritiek op de Bijbel. Dit wordt al snel onderkend en afgewezen. Het Farizeïsme, dát is moeilijk aanwijsbaar. De leer is meestal zuiver. Maar het heeft geen begrip van zonde, het staat vreemd tegenover de gestalte van de tollenaar. Het kent wel de uiterlijke vormen, maar het mist het wezen van het Koninkrijk van God. Het eert God met de lippen en de mond, maar het hart is er niet bij betrokken. De Farizeeër spreekt over het Koninkrijk van God. Hij discussieert urenlang met zijn vrienden – de letterknechten – over een bepaalde tekst, maar het bloed van Jezus Christus bedekt zijn zonden niet. Hij voelt zich rechtvaardig omdat hij veel geboden onderhoudt en toch streeft hij niet naar heiligmaking, zonder welke niemand God ziet. De Farizeeër dankt God, dat hij niet is als de anderen. Hij trekt daarmee een kloof tussen hem en de wereld. Maar hij dankt God ook dat hij niet is als de tollenaar en daarmee trekt hij de scheiding tussen tempelganger en tempelganger. Hij verheft zich boven zijn broers en zusters.

De geestelijke ‘rijkdommen’ van de farizeeër

De Farizeeër dankt God voor zijn geestelijke rijkdommen. Maar hij wil ze niet uitdelen aan de mens die op zoek is. Hij heeft de juiste zondagviering– en kleding, de juiste opvatting van de babybesprenkeling, de juiste doopformulieren en beschouwingen. Zijn uitverkiezingsleer, zijn toekomstgedachten, zijn avondmaalstafel zijn volgens hem alleen zuiver. Hij mist echter de liefde en de verdraagzaamheid. Hij voelt zich geen zondaar. Hij gelooft niet dat zijn verstand verduisterd is. De Farizeeër noteert zijn goede werken en zij vormen voor hem de springplank naar het Koninkrijk van God. Maar zijn normen deugen niet omdat hij geen rank is aan de wijnstok, omdat hij de leiding van Gods Geest mist. Hij dankt God dat hij geen rover is, maar toch is hij een dief en een moordenaar. Zijn dogma’s brengen de mensen in een doolhof, waar zij niet meer uit kunnen komen. Hij is de dief, die de sleutel van de juiste Godskennis weggenomen heeft.

Hij dankt God dat hij geen onrechtvaardige is, maar zijn ideeën verwoesten de gezinnen. Hij is wijs, maar zijn wijsheid is niet zichtbaar in zijn doen en laten. Hij dankt God dat hij geen overspeler is, maar hij houdt meer van zijn schitterende preken en zijn diepzinnige theologie dan van het leven met zijn vrouw. Zijn vasten is verwerpelijk omdat het voor hem alleen maar om het uiterlijk vertoon gaat. Hij wil door de mensen gezien en geëerd worden. Zijn vasten belemmert hem niet de huizen van de weduwen op te eten. Zijn onverdraagzaamheid is afschuwelijk. Hij is de niet-roker, de niet-drinker, de man van de onthouding, maar hij ontvangt geen loon omdat hij zijn mede tempelgangers veracht en ze verlaagt tot tweederangs gelovigen.

Hij dankt God dat hij zijn tienden geeft, maar Jezus zegt dat hij geldgierig is. Zijn kerkelijke bijdrage mag hoog zijn, maar zijn geldmanipulaties, de weduwen en de wezen, zijn ondergeschikten, getuigen tegen hem. De gerechtigheid van de tollenaar was overvloediger, want deze gaf de helft van zijn goederen aan de armen en hij gaf het viervoudige aan allen, van wie hij iets door bedrog had afgepakt. De Farizeeër dankt God, maar zijn lof is anders dan van zijn collega Paulus, die het later uit zou roepen:

  • ‘Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood? Ik dank God door Jezus Christus, onze Heer’ (Rom.7:24,25).

Farizeeërs zijn gewend lang te bidden om door de mensen gezien te worden, maar Jezus perst dit gebed samen tot enige zinnen. Hij ontdoet het van alle franje en verkort het tot de innerlijke waarde, die het bezit.

De tollenaar op de zondaarsplaats

  • ‘En de tollenaar bleef op een afstand staan en wilde ook zelfs zijn ogen niet naar de hemel opheffen, maar sloeg op zijn borst en zei: O God, wees mij, de zondaar, genadig’ (Luc.18:13).

Achter deze Farizeeër zien we de gestalte van de tollenaar. Hij staat verder weg, maar toch ook in het huis van God. Ook hij bidt. Uit de diepte van het hart klinkt zijn schreeuw door de tempel: ‘O God, wees mij zondaar genadig’. Dit korte telegram van iemand die zich verootmoedigt is zwaarder van inhoud dan alle zelfverheffing en schijnheiligheid. De tollenaar voelt de diepte van zijn onmacht in de tegenwoordigheid van Zijn God.

Farizeeër en tollenaar! Twee figuren in de kerk van het oude én nieuwe verbond. Twee typen die we goed kennen. Want die Farizeeër is niet alleen de hogepriester in de kerkelijke wereld, niet alleen de man op de preekstoel, maar hij zit ook in de kerkbank. U vindt hem in alle kerken en kringen en samenkomsten en ook daarbuiten.

Soms zijn we net zo arrogant als de Farizeeër, als we bijvoorbeeld gelijk willen hebben. Maar als we ons geweten laten spreken, vragen we hier vergeving voor. Dan zijn we de zoon, die moest zeggen: ‘Vader, ik heb gezondigd’. En wij weten dat God ons wil vergeven door Jezus Christus:

  • ‘Ik zeg u: Deze man ging gerechtvaardigd terug naar zijn huis, in tegenstelling tot die andere. Want ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden’ (Lucas 18:14).