12. Het eindoordeel

<<<<<

Het slot van de toespraak op de Olijfberg laat ons zien dat in de geschiedenis van de mensheid voor het laatst een oordeel wordt geveld en een scheiding wordt gemaakt. In korte, maar scherp geformuleerde woorden wijst de Heer op deze uiteindelijke beslissing van Gods kant, die resulteert in een altijd durende kloof tussen goede en slechte mensen:

‘En al de volken zullen vóór Hem verzameld worden en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen scheidt van de bokken en Hij zal de schapen zetten aan zijn rechterhand en de bokken aan zijn linkerhand’ Matth.25:32,33.

‘Alle volken’ heeft betrekking op de mensheid van alle tijden en van alle plaatsen. Zij worden gesteld voor de grote, witte troon, waarvan Openbaring 20:11 spreekt. De troon is beeld van regeringsmacht en gezag en van het recht van God in de zienlijke en de onzienlijke wereld. Hij is niet nieuw, maar bestaat van eeuwigheid. De Psalmist zei: ‘Uw troon, o God, staat voor altijd en eeuwig’ (45:7). In verband met deze autoriteit zei de Heer: ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde’ (Matth.28:18). Wat het oordeel betreft, werd door Hem gezegd: ‘Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft het hele oordeel aan de Zoon gegeven’ (Joh.5:22). In Handelingen 17:31 leert de apostel: ‘Omdat Hij (God) een dag heeft bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een Man, die Hij aangewezen heeft’. Naast haar Heer heeft de gemeente, waarmee Hij onlosmakelijk verbonden is, deel aan dit oordeel over mensen en (de weerspannige en gevallen) engelen.

Verschillende oordelen

Omdat alle volken geoordeeld worden, kunnen wij hier spreken van het laatste oordeel. Er zijn al veel oordelen aan vooraf gegaan. Jezus zei: ‘Nu gaat er een oordeel over deze wereld; nu zal de overste van deze wereld (de satan) buiten geworpen worden’ (Joh.12:31). Door het brengen van het evangelie en de kracht van Gods Geest worden satans’ demonen uit de mensen geworpen. De kinderen van God worden zo gescheiden van ‘de overste van deze wereld’. Zij hebben geen gemeenschap meer met hem. Het oordeel begint bij het huis van God, dat in veel verdrukkingen en tenslotte in de grote verdrukking van alle demonen gescheiden wordt. Zij komt op deze manier als geheiligden en overwinnaars uit de strijd tevoorschijn. Ook zal er een oordeel gaan door de hemel als satan en zijn engelen op aarde worden geworpen en hun plaats in de hemel niet meer wordt gevonden (Op.12:8). Hun laatste toevlucht is dan dat zij zich verschuilen in de schepsels op aarde.

Ook komt het oordeel tot stand onder de belijders van Christus, een scheiding tussen tarwe en onkruid. In zijn toespraak heeft onze Heer daarover uitvoerig gesproken. Voor het christendom gelden de woorden van de profeet Jesaja:

  • ‘Al was het getal van de kinderen van Israël als het zand van de zee, het overschot zal behouden worden’ (Rom.9:27).
  • ‘Het is met het koninkrijk van de hemelen ook als met een sleepnet dat in een meer werd geworpen en waarmee allerlei soorten vis werden gevangen. Toen het net vol was, trok men het op de oever en ging men zitten om de goede vis in kuipen te doen; de slechte vis werd weggegooid. Zo zal het gaan bij de voltooiing van deze wereld: de engelen zullen eropuit trekken en de kwaadwilligen van de rechtvaardigen scheiden en ze zullen hen in de vuuroven werpen, waar ze zullen jammeren en knarsetanden’ (Matth.13:47-50).

Hier is sprake van een zuiveringsproces van de kerk. Het onkruid wordt uit de tarwe weggetrokken, de dwaze maagden van de wijze gescheiden, de luie slaven apart gesteld van de goede dienstknechten. De vurige oven zijn de demonische machten, waaraan de valse of afvallige kerk overgegeven wordt.

Vrome geesten

Wenen en tandenknarsen zijn typische uitingen van ‘vrome’ geesten. Onder ‘vrome’ geesten verstaan wij boze geesten, die zich uiterlijk christelijk en godsdienstig voordoen als engelen van het licht, maar in wezen dienaars van satan zijn en die de mens maken tot een schijnheilige en bedrieglijke arbeider. De leden van het sanhedrin knarsten de tanden tegen Stefanus. Zo lezen wij ook dat de luie slaaf in de buitenste duisternis geworpen wordt, waar het geween is en het tandengeknars (vers 30). ‘Vrome’ geesten huilen of maken zich kwaad, slaan zich op de borst, scheuren de kleren, of ballen de vuist als zij geprikkeld of ontmaskerd worden. Van heidenen, die toch ook door boze geesten geleid worden, lezen wij zulke dingen in de dag van het oordeel niet. Zeker niet van hen die nog van nature doen wat de wet gebiedt (Rom.2:14,15).

De slag bij Armageddon (Op.16:16)

Bij Jezus’ terugkomst gaat het eerste oordeel tussen de gestorvenen, de eerste opstanding. Die in Christus ontslapen zijn, staan met een onverderfelijk en verheerlijkt lichaam op, terwijl de ‘overige doden’ niet meer levend worden, voordat de duizend jaren voleindigd zijn (Op.20:5). Dit is een oordeel of scheiding tussen de doden. Dan komt het ogenblik dat de gemeente op aarde in een ondeelbaar ogenblik veranderd wordt bij het blazen van de zevende bazuin (1 Cor.15:52 en Op.11:15-19). Dat is dan het oordeel tussen hen die nog leven op aarde. Na de slag bij Armageddon worden het beest en de valse profeet definitief geoordeeld en levend in vuurpoel geworpen. Zij geven als eersten gestalte aan heet vuur dat eeuwig zal branden.

Tijdens het duizendjarige rijk dat nu volgt, wordt de aarde geoordeeld en gezuiverd van het kwaad. Er is dan opnieuw een scheiding tussen hen die leven op aarde. In die tijd is iedereen in de gelegenheid verlost en genezen te worden om op deze manier als een volkomen mens het geestelijke Jeruzalem te kunnen binnengaan, bevrijd van de duistere demonen en genezen van letsels en geestelijke beschadigingen. Wie niet luisteren wil, sterft.

Gog en Magog (Op.20:7,8)

Na het duizendjarige rijk komt de grote verzoeking en degenen die afvallen zijn ontelbaar als het zand van de zee. Nu komt de verleiding niet van het beest uit de afgrond, maar van de duivel zelf die uit de afgrond is losgelaten. Zijn legers omsingelen de legerplaats van de heiligen (de gemeente) en de heilige stad (de aardbewoners die zich niet hebben laten verleiden). Dan daalt vuur neer uit de hemel, want God legt verwarring onder deze vijandige legers. ‘En de duivel die hen verleidde, werd geworpen in de poel van vuur en zwavel’ en zijn hulptroepen van engelen worden bij de grote zuivering van Gog en Magog, ook naar deze plaats verwezen.

De boeken geopend bij het laatste oordeel (Op.20:11-15)

Het laatste oordeel betreft nu niet de hemel of de aarde, maar het dodenrijk, want de aarde is hersteld en de hemel is hersteld. De stad van God wordt echter voltooid, wanneer na deze laatste opstanding de rechtvaardigen daar hun plaats gaan innemen. Jezus zei:

  • ‘Het uur komt, dat allen die in de graven zijn, naar zijn stem zullen horen en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben tot de opstanding ten leven, wie het kwade gedaan hebben, tot de opstanding ten oordeel’ (Joh.5:28,29).

Bij deze opstanding moeten Dood hemzelf en zijn doodsmachten (de cipiers van zijn dodengevangenis) hun prooi loslaten en worden ziel en geest van alle doden met een onsterfelijk lichaam overkleed. Dan begint het laatste oordeel; het eeuwige leven of de vuurpoel voor eeuwig. De Heer gebruikt hier het beeld van een herder, die de schapen van de bokken scheidt. De schapen typeren de volgzame en zachtmoedige mensen, maar de bokken de opstandige en ongehoorzame mensen. Met bokken worden waarschijnlijk gewoon geiten bedoeld. Schapen en geiten zijn overdag bij elkaar op de wei, maar worden ‘s avonds door de herder gescheiden. Zo waren de doden allen samen in het dodenrijk, maar worden nu bij deze algemene opstanding door de grote Herder van de schapen van elkaar gescheiden.

Het zetten aan de rechter- en aan de linkerhand doet denken aan een gebruik bij het Joodse sanhedrin. Links en rechts van de voorzitter van de hoge raad zaten de medeleden in de vorm van een halve cirkel. Twee schrijvers schreven op hoe gestemd werd. De schrijver aan de rechterkant tekende de vrijsprekende stemmen op en die aan de linkerkant de veroordelende stemmen. Daarna werden de vrijgesprokenen aan de rechterkant en de veroordeelden aan de linkerkant geplaatst. De uitdrukking ‘verzameld worden’ wijst erop, dat de mens dan zelf geen keus meer maakt. Er wordt over hem beslist.

De gezegenden van de Vader

‘Dan zal de Koning tot hen, die aan zijn rechterhand zijn, zeggen: Kom, u gezegenden van mijn Vader, erf het Koninkrijk, dat voor u bereid is vanaf de grondvesting van de wereld’ 34.

Wij weten niet hoe lang de tijdsduur is, die door het oordelen in beslag genomen wordt. God heeft geen haast bij de volvoering van zijn plan. Zoals de zichtbare schepping tot nu toe ontzaglijke wordingsperioden gekend heeft (13,82 miljard jaar), zo is het ook met de herschepping. Eén dag is als duizend jaar bij God. Nooit gebeurt er iets hocus pocus. Hoe lang duurde het tijdperk van de schaduwen wel niet? Het nieuwe verbond begon als een zaadje. Eerst Jezus Christus, toen enkele leerlingen en een gemeente. Er zijn tweeduizend jaar voorbijgegaan en nog is het doel van God met de gemeente niet bereikt. Nog heeft zij de volkomen vrucht niet voortgebracht. En als de gemeente de volwassenheid bereikt heeft en de rijpe vrucht van de aarde geoogst is, wordt zij ingezet om de zuchtende schepping in haar totaliteit te verlossen. Dan is er weer sprake van een tijdsbestek van ‘duizend jaren’ (een symbolisch getal) om dat doel te bereiken. Wij weten ook niet hoe lang de periode van de aanvoer uit het dodenrijk duurt. Vervuld wordt:

  • ‘En ik zag de doden, de groten en de kleinen, staande voor de troon en er werden boeken geopend. En nog een ander boek werd geopend, het Levensboek; en de doden werden geoordeeld op grond van wat in de boeken geschreven stond, naar hun werken’.

Het gaat hier over een proces van rechtspraak, waarin door de gemeente over de levens van allen die aan de tweede opstanding deel hebben, op grond van begane daden, vonnis geveld wordt. Dit heeft zijn tijd nodig, omdat voor iedere herrezen mens afzonderlijk een oordeel gevormd moet worden.

De rechtvaardigen van alle eeuwen en uit alle volken

Wie zijn deze gezegenden van de Vader of degenen ‘die deel hebben aan de zegeningen van de Vader’ zoals een Engelse vertaling luidt? Zij zijn de rechtvaardigen van alle eeuwen en uit alle volken, die geen deel hebben gehad aan de eerste opstanding van hen die in Christus ontslapen zijn. Het gaat hier over degenen die het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen zoals Jezus dat leerde, niet gekend hebben. Zij konden met hun inzichten en de kracht en de gave, die hun ter beschikking stonden, de volkomenheid niet bereiken. Het gaat over hen:

  1. ‘Die voor hun ‘geslacht de raad van God gediend hebben’ en stierven, terwijl zij ‘het beloofde niet verkregen hadden’ (Hand.13:36 en Hebr.11:39).

Wij denken aan Job, maar ook aan zijn vrienden die door een ‘vrome’ geest geleid werden; aan vader Jacob, maar ook aan zijn zonen wier namen gevonden worden op de poorten van het nieuwe Jeruzalem; aan Melchizédek de koning van Salem. Velen leefden als David ‘met hun lek en gebrek’ naar de godskennis die zij bezaten. Wij denken ook aan onze voorvaders, die nauwgezet de Heer dienden, maar voor wie het Koninkrijk van God met zijn vrede, blijdschap en gerechtigheid niet te begrijpen was, omdat zij geen kennis hadden van de doop met Gods Geest en van de weg tot bevrijding en verlossing. Ook aan hen die in de duistere middeleeuwen de weg van de verlossing niet kenden, hoewel zij de vergeving van hun zonden door het bloed van het Lam van God, aanvaardden en hun leven veilig hadden gesteld voor het Woord van God.

Ook zijn er de miljoenen die van het herstelplan van God nooit hoorden en die toch hongerden en dorstten naar de gerechtigheid. Het werd hun niet verteld. Als zij het eeuwig evangelie gehoord hadden, zouden zij het met beide handen gegrepen hebben. Wij denken aan hen, waarvan Paulus schreef:

  • ‘Wanneer namelijk heidenen, die de wet niet hebben, de wet van nature naleven, dan zijn ze zichzelf tot wet, ook al hebben ze hem niet. Ze bewijzen door hun daden dat wat de wet eist in hun hart geschreven staat; en hun geweten bevestigt dit, omdat ze zichzelf met hun gedachten beschuldigen of vrijpleiten. Dit alles zal blijken op de dag waarop, volgens het evangelie dat ik verkondig, God door Christus Jezus oordeelt over wat er in de mens verborgen is’ (Rom.2:14-16).

De sinistere kanttekeningen van de Scofield-’bijbel’

Wanneer er staat dat de heiligen van de Nieuwtestamentische gemeente de wereld zullen oordelen (1 Cor.6:2), lijkt het ons zeer onwaarschijnlijk dat dit rechtspreken zoals sommigen beweren, alleen bestaat in het uitspreken van de strafmaat van de vonnissen. De maranathabeweging leert volgens de sinistere kanttekeningen van de Scofieldbijbel bij Openbaring 20:12, dat in het Levensboek geen enkele naam meer staat. Volgens haar aanhangers bestaat dit boek alleen uit blanke bladzijden, waarin de namen van de veroordeelden hadden kunnen staan. Geen enkele van deze doden zou dus aan de rechterhand van God geplaatst worden, terwijl de onrechtvaardigen wel geoordeeld zouden worden naar hun werken, maar allemaal hetzelfde vonnis zouden ondergaan, namelijk de verwijzing naar de vuurpoel. Dat hele laatste oordeel is dan maar een schijnvertoning.

Men beroept zich bij deze sinistere uitleg op de woorden van Jezus tot de inwoners van Kapernaüm en Bethsaïda, dat het Tyrus en Sidon draaglijker zou zijn in de dag van het oordeel dan de steden, waarin Jezus geleerd had en zijn heerlijkheid getoond. In deze dag van het oordeel, wanneer het verborgene van het hart geopenbaard zal worden, zal echter blijken dat onder deze heidenen mensen geweest zijn, die hongerden en dorstten naar de gerechtigheid. Daarom zegt Jezus van hen:

  • ‘als in Tyrus en Sidon de wonderen waren gebeurd die bij jullie gebeurd zijn, dan zouden de inwoners van die steden zich allang in een boetekleed hebben gehuld en met stof op hun hoofd tot inkeer gekomen zijn’ (Matth.11:21).

Daarom zullen in het laatste oordeel de mensen van Tyrus en Sidon het er beter afbrengen dan het volk, waaronder Jezus zijn heerlijkheid toonde en dat zijn hart verhardde. Bij de beoordeling van de werken zal met de factor onwetendheid rekening gehouden worden:

  • ‘De mannen van Ninevé zullen in het oordeel opstaan mét dit geslacht en het (doen) veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona en zie, meer dan Jona is hier. De koningin van het Zuiden zal in het oordeel optreden met dit geslacht en het (doen) veroordelen, want zij is (hongerend en dorstend) gekomen van het einde van de aarde om de wijsheid van Salomo te horen en kijk, meer dan Salomo is hier’ (Matth.12:41,42).

Voor allen die de gerechtigheid hebben liefgehad, maar aan wie het evangelie niet verteld werd of slechts gedeeltelijk, onder een sluier geldt:

  • ‘Daarom, velt geen oordeel vóór de tijd, dat de Heer komt, die ook wat in de duisternis verborgen is, aan het licht zal brengen en de overdenkingen van het hart openbaar maken’ (1 Cor.4:5).

De Heer spreekt van een erven van het Koninkrijk van God. Voor de Nieuwtestamentische gelovigen geldt dat zij in Christus zijnde het erfdeel al ontvangen hebben (Ef.1:11). Voor hen geldt:

  • ‘Hij heeft ons gered uit de macht van de duisternis en ons overgebracht naar het rijk van zijn geliefde Zoon’ (Col.1:13).

De rechtvaardigen uit de tweede opstanding echter ontvangen de volle zegen op de nieuwe aarde. Daar staat het geboomte van het leven, beeld van de gemeente met haar Hoofd, wier bladeren (geestelijke gaven) zijn tot genezing van de volken die het nieuwe Jeruzalem binnengaan (Op.22:2).

De gemeente van het nieuwe verbond is ook in de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde het redding instrument, zodat ook de rechtvaardigen die de vervulling met Gods Geest niet gekend hebben en de volkomenheid niet bereikt hebben, tot deze hoogte zullen worden gevoerd. Aan het einde van die periode zal ‘God zijn alles in allen’ (1 Cor.15:28). Voor degenen die in het eindoordeel aan de rechterhand van God geplaatst worden, geldt Hebreeën 11:40: ‘Zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komen’. Voor het duizendjarige rijk, als de aarde vol is van de kennis van de Heer en het tijdperk dat dan nog volgt vóór het laatste oordeel, geldt echter dat wie het eeuwige evangelie gehoord heeft en verworpen, niet bij de rechtvaardigen kán horen.

Een mens die hongert en dorst naar Gods gerechtigheid, zal het evangelie willen aanvaarden en van zijn vijanden verlost willen worden. Waarom zou men later het evangelie aannemen dat men eerst verworpen heeft? Hetzelfde geldt nu al voor hen die het evangelie van God aanvaard hebben en later weer afvallig worden. Er staat immers:

  • ‘Want wie ooit door het licht beschenen is, geproefd heeft van de hemelse gave en deel gekregen heeft aan Gods Geest, wie het weldadig woord van God en de kracht van de komende wereld ervaren heeft en vervolgens afvallig is geworden, kan onmogelijk een tweede maal worden bekeerd, omdat zo iemand voor zichzelf de Zoon van God opnieuw kruisigt en aan bespotting blootstelt’ (Hebr.6:4).

Hen die buiten het lichaam van Christus zijn, oordeelt God naar hun werken (1 Cor.5:13). De rechtvaardige God zal dan ook rekening houden met wat zij geweten en wat zij gekund hebben.

>>>>>