Het erfzondelegaat van Augustinus

Er zijn maar weinig doctrines die zich zo hebben ingevreten in het christelijke denken als de erfzondeleer. Al meer dan 18 eeuwen lang. In de kerken is zij zelfs onaantastbaar geworden. Menig catechisant – zowel van rooms-katholieke als van protestantse huize – heeft de antwoorden van de vragen over de erfzonde uit het hoofd moeten leren. De inhoud ervan werd nooit onderzocht of zelfs maar in twijfel getrokken. Naast het erkennen van de daadwerkelijke zonden die de mens doet, zou het hele menselijke bestaan doortrokken zijn met de erfzonde. Maar wat nog erger is:

  • “De mens is ook van nature (dus door God ingeschapen) geheel slecht…”

Volgens verschillende protestantse kerkhistorie-kenners is de erfzondeleer in haar scherpste formulering in het denken van Augustinus opgekomen. Voor die tijd sprak de traditie alleen over de zonde van Adam en over een oorspronkelijke val, maar nooit van een oorspronkelijke zonde die door middel van de voortplanting wordt doorgegeven (het Engelse woord voor erfzonde is original sin of oorspronkelijke zonde). De rooms-katholieke theoloog Rondel beweert in zijn boek ‘Oorspronkelijke zonde’ echter dat Sint Augustinus de erfzondeleer niet zelf heeft bedacht, maar dat hij alleen uitdrukking heeft gegeven aan een traditie, die door middel van talrijke formuleringen langzaam aan de oppervlakte was gekomen.

Hoe het ook zij, de kerkvader Augustinus bracht de erfzondeleer tot haar volle ontwikkeling, want hij definieerde haar wezen en de manier waarop deze zonde werd doorgegeven. Hij maakte daarbij gebruik van Bijbelverklaringen en traditionele rooms-katholieke uitspraken, om zijn theorieën geloofwaardig te maken. Zijn opvattingen mogen dan misschien niet altijd oorspronkelijk zijn, ze verschillen wel wezenlijk met de gewone Bijbelse begrippen. En zijn dogma’s hebben ver strekkende gevolgen, want door zijn opvattingen zijn er ook martelaren gekomen.

Bijbehorende artikelen:

  1. De erfzondeleer vanuit historisch perspectief
  2. Martelaren in de eerste eeuwen na Christus
  3. De ontwikkeling van het erfzondedogma
  4. Erfzonde en babybesprenkeling – Conclusie