3. De ontwikkeling van het erfzondedogma

<<<<<

Na zijn vertrek uit Alexandrië werd Origenes in Caesarea met de praktijk van de babybesprenkeling geconfronteerd. Deze traditie zette hem aan het denken over de relatie tussen geboorte en zonde. Hij stemde in met de ‘babydoop’ vanwege de erfzonde-‘smet’, de aard van die besmetting niet duidelijk door hem werd omschreven. Zo vroeg in de kerkgeschiedenis vinden we dus al een voorloper van Augustinus’ erfzondelegaat. De theorie van een val van de mens nog voor hij geboren was, werd echter door Augustinus verworpen. Ook de Oosterse kerkvaders die hem opvolgden, deelden zijn visie niet.

Tertullianus

Tertullianus deed als eerste een poging om tot een formulering ervan te komen. Deze geleerde werd twintig jaar na Irenaeus geboren en was de eerste bekende schrijver, die het Latijn als voertaal gebruikte. Hij leefde van 155-222 in Carthago. Tertullianus stelde zeer duidelijk vast dat de zondigheid van de menselijke natuur aan Adam te wijten was. Hij werd hierbij beïnvloed door de filosofie van de Stoïcijnen, die leerden dat de mens onderworpen is aan de gang van de gebeurtenissen, die door de ‘wereldrede’ wordt geleid. Hij leerde het traducianisme, dit wil zeggen dat de ziel van het kind ontstaat door de echtelijke gemeenschap van de ouders en zoals ook dan het lichaam ontstaat. Hieruit concludeerde hij de theorie van een erfelijke en zondige besmetting. Hij stelde:

  • “Onze eerste ouder droeg in zichzelf de ontwikkelende kiem van het menselijke geslacht. Zijn ziel was de oorsprong van alle zielen. De verschillen in de menselijke natuur zijn slechts variaties van die ene geestelijke substantie. Daarom is de natuur als één geheel verworden in de oorspronkelijke vader van het menselijke geslacht. Zo wordt de zondigheid samen met de ziel voortgeplant en verbreid…”

Omdat Tertullianus tegen de doop van jonge kinderen was, werd beweerd dat hij de erfsmet niet als zondeschuld beschouwde. Ondanks deze besmetting is de mens zowel goed als kwaad, dus niet totaal verdorven. Alleen Gods Geest die na de doop wordt gegeven, maakt de mens tot één. Tertullianus heeft meer dan enig andere kerkvader de weg bereid voor de erfzondedoctrine van Augustinus.

Ambrosius van Milaan

Ambrosius, Bisschop van Milaan van 374-397 was een van de grootste geleerden van de Latijnse kerk. Hij werd de gids van Augustinus op de weg om de erfzondeleer te ‘vervolmaken’. Hij wordt vaak door Augustinus aangehaald om de erfelijke verdorvenheid van de mens aan te tonen. Ambrosius leerde zeer duidelijk de menselijke verwording:

  • “Adam was – en in hem – waren wij allen. Adam ging verloren en in hem gingen wij verloren’. In zijn boek ‘De profeet David’ zegt hij: ‘Vóór onze geboorte zijn wij bevlekt en besmet. Vóór we het levenslicht gezien hadden, ontvingen we reeds de kwetsuur van onze oorsprong: we werden in ongerechtigheid ontvangen…”

Ondanks de verdere ontwikkelingen en afwijkingen in de theologie van verschillende denominaties in de kerk, waren de doctrines over de erfzonde blijvend.

Augustinus

Volgens Augustinus hoort de hele mens – zowel ziel als lichaam – toe aan God de Schepper, de almachtige en de waarachtige. De duivel onteerde en vernederde de mens wel, maar hij heeft nooit de menselijke natuur of enig ander deel van de mens geschapen. Dit is correct, maar toch beweert Augustinus: 

  • “Vlees is van God, want Hij schept het; het is van de mens, want hij verwekt het, het vlees is zondig en deze verderft het…”

De mens en de zonde zijn bij Augustinus geen twee afzonderlijke zaken. De mens wordt met het kwaad geïdentificeerd vanaf het ogenblik dat in het paradijs het gebod ‘van deze boom zult u niet eten’, werd overtreden. Hoewel dit gebod niet moeilijk was om te houden, zegt Augustinus :

  • “Allen hebben vanuit deze ene mens de zonde in zich, vanwege hun oorsprong gemeenschappelijk en massaal…”

Kinderen zijn daarom al veroordeeld vanwege dit potentiële vermogen tot het kwaad dat zij in zich hebben. Zij zijn niet zondig geworden toen god hen schiep, maar zijn zondig geworden door de listen van satan en zijn demonen. Maar Augustinus benoemt dit niet, hij zegt:

  • “Een kind dat nog geen gebruik van zijn verstand kan maken, noch goed noch kwaad vanwege zijn eigen wil, want het is nog niet bezig met beide. In een kind zijn het natuurlijke, goede verstand en het oorspronkelijke kwaad (dus de erfzonde) wel aanwezig, maar nog inactief en sluimerend…”

Augustinus beweert dus dat alle mensen in zonde zijn geboren. Dit betekent dat de oorsprong van ons allen een zondige situatie is. De schuld van deze misvorming wordt door een geestelijke hergeboorte bij de babybesprenkeling vergeven. Maar de zonde blijft in het sterfelijk vlees aanwezig en veroorzaakt daar onrust en zondige verlangens, zelfs wanneer wij er niet aan toegeven. Wij zullen echter genezen van de activiteiten van deze kwade begeerten door de genade van Jezus Christus. De vraag is: klopt dit alles?

Hoewel wij dus – volgens Augustinus – genezen zijn van de erfschuld door onze geestelijke hergeboorte, blijft er nog een innerlijke strijd in ons woeden, dit wil zeggen dat wij tegenstanders zijn van onze eigen begeerten en wij ons kanten tegen onze eigen ‘wellusten’. Volgens Augustinus komt dus het kwaad voort uit het goede, maar niet uit het verheven en onveranderlijke Goed. Het kwaad kwam voort uit het lagere en veranderlijke goede. De kwade dingen zijn bij hem geen natuurlijke, slechte wezens, maar de defecten van hen.

Het kwaad kan echter niet bestaan wanneer het niet voortkomt uit natuurlijke wezens. Kwaad is niets anders dan afvalligheid van het goede. Zowel engelen als mensen zijn bij Augustinus natuurlijke wezens, die innerlijk evenveel zijn toegerust met een wil, die in staat is zowel goed als kwaad te doen. Een engel of een mens met een kwade wil wordt kwaad genoemd, want hij wordt door een kwade en niet door een goede aard gekarakteriseerd. Wanneer wij de gedachtegangen van Augustinus volgen, merken wij dat de mens niet alleen overeenkomt met de engelen, maar dat hij bovendien verwant is met de duivel, want zijn oorsprong is ook slecht. In de doop:

  • “Verliest de mens wel alle zonde, maar niet alle kwaad..!” Om het duidelijker te zeggen: “Verliest hij alle zondeschuld maar nooit de zonde zelf..!”

Het wezen van de erfzondeleer berust op de gedachte dat de erfschuld ons vergeven kan worden, maar dat wij niet bevrijd kunnen worden van de erfzonde!

Is een baby van nature zondig en volgens de Heidelbergse zondag 3 vraag 7, wezensgelijk aan satan?

  • ‘Vraag: Vanwaar komt dan zulke verdorven aard van de mens?
  • Antwoord: Uit de val en de ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders, Adam en Eva, in het Paradijs, waar onze natuur alzo is verdorven geworden, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden’ (Heidelbergse Catechismus, vraag 7). 

Aan de vraag hoe de erfzonde doorgegeven wordt, gaat de vraag vooraf, hoe de ziel haar oorsprong vond. In de vijfde eeuw werden hierop drie antwoorden gegeven:

  • De platonische oorsprong

Deze oorsprong veronderstelt de pre-existentie van de zielen. Origenes had deze opvatting gecreëerd tot een van de hoofdgedachten van zijn theologie over het behoud van de mens. Alle zielen, zonder onderscheid te maken tussen mensen en geesten van engelen, werden tegelijkertijd geschapen. Alle zielen, behalve die de Verlosser voor zichzelf bestemd had, hadden gezondigd. Hun verlaging of afdaling in lichamen was voor een deel een straf en voor een ander deel een middel tot redding. De traditie brak al spoedig met deze zeer aanvechtbare veronderstelling.

  • Het creationisme

Dit houdt in dat voor ieder mens die wordt geboren, een nieuwe ziel wordt geschapen. Deze gedachte is ook geïnspireerd door het platonisme, maar zij gaat niet uit van een pre-existentie van zielen. Men leert dat de ziel, hoewel geestelijk, onsterfelijk en geschapen naar het beeld van God, niet eeuwig is, maar door God rechtstreeks wordt geschapen op het ogenblik van de vleselijke geboorte van de mens. Hiëronymus van Stridon (342-420), die de Vulgata vertaling maakte, was een verdediger van het creationisme, dat algemeen in de westerse kerk werd aanvaard.

  • Het ‘traducianisme’ en daarmee samenhangende het ‘generatianisme’

Het traducianisme leert dat de ziel ontstaat door gemeenschap ‘oefening’ van de ouders en wel uit hun zielenleven. Tertullianus beweerde dat alle zielen vanaf Adam bij de voortplanting of verwekking iets van hun wezen laten ontsnappen. Het vlees en de ziel worden samen gegeven en zij groeien samen op, maar de ziel en het vlees zijn gebrandmerkt door de nasleep van de eerste zonde. Tertullianus maakte een uitzondering voor Christus, omdat deze uit een maagd was geboren. Het generatianisme leert dat de ouders de kracht hebben om ‘uit hun geest een nieuwe geest of ziel te scheppen’. Deze ontwikkelen zich geleidelijk (evolutionisme). Het traducianisme beïnvloedde Augustinus, hoewel hij als filosoof meer naar het creationisme overhelde. De vragen m.b.t. onze solidariteit in Adam en de overdracht van de erfzonde leidden hem naar het traducianisme. In ‘De stad Gods’ wijst Augustinus erop: 

  • “Dat ‘ons tegenwoordig leven – als tenminste zo’n beroerde toestand ‘leven’ genoemd mag worden – afdoende bewijst dat de kinderen van Adam in hem waren veroordeeld…”

Na het opsommen van talrijke ondeugden, waaronder ook verscheidene tegennatuurlijke zonden, besluit hij:

  • “Al deze slechtheden horen bij de mens en komen voort uit de wortel van de dwaling en van de verdorven neiging, die iedere zoon van Adam met zich in de wereld brengt…”

Hij meent voor deze redenering zelfs een Bijbeltekst voor te kunnen gebruiken:

  • ‘Door één mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood en zo is de dood voor ieder mens gekomen, want ieder mens heeft gezondigd’ (Rom.5:12).

Ook de Vulgata, de Latijnse overzetting, heeft de versie ‘in welke (Adam) allen gezondigd hebben’. Dit was voor Augustinus een bevestiging van zijn inzichten. Volgens hem leert deze tekst duidelijk dat alle mensen de erfzonde gemeenschappelijk hebben en wel apart van de persoonlijke zonden. De meer juiste vertaling luidt echter: ‘Omdat allen gezondigd hebben’, zoals onder andere de vijf andere overzettingen in de ‘Zes vertalingen’ hebben. Zij steunen wél de gedachte aan een daadwerkelijke zonde.

De katholieke kerk leert:

  • “Het is een geloofsartikel; de erfzonde wordt doorgegeven bij de natuurlijke verwekking. Ieder mens verkeert in de staat van erfzonde ten gevolge van zijn afkomst van Adam…”.

Augustinus trekt vervolgens de conclusie:

  • “Dat de huwelijksgemeenschap niet kan bestaan zonder het kwaad van de wellust, hoewel het huwelijk daarom niet verkeerd is…”
  • “Trouwe echtgenoten gebruiken dit kwaad (van de begeerte) op goede wijze, maar toch krijgt het nageslacht dat door dit kwaad is verwekt, de erfschuld te dragen, dit is de oorzaak dat de nakomelingen opnieuw geboren moeten worden. Het kwaad van de wellust kan zijn straf niet ontgaan. Het zal moeten worden geboet door de verwekkers en de verwekten. De wellust zal in de nieuwe geborenen verdwijnen, wanneer zij volledig genezen zullen zijn…”

De vicieuze cirkel van erfzonde, begeerte en opnieuw erfzonde, is door Augustinus gesloten. Er is maar één manier om deze cirkel te verbreken, hoewel die geen praktische oplossing geeft in verband met het voortbestaan van de mensheid, namelijk de seksuele onthouding. De conclusie van Augustinus is daarom dat echtgenoten hun begeerten alleen op de juiste wijze bevredigen, als zij slechts samenkomen met de bedoeling kinderen voort te brengen. Het celibaat is echter beter, want dit houdt de mens buiten de zonde. Wanneer Augustinus het woord ‘wellust’ gebruikt, bedoelt hij de begeerten van het vlees, die gerealiseerd worden in ‘de werken van het vlees’. Hij citeert dan Galaten 5:16-24 en noemt dan: ‘hoererij, onreinheid, losbandigheid, afgoderij, en dergelijke’. Hij aarzelt ook niet om het ‘huwelijk’ aan deze lijst van ondeugden toe te voegen, vanwege het wezen ervan, dat die twee één vlees zullen zijn’ (Matth.19:5).

Christus was echter niet besmet met erfzonde, want Hij was ‘in een vlees, aan dat van de zonde gelijk’ (Rom.8:3). Augustinus theoretiseerde dat als volgt:

  • “het vlees van Christus ontving sterfelijkheid vanwege het lichaam van zijn moeder. Zijn lichaam vond in haar lichaam de sterfelijkheid, maar het liep geen erfsmet op, omdat het niet de wellusten had ervaren van een vleselijke bevruchting…”

Terugkomend op vraag 7 van de Heidelbergse Catechismus: ‘Vanwaar komt dan zulke verdorven aard van de mens?’ is trouwens ons antwoord:

  • Het scheppingsverhaal leert ons dat niet de eerste mens de vader van de zonde is, maar dat hij het slachtoffer werd van bedrog. De duivel is de vader van de leugen en zijn kinderen willen niets liever dan zijn wil te doen (Gen.6:2; Joh.8:44).

>>>>>