
De erfzondedwaling van Augustinus gaat uiteraard ook over het doel om baby’s te besprenkelen. Hij zei hierover (heel cryptisch – webb.):
- “Je wilt niet dat een kind kwaad ontvangt vanwege de zonde van een ander, maar je wilt het wel door middel van de kinderdoop van een andermans goede werken doen profiteren en niet zo’n beetje, want het krijgt dan het Koninkrijk van God. Het is het werk van een ander, als het gelooft door een ander op dezelfde wijze als het een andermans werk was, als het in een ander zondigt…”
De normale, Bijbelse dooppraktijk in de eerste christelijke gemeente bestond in het onderdompelen van volwassenen IN het water. Dit was – en is nog steeds – de logische stap na de bekering voor iedereen die het evangelie aanvaardt. De doop is de zichtbare breuk met het verleden en het bewijs dat men mét Jezus gestorven en opgestaan is uit de dood en zich als lid voegt in de gemeente van Jezus Christus. In zijn geschriften wees Irenaeus – één van de martelaren – op de betekenis van de legitieme daad om zich te laten dopen:
- ‘Dit is wat het geloof voor ons doet zoals de oudsten, de volgelingen van de apostelen ons hebben overgeleverd. Ten eerste worden wij erdoor herinnerd dat we de doop ontvangen tot vergeving van zonden in de naam van God en dat deze doop het zegel is van het eeuwige leven en van de nieuwe geboorte tot God, dat we geen kinderen meer zijn van sterfelijke mensen, maar van de eeuwige en onvergankelijke God’ en ‘in hen woont voortdurend Gods Geest, die door Hem is gegeven in de doop’.
Tertullianus (ca. 160 – ca. 230)

De al eerder genoemde Tertullianus was één van de eerste schrijvers in de 2e eeuw, die schreven over de onschuld van de kinderen. Hij sprak als eerste over de kinderdoop in de christelijke geschiedenis. Tertullianus verzet zich tegen de praktijk van de kinderdoop:
- ‘Volgens de omstandigheden en de natuur en ook de leeftijd van ieder persoon is het uitstellen van de doop meer passend, in het bijzonder in het geval van kleine kinderen.’ Jezus zegt inderdaad: ‘Verhindert ze niet tot Mij te komen’. Laat hen dan ‘komen’ terwijl ze opgroeien, terwijl ze leren, terwijl ze onderwezen worden waarom zij komen. ‘Laat ze christen worden, wanneer ze in staat zijn Christus te kennen. Waarom zouden ze in de onschuldige periode van hun leven haast maken met vergeving van zonden? In wereldse zaken handelen we ook heel voorzichtig (aan hen vertrouwen we aan jonge kinderen ook geen aardse goederen toe), moet dat dan wel in de goddelijke dingen? Laat hen leren om redding te vragen, zodat het kan worden gezien dat je hebt gegeven ‘aan hen die erom vragen’.
De geschriften van Origenes laten zien dat de kinderdoop als normaal werd beschouwd. In de 5e eeuw hoorde deze doop al bij de gewone praktijk van het kerkelijke leven. De volgorde was: kinderdoop en daarna de leer dat kinderen zondigen. Het dogma van de erfzonde heeft dus niet tot de praktijk van de kinderdoop geleid. De praktijk van de kinderdoop – als middel om de (erf)zonde te vergeven – werd uiteindelijk een beslissend argument om de erfzondeleer te aanvaarden.
Pelagius en Julianus van Eclanum

Pelagius, een monnik uit de 5e eeuw, was tegen de leer van de erfzonde, maar hij werd door Augustinus tegengewerkt. De babybesprenkeling – als onderdeel van de erfzondeleer – was echter niet meer weg te denken uit de kerk. Julianus van Eclanum, die Pelagius’ leer verdedigde, zwakte de kinderdoop daarom nogal af. Hij zei dat:
- ‘de genade van de doop in verband met speciale gevallen – hier dus de kinderen – niet mag worden veranderd, omdat de genade haar gaven doet afhangen van de hoedanigheden van hen die haar aanvaarden. Dit betekent dus dat degenen die God bij de schepping goed maakt, nog beter maakt door vernieuwing en door de aanneming tot kinderen’.
Uiteraard was Augustinus het daar niet mee eens. De zwakheid van deze verdediging van de doop werd onmiddellijk door hem blootgelegd in het volgende antwoord:
- ‘in je opmerkelijke wijsheid zeg je zulke buitengewone dingen als: kinderen worden in het sacrament van de Redder gedoopt maar niet gered, ze zijn gekocht maar niet bevrijd, ze zijn ondergedompeld maar niet gewassen, er zijn boze geesten uitgedreven en de Geest is op hen geblazen; maar ze zijn niet verlost uit de macht van de duivel.’
Augustinus verdraaide veel Bijbelteksten, zodat ze in zijn erfzondedogma pasten. Zo paste hij Romeinen 6:3 toe op zuigelingen. Daar staat: ‘Wij allen, die in Christus gedoopt zijn, zijn in zijn dood gedoopt’. Met betrekking tot de kinderen zou dit dan slaan op hun sterven aan de erfzonde tijdens hun doop. Hieruit volgt dan dat een pasgeborene een oude mens heeft, die met Christus is gekruisigd, zodat de baby niet langer een slaaf van de zonde zou zijn (Rom.6:6):
- ‘Een kind dat niet gedoopt is, ontvangt ‘het vonnis van de veroordeling’, want het heeft niet ‘door een ander geloofd’, die het ten doop houdt.
- Dit vonnis past bij de uitspraak: ‘Wie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden’ (Marc.16:16 St. Vert.)
- ‘Een kind kan het Koninkrijk van God niet binnengaan, als het ongedoopt sterft.’
- ‘Er zijn geen uitzonderingen, of het nu om opnieuw geboren ouders gaat of niet, want de bestemming van ongedoopte kinderen is vanwege de erfzonde voor allen gelijk!’
- ‘Als Christus werkelijk de redder is van allen, heeft Hij niet alleen maar volwassenen gered, maar ook kinderen.’
- ‘Wat betreft de kinderen van gelovigen wordt gezegd, dat zij niet onrein maar heilig zijn (1 Cor.7:14). Daarom zijn de leringen over erfzonde en kinderdoop nauw aan elkaar verbonden: de erfzondeleer staat of valt met de kinderdoop en omgekeerd is de kinderdoop niet los te maken van de erfzondeleer.’
Conclusie erfzondeleer Augustinus
Voor velen is het dogma van de erfzonde of de oorspronkelijke zonde (original sin) nauw verbonden met de leer over de val en de verlossing. Maar de erfzonde – pecatum originatum – die uiteraard zinspeelt op de eerste overtreding, wijst in werkelijkheid niet op de zonde die de val veroorzaakte, maar op de veronderstelde gevolgen ervan in de mens, terwijl we van dit kwaad niet verlost kunnen worden. Er wordt beweerd dat de erfzonde de bron van alle kwaad is in de mens. Ze voert hem tot het doen van de zonde, terwijl alle onheil zoals ziekte, oorlog, dood het gevolg zouden zijn van deze mysterieuze zonde. De erfzonde is dus niet alleen maar een toestand van de mens, maar zij is ook een ‘perpetuum mobile’, een ‘voortdurende beweging’ van het kwaad dat telkens weer nieuw kwaad produceert. De betrouwbaarheid van dit ‘mechanisme’ is gebaseerd op de schijnbare volmaakte onderdelen, die echter onderling niets met elkaar te maken hebben, terwijl ieder onderdeel bovendien met zichzelf in strijd is gewikkeld.
De erfzonde kreeg de betekenis dat de oorsprong van de mens slecht is
De zonde in het vlees wordt vandaag nog in alle kerken(!) als wezenlijk bestanddeel van de mens gezien, dus niet als iets aparts, zoals Romeinen 7:7-25 leert, waar onder meer wordt gezegd: ‘Maar dan doe ik het niet meer, maar de zonde die in mij woont’. Men veronderstelt het erfelijkheidsaspect gevonden te hebben in Psalm 51:7, waar David zijn zondige relatie met Bathseba betreurt. Zijn belijdenis is:
- ‘Zie, in ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen’.
Wat hier met de moeder in verband staat, wordt verdraaid tot: ‘Ik ontving de zonde tijdens mijn ontstaan.’ Door de valse erfzondeleer wordt alle kwaad in de mens geïncorporeerd. Wat de vijand van de mens moet zijn en waartegen gevochten moet worden, wordt als integrerend onderdeel van de mens gezien. Door deze valse erfzondeleer komt de duivel met de mens overeen, hoewel deze niet aan hem gelijk is, want de duivel is superieur aan de mens ten opzichte van het kwaad. Augustinus zegt:
- ‘De menselijke natuur is veroordeeld vanwege de erfzonde, maar zij is bovendien nog onderworpen aan de veroordeelde duivel, want hij is ook een onreine geest…!’
Zonde is inderdaad onafscheidelijk verbonden met het kwaad, want zij is het geïncarneerde of vlees geworden kwaad. Aan de ene kant is de duivel dus de vader van het kwaad en aan de andere kant wordt het kwaad in de mens TOT zonde, want:
- ‘Zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking van zijn eigen begeerte. Daarna, als die begeerte BEVRUCHT IS (!!!), baart zij zonde’ (Jac.1:14,15).
- ‘Als u het goede doet, is er opgewektheid; maar doet u het goede niet, dan loert de zonde als belager aan uw deur, klaar om u te grijpen’ (Gen.4:7).
Al deze dwalingen staan daarom in scherp contrast met het grote Voorbeeld, Jezus Christus: Jezus kwam om ‘zondaars tot bekering’ te brengen (Luc.5:32). Jezus kwam om hen te redden die daadwerkelijk hebben gezondigd. Wat de kinderen betreft, zei Hij niet: ‘Breng ze bij me en Ik zal ze dopen ter vergeving van hun zonden’. Nee, Hij zei:
- ‘Laat de kinderen tot Mij komen, verhindert ze niet; want voor hen is het Koninkrijk van God’ (Marc.10:14).
Wij roepen daarom ieder op die nog in de erfzonde gelooft én de besprenkeling zien als dé Bijbelse doop: Laat de leerstukken over de erfzonde en over de kinderdoop los en geef persoonlijk gehoor aan de oproep tot bekering en doop, zoals er staat:
- ‘Bekeer u en een ieder van u laat zich dopen’ (Hand.2:38).