1. De erfzondeleer vanuit historisch perspectief

<<<<<

Dood, lijden en zonden hebben hun zichtbare sporen in de wereld nagelaten en ook in ieders persoonlijk leven. Hoe past echter de erfzonde in het schema? Het alleen al noemen van dit woord geeft al aanleiding tot een serie vragen:

  • Denkt men bij het woord ‘oorspronkelijke zonde’ alleen aan de overtreding van onze eerste voorouders, Adam en Eva?
  • Heeft men het over de gevolgen van hun kwaad?
  • Heeft men het over een mysterieuze toestand van zonde waarin ieder mens wordt geboren? Of heeft men het alleen maar over de neiging tot het verkeerde, wat theologen dan begeerte of wellust noemen en wat in een dopeling steeds aanwezig blijft?

De theologie maakt onderscheid tussen peccatum originans en peccatum originatum, de zonde van Adam en de staat van zonde waarin al de kinderen van Adam verkeren.

Pelagius

De uitvoerigheid waarmee Augustinus de erfzondeleer uitwerkte, was te wijten aan zijn disputen met de Pelagianen. Op verzoek van zijn vriend Marcellinus schreef Augustinus in het jaar 411 een wetenschappelijk document over de vergeving van zonde. Hij weerlegde hierin de doctrine van Pelagius, die leerde dat de zonde alleen door imitatie wordt verspreid. Volgens Augustinus kon dat niet, want dan zou de gerechtigheid zich ook alleen maar door nabootsing verspreiden. Augustinus schreef nog meer boeken over de erfzonde, zoals ‘De genade van Christus en de erfzonde’ (418) en ‘Tegen Julianus de Pelagiaan’ (421). De veroordeling van het Pelagianisme en de aanvaarding van het standpunt van Augustinus werd uiteindelijk op 1 mei 418 op het concilie van Carthago vastgelegd. De eerste drie canons of kerkelijke regels van dit concilie gaan over de erfzonde. Enkele citaten:

  • ‘Als iemand leert dat Adam, de eerste mens, sterfelijk was geschapen, zodat hij – al of niet als zondaar – lichamelijk zou sterven en daardoor het verlaten van zijn lichaam niet het loon van de zonde zou zijn maar slechts een natuurlijke noodzakelijkheid, laat hem anathema zijn, d.w.z. hij is vervloekt!’
  • ‘Als iemand leert dat een pasgeborene niet gedoopt moet worden, of dat deze hoewel gedoopt tot vergeving van zonden, door Adam niet besmet is met erfzonde die gereinigd moet worden door het badwater van de nieuwe geboorte, zodat de formule van de vergeving van zonden voor zo’n dopeling geen waarheid maar leugen zou zijn, laat hem anathema zijn, hij is vervloekt!’

De apostel zegt echter: ‘Door één mens is de zonde de wereld binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen in hem gezondigd hebben’ (Rom.5:12). Augustinus maakt van dat ‘in hem’ dus ‘in Adam’. Dit past helemaal bij de leer van Rome. Vandaar dat door deze regel zelfs kleine kinderen, die nog geen persoonlijke misstappen hebben kunnen zetten, worden besprenkeld voor de vergeving van zonden:

  • “zodat de nieuwe geboorte datgene in hen mag reinigen waarmee ze al vanaf hun ontstaan zijn verbonden…”

Tot zover deze canons, die later door het concilie van Trente op 17 juni 1546 werden overgenomen. Deze onderwerpen die tijdens het concilie van Trente (1545-1563) geformuleerd werden, geven nog steeds de officiële leer van de rooms-katholieke kerk weer. 

Verwijzingen naar Bijbelteksten

De Bijbel begint met het verhaal dat God in het begin de hemel en de aarde schiep. Dan volgt een verdere uitwerking met een omschrijving van de oorsprong van mens en dier en hun positie in de wereld. De mens is bestemd om over de aarde en over alles wat leeft, te heersen. Tegelijkertijd moet hij zich aan God, zijn Schepper, onderwerpen. Omdat de mens niet luisterde naar het gebod van God, onderwierp hij zich aan de aarde door middel van een slang. De satan beloofde dat de mens kennis van goed en kwaad zou hebben als hij naar hem zou luisteren. Dit gebeuren wordt de eerste of oorspronkelijke zonde van de mensheid genoemd. Als een gevolg van deze overtreding werd de Levensboom (Op.22:1,2) weggenomen. Door de Levensboom zou de mens deel krijgen aan het eeuwige leven, maar dat was nu buiten zijn bereik gekomen (Gen.3:22).

Het woord ‘zonde’ komt echter pas voor in Genesis 4:7. Daar wordt de zonde gezien als een macht die op de loer ligt om Kaïn te overmeesteren. Daarom moest Kaïn zich distantiëren van de woede die hij voelde, hij moest heersen over zijn belager. Hier is geen sprake van een ingeboren zonde, maar van een kwaad van buitenaf, dat zich in de mens wilde dringen. Als we verder in het Oude Testament lezen, komen we bij een waarschuwing voor de onvermijdelijke gevolgen van bepaalde zonden, die een goede basis schijnt(!) te geven voor de erfzondeleer. Het volk Israël dat juist uit de Egyptische slavernij geleid was, kreeg het gebod:

  • ‘Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, uw God, duld geen andere goden naast mij. Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten’ (Ex.20:4,5).

Dit wordt door Jeremia herhaald op een erg passend tijdstip tijdens de belegering van Jeruzalem door de koning van Babel. Hier vindt de daadwerkelijke vervulling van deze waarschuwing plaats. Met een verwijzing naar het verleden van Israël roept Jeremia uit:

  • ‘Niets zou te wonderlijk zijn voor u, die aan duizenden goedheid bewijst en de ongerechtigheid van de voorvaders in de boezem van hun kinderen na hen vergeldt, om aan ieder te geven naar zijn wegen en naar de vrucht van zijn handelingen’ (Jer.32:17-20). De Septuaginta luidt: ‘Terug gevende de zonde der vaderen in (in het Engels ‘into’, dus als beweging) de schoot van hun kinderen na hen, om aan ieder overeenkomstig zijn wegen te geven’.

De gevolgen van de afgodendienst betekende voor Israël de bezetting van het beloofde land en hun deportatie naar Babel. Het is een armzalige ‘erfenis’, maar toch in geen enkel opzicht een erfelijk defect. Al in Jeremia’s dagen vond de fatalistische gedachte van een erfelijke misvorming uitdrukking in het spreekwoord:

  • ‘Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stroeve tanden, maar zal wie zondigt om zijn eigen zonden sterven. Wanneer iemand onrijpe druiven eet, zullen zijn eigen tanden stroef worden’ (Jer.31:29,30).

Jeremia zowel als Ezechiël in ballingschap, bestreden dit gezegde door de nadruk te leggen op de actuele zonde:

  • ‘Zie, alle zielen zijn van Mij, zowel de ziel van de vader als die van de zoon zijn van Mij; de ziel die zondigt, die zal sterven’ (Ez.18:4).

Het mag vreemd lijken, maar in de evangeliën is nergens sprake van de zonde van Adam. Integendeel, Jezus legt steeds met kracht de nadruk op het aandeel dat de duivel als overste van deze wereld hierin speelt. Jezus is gekomen om de werken van de duivel te verbreken en niet de erfenis van Adam (1 Joh.3:8). De duivel zondigt vanaf het begin. De blindgeborene wordt geen erfzonde verweten en zijn omgeving zocht de oorzaak van zijn blindheid in bepaalde zonden, die hij gedaan zou hebben (Joh.9:3). De mens is het slachtoffer geworden van de verraderlijke sluwheid van de satan, maar Jezus is gekomen om de mens te verheffen: ‘zodat hij uit de hand van zijn vijanden verlost, God zou dienen in heiligheid en in gerechtigheid al zijn dagen (Luc.1:74,75).

Augustinus over Romeinen 7

De brieven van Paulus zouden volgens velen aanleiding zijn voor het bewijs van de erfzondeleer. In zijn exegese van Romeinen 7:15-24 beweert Augustinus dat de apostel – liever dan een samenvatting te geven van zijn oude leven onder de wet – zichzelf beschrijft in de opnieuw geboren levenssituatie. Vanuit deze gezichtshoek verklaart Augustinus de uitroep: ‘Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood?’ Het vlees van Paulus zou dan het lichaam van de dood zijn. Dit zou dan weer het bewijs zijn dat we ‘allen in zonde zijn geboren en dat de oorsprong van ons leven hieraan schuldig is’. Vandaar de voortdurende strijd met onszelf. Om de eigen woorden van Augustinus te gebruiken, betekent dit:

  • ‘Paulus kon er niet aan twijfelen dat de oorzaak van zijn misvorming hem in de doop was vergeven. Maar in zijn strijd tegen dit verstorende element (van de erfzonde) vreesde hij erdoor overweldigd te worden. Liever dan nog een lange tijd tevergeefs te worstelen, gaf hij er de voorkeur aan helemaal geen vijand meer te hebben. Daarom zei hij: ‘Ik ellendig mens! Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood? Dat doet God!’ Dank aan Hem door Jezus Christus, onze Heer.’ Paulus wist dat wij genezen zijn van de activiteiten van onze wellust door de genade van Hem, die ons genezen heeft van de oorspronkelijke schuld (erfschuld) door opnieuw geboren te worden’.

In de theologie van Augustinus worden de woorden ‘vergeving’ en ‘heling’ vaak gebruikt, maar het woord ‘bevrijding’, het verlost worden van een overheersende macht, wordt genegeerd, ja dit begrip wordt weggeredeneerd en vervangen door ‘vergeving’ of ‘genezing’. Daarom is de conclusie van Augustinus in deze passage: 

  • ‘De wet van de zonde is in strijd met de wet van het verstand, wat ook in het leven van de grote apostel merkbaar was. Daarom is de vergeving van zonden niet met de doop beëindigd’.

Paulus komt echter met de sublieme realisatie:

  • ‘Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn. Want de wet van de geest van het leven heeft u in Christus Jezus vrij gemaakt van de wet van de zonde en de dood’ (Rom.8:1,2).

>>>>>