3. Het hemelse Jeruzalem

<<<<<

Wanneer wij in deze serie over de necropolis en over de hemelstad spreken, gebruiken wij beelden die ontleend zijn aan de antieke wereld. Men zag de heldere sterren boven zich en situeerde in ‘de hoogste hemelen’ of in ‘de hemel van de hemelen’ de woonplaats van God. Beneden was de aarde als een plat vlak omgeven door de oerzee. In het Oude Testament was men onbekend met het burgerschap van de mens in de hemel: ‘De hemel is de hemel van de Heer, maar de aarde heeft Hij aan de mensen gegeven’ (Ps.115:16).

Onder het oppervlak van de aarde was de Hades of de onderwereld. Dit simplistische wereldbeeld hebben veel kerkmensen nog steeds. Met vorige generaties zingen zij dierbaar: ‘Boven de starren is ‘t Vaderhuis’ (lied 23 Joh. de Heer). Het firmament is echter de hemel niet, maar er staat: ‘God noémde het uitspansel hemel’ (Gen.1:8). Het hemelse Jeruzalem, waarvan God de bouwmeester is, hoort bij de dingen die men met het natuurlijke oog niet kan zien. De apostel schreef daarom: ‘Wij houden onze ogen immers niet gericht op de dingen die men ziet, maar op de dingen die men niet ziet; want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig’ (2 Cor.4:18). Alleen dit onzichtbare Jeruzalem is de eeuwige stad, een geestelijke woonplaats, die opgebouwd wordt uit geestelijke, ‘levende stenen’ dat zijn de geestelijke lichamen van mensen die gelijk zijn aan ‘de levende steen’, Jezus Christus, die op aarde door aardsgezinde, godsdienstige mensen werd verworpen, maar door God werd uitverkoren als hoeksteen van de hemelse tempel (1 Petrus 2:4,5). Wie als ‘burger van een rijk in de hemelen’ de dingen bedenkt die ‘boven’ zijn en niet die ‘op de aarde’ zijn, houdt zich niet bezig met het aardse Jeruzalem maar met het hemelse. Het hemelse Jeruzalem is de stad van de geestelijke christenen. Hier verzamelt Jezus zijn volk zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels, dus hen die de Vader Hem gegeven heeft, namelijk die in Hem en in zijn woord geloven.

Hagar en Sara – twee verbonden

Het geestelijke Jeruzalem is de metropolis of moederstad van het hemelse vaderland. Het is opgebouwd uit levende stenen, dus uit opnieuw geboren en Geestvervulde mensen. ‘Dit hemelse Jeruzalem is onze moeder’ (Gal.4:26). Vanuit deze stad worden de gemeenten op aarde bestuurd en ontvangen zij hun instructies. ‘Laat u daarom als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis’. Er is een ontwikkeling in de stad van de levenden: zij wordt uiteindelijk één grote tempelstad, de woonplaats van God in de geestelijke wereld (Ef.2:22). Eenmaal zal God daar zijn: alles in allen (1 Cor.15:28).

Niet alleen de alles verzamelende Hades wordt voorgesteld als een stad met enorme afmetingen. Ook de heilige stad heeft gigantische maten. In Openbaring 21:16 is sprake van een lengte, breedte en hoogte van 12.000 stadiën, dat is – als we de Griekse stadie op 180 meter stellen – 2160 km, een afstand van Amsterdam naar Bulgarije. De stad zou tegen de helling van de hemelse berg Sion gebouwd zijn met een hoogte van 2400 maal die van de Mount Everest. Echt, deze berg Sion is verheven boven de hoogste van de bergen… (Jes.2:2)! Wij hebben hier met een symbolische berg en een symbolische stad te doen, die zo groot is, dat zij ontelbare menigten uit alle volken in zich kan opnemen. Van deze bergstad reikt de top tot in het bovenste van de hemel.

Vergelijk als contrast hiermee de occulte tempeltoren van Babel, waarvan de top tot de hemel moest reiken (Gen.11:4).

Een vierkant als beeld van de volmaaktheid

Net als de necropolis heeft het hemelse Jeruzalem een muur met poorten. Het grondvlak van deze stad is een vierkant als beeld van de volmaaktheid. Elke kant telt 3 poorten, die ook een symbolische betekenis hebben in het rijk van God. In de natuurlijke wereld zouden de drie poorten minstens 500 km van elkaar verwijderd zijn en zou men terecht van een ontoegankelijke stad kunnen spreken. Op de poorten staan de namen van de 12 stammen van het Israël van God, die alleen toegang geven aan de besnedenen van hart: ‘Want Jood is men niet door zijn uiterlijk en de besnijdenis is geen lichamelijke besnijdenis. Jood is men door zijn innerlijk en de besnijdenis is een innerlijke besnijdenis. Het is het werk van de Geest, niet een voorschrift uit de wet’ (Rom.2:28,29).

Het vol-Joodse Jeruzalem is tegelijkertijd de stad van de volken, want ‘de Filistijn, de Tyriër, de Moren, zijn binnen u, o Godsstad, voortgebracht’. Hun eenheid rust op het fundament van de muur van de stad, namelijk op de leer van de 12 apostelen. De tienduizendtallen engelen en de gemeente van de eerstgeborenen vormen daar een feestvierende menigte, zoals in de tijd van David, toen deze de ark binnen de poorten van de koningsstad voerde. ‘Dan zullen allen in reidans (rondedans) zingen: ‘In u is mijn woning (Ps.87:7 Can. Vert.).

Het komende paradijs

Veel uitleggers hebben moeite met de troostrijke woorden van Jezus tot de misdadiger aan het kruis: ‘Ik verzeker je: nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn’ (Luc.23:43, Het Nieuwe Testament met commentaar). Om moeilijkheden in de uitleg te vermijden, lezen sommige: ‘Ik zeg u vandaag: u zult met mij in het paradijs zijn’. Dit is niet meer dan een uitvlucht, want men kan dan net zo goed het woord ‘vandaag’ weglaten. De Joden geloofden wel in afzonderlijke verblijven in de onderaardse Hades voor rechtvaardigen en goddelozen, maar het oord van de verkwikking, de schoot van Abraham, heette bij hen nooit ‘paradijs’. Dit beeld gebruikten zij om een toekomstige, bovenaardse wereld aan te duiden. De gelukkige misdadiger kwam echter allereerst met Jezus in de necropolis.

Hij werd door engelen gedragen in Abrahams schoot. Daar was ook water, dat gedronken kon worden, want Lazarus kon zijn vinger erin dopen. Dit water doet ons denken aan de levensrivier, al was het maar een zwak stroompje. Het paradijs stelde dan de gestorvenen voor als bomen en planten in een winterslaap, maar waarvan de wortels nog altijd vol hoop waren uitgeslagen naar het levenswater. Er was daar geen ontwikkeling en groei. Allen die zich daar bevonden, waren ‘de dood gestorven’ (Gen.2:17 St. Vert.). De rechtvaardigen en heiligen, die van Adam tot Christus leefden, zagen daar als dorre bomen uit naar de lente, dus naar de dag van de opstanding. Dan zouden ze ontwaken. Dit gebeurde, toen Jezus na zijn sterven als dé Boom van het Leven met rijke vruchten en volle bladeren zich bij hen voegde. Toen woei de lentewind door de dodenhof en het paradijs herleefde.

De levensrivier

Bij de hemelvaart van onze Heer werd het paradijs overgeplant in het centrum van de heilige stad, waar de levensrivier ontspringt uit de troon van God. Zij die op aarde overwinnaars zijn in hun strijd tegen de boze geesten in de lucht, zullen ook ‘eten van de Levensboom, die in het paradijs van God is’. Zij vormen ‘het levensgeboomte aan weerszijden van de rivier’, want zij zijn gelijk geworden aan de Levensboom.

  • ‘Aan de oevers van de rivier zullen allerlei vruchtbomen opkomen, waarvan de bladeren niet zullen verwelken en de vruchten niet zullen opraken; elke maand zullen ze vrucht dragen. Het water stroomt immers uit het heiligdom. De vruchten zullen eetbaar zijn en de bladeren geneeskrachtig’ (Ez.47:12; Op.22:1-5).

De priesterprofeet Ezechiël had de tempel met de stromende beek niet beschreven, zodat eenmaal een natuurlijk Israël dit op aarde zou realiseren, maar opdat het ware, geestelijk volk van God zich ermee zou bezighouden, om de geestelijke waarden ervan te begrijpen en zich tot eigendom te maken. Juist omdat de tempel waaruit de Godsrivier stroomt, nooit op aarde gebouwd zou worden, werden de gelovigen gedwongen tot het bedenken van de dingen die boven zijn. Zij moesten ‘nameten’ of ‘naspeuren’ op welke of wat voor tijd de Geest van Christus in hen doelde (1 Petr.1:11). Dit deed de apostel Johannes, toen hij in Openbaring 21 en 22 een nieuwe expressie gaf aan het oude tempelvisioen.

Wanneer na de grote dag van de opstanding het hemelse Jeruzalem op aarde neergedaald is, wijst de vrucht van het geboomte van het leven op het eeuwige evangelie van het Koninkrijk van de hemelen, dat aan de bewoners van de nieuwe aarde gebracht zal worden door de gemeente van Jezus Christus. De Hades zal immers de doden teruggeven, die bij de goede mensheid hoorden en wier namen waren geschreven in het Levensboek. De bladeren wijzen op de ontplooiing van de geestelijke gaven, waardoor allen die beschadigd ingingen en ‘als door vuur heen’ werden gered, nog volkomen zullen herstellen en zich ontplooien (1 Cor.3:15; Op.22:1,2). Zij perken dan de hof af als borderbloemen en sierstruiken.

De diepten van God

Wanneer wij over de eeuwige toekomst van de christen schrijven, denken wij aan de woorden van de apostel: ‘Want de Geest doorgrondt alles, ook de diepten van God’ (1 Cor.2:10). De diepten van God zijn zijn diepste gedachten met betrekking tot het herstel en de verheffing van de mens voor wie de woorden van Jezus gelden: ‘Wie overwint zal samen met mij op mijn troon zitten, net zoals ik zelf overwonnen heb en samen met mijn Vader op zijn troon zit’ (Op.3:21). De troonverwervers helpen mee om de allerdiepste gedachten van God te realiseren, namelijk dat de hele schepping verlost en hersteld wordt en dat God alles in allen zal zijn.

De diepten van satan

In Openbaring 2:24 wordt over ‘de diepten van de satan’ gesproken, want deze hebben het duivelse plan gecreëerd om de geestelijke ontwikkeling van de mens te verhinderen. Ook hiervan moeten wij op de hoogte zijn, zoals Paulus sprak: ‘Want zijn gedachten zijn ons niet onbekend’ (2 Cor.2:11). De tegenstander van God wil niet dat wij opstijgen om de wolkenformaties te vormen waarmee de Mensenzoon verbonden is. Daarom voert hij ‘die het geweld van de dood heeft’ de mens na zijn sterven naar de dodenstad om hem te beletten omhoog te stijgen. Zo had de apostel al tijdens zijn leven een engel van satan in zijn nabijheid, ‘zodat hij zich niet te zeer zou verheffen’. Voor het hemelse Jeruzalem geldt dat deze stad van de levenden hoort bij ‘alles wat God bereid heeft voor degenen die Hem liefhebben’. De necropolis met de Tartarus of afgrond is echter door het beest uit de zee en de antichrist gecreëerd, die erop uit zijn om het leven van de mensen te ontbinden en te vernietigen. Bij allen die in de lichtzijde van de Hades en in het Levensboek geschreven zijn, heerst alleen dit verstijvende doodsklimaat, dat door de doodsengelen, de cipiers van de gevangenis, veroorzaakt wordt.

Het einde van de satan, zijn demonen en hun ontelbare aardse helpers

Aan de andere kant van de ‘onoverkomelijke kloof’ bevinden zich in de Tartarus de doden, die tijdens hun leven op aarde, ‘mensen waren, die de duisternis liever hadden gehad dan het licht’ (Joh.3:19). Zij hadden zich zo aan de demonen gehecht, dat ze bij het sterven deze demonen, met wie ze zich één voelden, meetrokken naar de afgrond. Daar zijn ook de onreine geesten, die door Jezus en zijn volgelingen werden uitgedreven. Die zijn op de plaats van pijniging gekomen vóór hun tijd (Matth.8:29). Op hen is het stempel van de vernedering en onderworpenheid gedrukt en de satan kan en wil zijn aardse helpers – die hem aanbaden en dienden (Op.20:15) – niet meer in zijn dienst hebben. Zij wachten daar de tijd af, dat de zonen van God ook hén zullen oordelen. Het is daarom voor ons hoog tijd om de opdracht van Jezus te vervullen: ‘Drijf demonen uit’. Deze gebonden demonen kunnen niet meer opgeroepen worden want er staat: ‘Wat je op aarde bindt, zal gebonden zijn in de hemelen’, dus ook in de onzienlijke wereld van de Hades gebonden blijven.

Zoals er in de heilige bergstad van het nieuwe Jeruzalem verschillende niveaus van gelukzaligheid zijn en allen omhoog stijgen, zo zijn er in de afgrond verschillende krochten en sferen, die zich alle naar ‘het hart van de aarde bewegen’. Jezus sprak over de vurige oven, het onuitblusbaar vuur, de diepten van de zee, allemaal beelden om de concentratie aan te duiden van de gevallen engelen en alle mensen die hen op aarde bewust hadden aanbeden. Zij heet de plaats van pijniging, omdat de demonen hun activiteiten en lusten niet meer kunnen botvieren op de mens. Zij is de plaats van de pijniging voor de verlorenen, omdat de met hen verbonden geesten de begeerten en lustgevoelens van het zondigende vlees niet meer kunnen opwekken en bevredigen, terwijl ze toch in de sfeer van de boze geesten moeten verblijven. Het einde van de heilloze, aflopende weg van de ongehoorzamen en goddelozen is ‘de poel, die brandt van vuur en zwavel’.

Het vuur duidt de aanwezigheid van de duivelen en hun aardse aanbidders aan en de zwavel wijst op hun principe van slechtheid, ongerechtigheid en onreinheid. De zwavel voedt het vuur, zoals de ongerechtigheid en wetteloosheid de bron vormen van de existentie van de demonen.

In het evangelie is de hel voor de mens maar een randverschijnsel. Jezus brengt deze situatie nooit in verband met hen, die het evangelie niet kenden, maar wel als een waarschuwing aan allen, die zijn woorden hoorden, maar er niet op ingingen (of het beter wisten). Hij sprak over de toestand waar hun worm niet sterft en het vuur (de pijnigende demonen) niet wordt uitgeblust, dus niet ophoudt te bestaan. Daar is het gejammer en het tandengeknars van verachters van de goede boodschap. Het onkruid dat tussen de tarwe opgroeide, wordt bij elkaar gebracht om het in bossen te binden en te verbranden (Matth.13:30). Tot de onbarmhartige en egoïste mensen zal Hij eenmaal zeggen: ‘Ga weg van Mij, jullie vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is’ (Matth.25:41). Vervloekt is de mens, die vrijwillig verbonden is met de demonen. Hij is dan niet door hen overweldigd, maar door eigen keuze één geest met hen geworden.

We merken op dat hier niet staat dat het eeuwige vuur door God gemaakt is. Het is door het beest uit de zee en de antichrist zelf gecreëerd. Alleen het hemelse Jeruzalem is door God gebouwd. In beide gevallen is er sprake van een proces. Wie tot God nadert, ervaart dat God steeds meer tot hem nadert. Hij krijgt dan steeds groter deel aan de erfenis van de heiligen in het licht. Wie echter het evangelie van de zoon ‘ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem’ (Joh.3:36). Satans demonen vormen de toorn van God. De mens wordt dan aan de onreine geesten overgeleverd tot eigen verderf (Rom.1:21-28). Het betekent een ‘eeuwig verderf, ver van de Heer en van zijn kracht en majesteit’ (2 Thess.1:10). De stad van het leven vertoont een ontwikkeling, waarin God alles in allen zal zijn. De stad van de dood doet ons een proces zien in tegenovergestelde richting. Daar wordt de duivel alles in allen. Daarom kiezen wij in plaats van de dood het leven:

  • ‘Wie dorst heeft, komt en neemt het levenswater gratis’ (Op.22:17).

>>>>>