
Openbaring 9:1-3
De vijfde bazuin
‘En de vijfde engel blies op de bazuin en ik zag een ster, uit de hemel op de aarde gevallen. En hem werd de sleutel van de put van de afgrond gegeven. En hij opende de put van de afgrond en er steeg rook op uit de put als rook van een grote oven. En de zon en de lucht werden verduisterd door de rook van de put’ 1,2.
Het is goed om te zien dat er tegenwoordig ook christenen zijn die zich bezighouden met de strijd in de hemelse gewesten. Toch bevatten de woorden ‘hemelse gewesten’ nog niet het volledige terrein van de geestelijke wereld waar satan opereert. In Efeziërs 6:12 is er behalve van demonen in de hemelse gewesten, ook sprake van de wereldbeheersers van deze duisternis. Het aanwijzende voornaamwoord ‘deze’ duidt aan, dat dit domein nauw met de aarde verbonden is. In de Openbaring stelt de zee (naast het dodenrijk) ook de geestelijke en godsdienstige wereld van mensen voor. Zij is het beeld van het geestelijke leven dat onder de autoriteit van de duisternis staat en in het bijzonder onder die van Dood hemzelf en de cipiers van zijn gevangenis. Zee en aarde horen bij elkaar, zoals het geestelijke en het natuurlijke leven samen het bestaan van de mensheid vormen. In onze verzen is sprake van de ‘Abussos’ of ‘Tartarus’, de onpeilbare afgrond. Ook hier wordt de zee als beeld genomen. Zoals in een oceaan bijna onmeetbare, duistere diepten zijn van bijna 11 km, zo bevindt zich in deze geestelijke zee de afgrond, waarin de sterkste demonen van het dodenrijk huizen.
Apóllyon, de verderver

De koning van dit sinistere rijk heet Apollyon of Verderver. Hij is de koning van de afgrond, die als verderver al de eerstgeborenen in Egypte doodde en daarvan als verderfengel gesproken wordt, die de mopperende mensen in de woestijn uitroeide (Ex.12:23; 1 Cor.10:10). Hij werd na de zondvloed als eerste opgeroepen bij de torenbouw van Babel en Nimrod, de mensenslachter, werd in die dagen zijn grootste aanbidder.
Noach vervloekt Kanaän

Zoals in de diepzeetroggen volslagen donkerheid heerst, zo wordt ook dit rijk de diepste duisternis genoemd. Hier is de Hades (onzienlijke wereld), het dodenrijk, waar geen licht en geen leven voorkomen. Wanneer de apostel over de opstanding van Christus spreekt, gebruikt hij voor de dood het beeld van de afgrond (Rom.10:7). Jezus beeldde het lot van een goddeloze uit, die een kind tot zonde verleidde, met de woorden: ‘Wie een van deze kinderen die in mij geloven van de goede weg afbrengt, die kan maar beter met een molensteen om zijn nek in zee geworpen worden en in de diepte verdrinken’ (Matth.18:6).
De vraag is nu op welke manier deze demonen in de afgrond kwamen. De bedoeling van satan is om het plan van God te doorkruisen. God heeft de mens bestemd om op zijn troon te zitten. Omdat de mens met God gemeenschap krijgt, wordt de gemeente voorgesteld als de toekomstige vrouw van God. Deze is geest en schonk aan de mensen een geest: ‘Die aan de mensen, die op aarde wonen, de adem gaf en de geest aan hen die daarop wandelen’ (Jes.42:5). Die ‘de geest van de mensen in diens binnenste formeert’ (Zach.12:1). De mens is geen geest, maar een levende ziel, die een geest bezit, die hem tot zeer hoge ontwikkeling kan brengen. Dit in tegenstelling tot de levensgeest van planten en dieren. Daarom kan gezegd worden: ‘De geest, die Hij in ons deed wonen, begeert Hij met jaloersheid’ (Jac.4:5). Het huwelijk is een beeld van de gemeenschap van God met de geest van de mens.
Engelen hebben ten opzichte van de mensen een dienende taak. Goede engelen zijn altijd begeleiders, maar nooit inwoners. Wanneer engelen echter gemeenschap met de mens hebben en illegaal in hem wonen, worden zij aan hun oorsprong (God) ontrouw en verlaten zij hun eigen woning, de hemelse gewesten of onzienlijke wereld (Judas 6). Door deze overheersing probeert satan de troon van God te bereiken, maar hij brengt de mens op de ‘brede weg’ naar het verderf. Bij het sterven wordt de innerlijke mens, die zich vrijwillig met een satanische geest heeft verbonden, naar de diepte van de afgrond getrokken. Hij boet daar met een eeuwig verderf, ver van het aangezicht van de Heer en van de heerlijkheid van zijn sterkte (2 Thess.1:9).
Wij merken nog op dat het niet de bedoeling van de machten van de duisternis is om met de mens naar het dodenrijk te gaan, want in deze gevangenis kunnen zij geen enkele activiteit meer ontplooien. Ze willen daarom hun prooi vóór het sterven loslaten om een ander ‘huis’ ter inwoning te zoeken. Alleen wanneer de mens de duisternis liefheeft en haar niet wil loslaten, is de macht gedwongen met de innerlijke mens van de stervende naar het dodenrijk te gaan.
De zondvloed

Tijdens de zondvloed waren er +/- 18 miljard mensen met de boze geesten (met wie zij verbonden waren) op deze manier in de afgrond of het dodenrijk terecht gekomen: ‘Immers, God heeft zelfs engelen die gezondigd hadden niet gespaard maar hen in de Tartarus geworpen. Daar, in de diepste duisternis, blijven ze opgesloten om hun vonnis af te wachten. Ook heeft hij de wereld uit de voortijd niet gespaard; alleen Noach, de heraut van de rechtvaardigheid, liet hij met zeven anderen in leven toen hij de watervloed over die wereld vol zondaars liet komen’ (2 Petrus 2:4,5).
Door de boodschap van het eeuwig evangelie wordt de mens al tijdens zijn leven de gelegenheid geboden om van de macht van de duisternis te worden verlost. Hij kan worden overgebracht naar het Koninkrijk van Gods geliefde Zoon, in wie wij de verlossing (losmaking van de band met satans demonen) hebben (Col.1:13,14). In het dodenrijk is de mens niet meer in staat om zijn slechte werken in de zichtbare wereld te promoten. Zowel de slechte demon als de mens zijn daar samen in de gevangenis (Openb.20:7; 1 Petrus 3:19). Het doel van de demonen is dus om de mens eerst te verleiden en hem dan in bezit te nemen (Genesis 6:1,2). Zij zijn dan verenigd met hun prooi. Jezus scheidde deze onreine geesten van de mens, wierp ze uit en dreef ze zonder prooi naar de gevangenis (Lucas 8:31). Hun speciale pijniging bestond hierin, dat zij zich zonder gemeenschap met de ziel en de geest van een mens in het dodenrijk bevonden. Zij hadden dan het doel gemist, waarvoor zij uitgezonden waren.
Het dodenrijk met zijn afgrond

In het oude verbond was er maar één manier, waarop de boze geesten machteloos gemaakt werden: hun slachtoffers moesten gedood worden. Daarom werden Sodom en Gomorra verwoest en de volken in Kanaän uitgeroeid. Daarom was ook de doodstraf noodzakelijk vanwege ‘zonden tot de dood’. In het nieuwe verbond bestaat de mogelijkheid dat de mens gered wordt, doordat de geesten gebonden en uitgedreven worden in de naam van Jezus op dezelfde manier als Hij dit eenmaal deed. In Judas 6 staat, dat satans demonen voor het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder donkerheid bewaard worden. Zij worden tot het oordeel bewaard (2 Petrus 2:4). De dag van het oordeel betekent het tijdperk van de grote scheiding. Dit is echter nog niet de dag van de veroordeling. In de tijd van het oordeel worden van elkaar gescheiden: bozen en goeden, onkruid en tarwe, valse kerk en ware gemeente. Tot de dag van de Heer blijven de geesten in de afgrond opgesloten, maar bij de klanken van de vijfde bazuin worden hun gevangenisdeuren geopend. Dan stijgen zij op uit de diepte en brengen de duisternis, die met hen verbonden is, op de aarde.
Wij wijzen erop dat de kinderen van God hun wandel in de hemel hebben. Dezen vallen dus niet onder de heerschappij van de overste van deze wereld. Hun taak is om in de hemelse gewesten de slechte engelen te weerstaan, die hen verdrukken of proberen te verleiden en om de slachtoffers van de wereldbeheersers van deze duisternis het evangelie van het herstel te brengen en te bevrijden van de boze overweldigers.
Natuurlijk rijst de vraag: wat is de oorzaak dat deze demonen vrijkomen en waarmee wordt deze gevangenis geopend? In de Bijbel is niet alleen sprake van sleutels van dood en dodenrijk, maar ook die van het Koninkrijk van de hemelen. Om dit Koninkrijk binnen te gaan, is kennis nodig van het wezen en van de wetten in de geestelijke wereld. Jezus verweet de wetgeleerden in zijn dagen, dat zij de sleutel van kennis weggenomen hadden. Zij gingen zelf niet binnen en hielden anderen tegen die probeerden binnen te gaan (Lucas 11:52). De sleutel van de afgrond is de kennis die nodig is om het dodenrijk te openen of af te sluiten. Door aan de mens de sleutels van het Koninkrijk van de hemelen te geven, wijst Jezus de weg om verlost te worden van satans demonen, die hem naar het dodenrijk voeren en onder heerschappij van de dood brengen: ‘Christus Jezus, die de dood van zijn kracht heeft beroofd en onvergankelijk leven aan het licht gebracht heeft door het evangelie’ (2 Tim.1:10).
Johannes zag een ster uit de hemel op de aarde gevallen en haar werd de sleutel van de put van de afgrond gegeven. Wat wordt hiermee bedoeld; wie is deze grote ster? De zon, de maan en de sterren vormen samen de hemellichamen die God heeft gemaakt. De zon wordt in de Bijbel vaak gebruikt als beeld van God:
- In Maleachi 4:2 wordt gesproken over de ‘zon van de gerechtigheid’.
- Jezus wordt in Hebreeën 1:3 de ‘afstraling van God’ genoemd. Hij geeft licht in de duisternis. De maan is daarom een beeld van de Zoon.
- In Filippenzen 2:15 zegt Paulus tegen de kinderen van God, dat zij schijnen als lichtende sterren in de wereld. Een ster is dus een beeld van een geestelijk mens, die bezig is in het Koninkrijk van God.
Als in Openbaring 8:8,9 wordt gesproken wordt over een grote ster, moeten wij concluderen dat het hier gaat om iemand, die zeer groot is in het Koninkrijk van het licht. Met andere woorden, hier wordt een morgenster bedoeld, één van Gods zonen. Deze hooggeplaatste persoon is dus verlicht geweest. Hij heeft genoten van de hemelse gaven en hij heeft volledig deel gehad aan Gods Geest en aan het goede woord van God (Hebr.6:4,5). Als zodanig is hij dus te vergelijken met Lucifer, die destijds de grootste was in de engelenwereld.
Dé antichrist – De ster Alsem (bitter)

De geestelijke val van deze Haman van de eindtijd, loopt volledig parallel met die van Lucifer (vergelijk hierbij de vorst van Tyrus en de koning van Tyrus: Ez.28:1-10 en 28:11-19). Destijds begon het met een kleine verdraaiing van de waarheid, wat gekoesterd en gevoed werd en tenslotte uitgroeide tot openlijk verzet tegen de gedachten van God. Het motief was, dat Lucifer niet langer genoegen nam met de plaats die God aan hem had gegeven, namelijk ondergeschikt te zijn aan de mens. De ‘beschuttende cherub’ werd ongehoorzaam. Hij verhief zich boven zijn toegewezen plaats en stelde zich op als de tegenstander, zichzelf daarmee op Gods niveau plaatsend. Deze ongehoorzaamheid is een van de grootste zonden die begaan kan worden. De Bijbel waarschuwt er voortdurend tegen.
Zonde tot de dood

In onze tekst is dus sprake van de sleutel van de afgrond, die aan een grote gevallen zoon van God gegeven werd, om de schacht van de afgrond te kunnen openen. Het is een verbitterde zoon (Alsem), die de sleutel hanteert. Hij bezit dus de kennis van de toekomende eeuw en gebruikt die om de afgrond te ontsluiten. Deze gevallen zoon inspireert de leer, die zich speciaal bezighoudt met de wetenschap om contact met de doden te krijgen. Occultisme in optima forma. Hierbij is echter geen sprake van verleiding, maar de mens zélf neemt het initiatief om contact te zoeken met de geesten in de afgrond. Daarom is het spiritisme een zonde tot de dood. Het geeft inzicht om op bovennatuurlijke wijze gemeenschap met de geesten van de doden te krijgen.
Vanaf de torenbouw van Babel is de mens op deze manier bezig om toegang te krijgen tot de hemel of onzienlijke wereld (Gen.11:4). Het hele heidendom is op deze zonde gebaseerd. Het is een zonde tot de dood, omdat men zich openstelt voor en overgeeft aan de heerschappij van de leugendemonen in de afgrond. In Israël moest ieder die deze zonde bedreef, onherroepelijk gedood worden: ‘Wanneer een man of vrouw door zich de geest van een dode laat spreken of een waarzeggende geest bezit, zullen zij zeker ter dood gebracht worden; stenigen zal men hen, hun bloedschuld is op hen’ (Lev.20:27).
Vanwege de gruwel van de afgoderij, die altijd tot deze zonde leidt, liet God de volken in Kanaän uitroeien (Deut.18:12). Ook in het nieuwe verbond is sprake van deze zonde tot de dood, waarvoor men niet bidden kan. In dit verband vermaant de apostel: ‘Kinderen, wacht u voor de afgoden!’ (1 Joh.5:21). Alleen het uitdrijven van occulte demonen in de naam van Jezus en door de kracht van Gods Geest kan daadwerkelijk bevrijding geven. In hoofdstuk 12:9 wordt gezegd dat na een strijd in de hemelse gewesten, satan met zijn engelen op de aarde geworpen wordt. Daar vinden wij dan een beschrijving van hetzelfde gebeuren vanuit een andere gezichtshoek.
Natuurlijk heeft satan altijd op aarde geopereerd en zijn er altijd demonen geweest, die de mensen kennis bijbrachten over het dodenrijk, maar in de laatste tijd wil de duivel de kennis over het oproepen van occulte demonen intensiveren. Wij noemen deze demonen occult, omdat zij het klimaat van de afgrond met zich meebrengen. Vergelijk ook slangen met schorpioenen en bergen met eilanden (Lucas 10:19; Op.6:15,16; 9:3,10;16:20). Zo spreekt de apostel er ook van, dat er altijd antichristenen geweest zijn, maar dat in de eindtijd dé eigenlijke antichrist geopenbaard wordt (1 Joh.2:18; 4:3). In de eindtijd zal het gaan om het brengen van het eeuwig evangelie, dat de mens op bovennatuurlijke wijze in staat stelt de kracht en de kennis van Gods Geest te bezitten, tegenover de spiritualistische bende van de antichrist, die op paranormale wijze de krachten van de afgrond ontketent. Als de demonen de afgrond zelf zouden kunnen openen, hadden zij dit allang gedaan. Zij hebben echter de mens als ‘medium’ nodig om hun doel te bereiken. Waar Jezus Christus door het brengen het eeuwig evangelie de mens opdracht geeft de machten in de afgrond te werpen, daar wil het spiritisme het tegengestelde.
Occultisme

In het spiritisme met zijn talrijke schakeringen, wordt geleerd dat verkeer en contact met de geesten van de gestorvenen mogelijk is. Het is de sleutel van kennis om de machten te ontketenen, die de natuurlijke mens niet kent. Het bedrog zit hierin, dat men meent contact te krijgen met menselijke geesten, maar slechts geconfronteerd wordt met de demonen met wie zij verbonden waren of eventueel met andere geesten, die zich voor de gestorvenen uitgeven. Tegenover de doop en de vervulling met Gods Geest, waardoor de krachten van de toekomende eeuw zich openbaren, staat deze ontbinding en losmaking van de geesten uit de afgrond. Bij de vijfde bazuin wordt de mensheid op bijzondere wijze gedemoniseerd. De rook die uit de put opsteeg, wijst op de onzuiverheid van deze geestelijke wereld. De tegenstelling met de verschijning van Jezus Christus is opmerkelijk. De Heer komt in wolken in heerlijkheid, maar deze machten zijn zwart van ongerechtigheid. De verschijnsels die hen begeleiden, bemoeilijken en verstikken alle leven. Zij verduisteren in de geestelijke wereld de zon en het firmament, zodat ieder uitzicht op de hemelse gewesten, waar de heerlijkheid van God zich manifesteert, belemmerd wordt.
‘En uit de rook kwamen sprinkhanen op de aarde en hun werd macht gegeven, zoals de schorpioenen van de aarde macht hebben’ 3.
De demonen die met de rook uit de schacht van de afgrond opstijgen, worden uitgebeeld door diersoorten, waarvan de kenmerkende eigenschappen overeenkomen met de aard en het gedrag van deze onreine geesten. Het oordeel dat bij de vijfde bazuin over de aarde gaat, wordt vergeleken met een sprinkhanenplaag, zoals deze in de zichtbare wereld voorkomt. Het visioen is als een film die afgedraaid wordt. Eerst ziet Johannes het geheel als een opstijgende rook. Daarna merkt hij de onderdelen op. Bij de close-up neemt hij alles van dichtbij waar en deze wolk blijkt een leger van sprinkhanen te zijn. De gedaanten ervan kan hij tot in de finesses in zich opnemen. In tegenstelling tot dit duivelse leger ziet Johannes later een witte wolk en daar zat iemand op als een Mensenzoon met een gouden kroon op het hoofd (14:14). De close-up volgt in Openbaring 19:11-16, waar bij nadere beschouwing deze wolk de hemelse legers voorstelt, die als ruiters het Woord van God vergezellen op zijn overwinningstocht.
Als rook uit een grote, brandende oven verspreidt zich het verderf uit de afgrond over de hele aarde. Ontelbare, occulte demonen (met het klimaat van de afgrond) proberen systematisch alles wat leeft te vernietigen. Hun aanwezigheid ligt als een verstikkende, vergiftigende druk op de mensheid. De gemeente van de antichrist is een spiritistische organisatie en onder haar invloed wordt deze massale invasie van geesten uit de afgrond opgeroepen. Dan geeft God de mens over aan deze demonen, die de mens zelf deed opkomen. Er staat immers: ‘Hun werd macht gegeven’. In Romeinen 1:24 wordt gezegd, dat God de mensen in hun hartstochten aan onreinheid overgegeven heeft, of schandelijke lusten (26), of aan een verwerpelijk denken om te doen wat niet hoort (28). De uitwerking van deze plaag wordt vergeleken met die van de schorpioenen. Over dit spinachtige ondier schrijft de christelijke encyclopedie onder andere:
- ‘Deze beschrijving is duidelijk in al haar afschuwelijkheid. De demon die langs de weg van het spiritisme opgeroepen wordt, krijgt zijn slachtoffer volkomen in zijn greep. Deze wordt als het ware gebiologeerd door de grote, duistere ogen. Dan verlamt dit nachtdier zijn prooi.’
Het is een duidelijke beschrijving van het lot van de paranormale mediums en andere spiritisten, die niet meer in staat zijn zich normaal te gedragen en die geestelijk zowel als lichamelijk uitgeput worden door de duivelse geesten uit de afgrond van het dodenrijk. Tegen deze vloedgolf van geesten uit de afgrond helpen geen dogma’s of kerkelijk formulieren. Deze ‘gruwel van verwoesting’ bewerkt mede de ondergang van Babylon, de valse kerk. Alleen zij die in Gods Geest gedoopt zijn en die het zegel van God op het voorhoofd hebben, kunnen door de kracht van de Geest op bovennatuurlijke wijze strijden en weerstand bieden in deze kwade dag. Zij worden in de oorlog sterk en behalen de overwinning (Hebr.11:34).