
Openbaring 20:12,13
‘En ik zag de doden, klein en groot, voor God staan. En de boeken werden geopend en nog een ander boek werd geopend, namelijk het levensboek. En de doden werden geoordeeld naar wat in de boeken geschreven stond, naar hun werken. En de zee gaf de doden die in haar waren. Ook de dood en het rijk van de dood gaven de doden die in hen waren en zij werden geoordeeld, ieder naar zijn werken’ 12,13.
Johannes ziet hoe de gestorvenen van alle eeuwen (behalve zij die deel hadden aan de eerste opstanding), uit het dodenrijk worden losgelaten. Van Christus Jezus (Jezus met zijn gemeente), wordt gezegd, dat Hij de levenden en de doden zal oordelen (2 Timo.4:1). Op dit tijdstip zijn de levenden al allemaal geoordeeld, nu volgen de doden. Zo wordt vervuld: ‘Er komt een moment dat allen die in de graven zijn (in het dodenrijk) naar Zijn stem zullen horen. Zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade gedaan hebben, tot de opstanding ten oordeel’ of (tot de opstanding van de verdoemenis) zoals een oude Statenvertaling luidt (Johan 5:28,29).
Dat Jezus met zijn gemeente bij dit oordeel betrokken is, blijkt uit de woorden die Jezus vooraf liet gaan: ‘En God heeft Hem macht gegeven om te oordelen, omdat Hij Mensenzoon is’. Opmerkelijk is dat hier niet wordt gesproken over dé Mensenzoon, net als in Openbaring 1:13 en 14:14. Bedoeld wordt dat Jezus macht heeft om te oordelen, omdat Hij (een) zoon van de mensen is (verg. Hebr.2:5-8). Bij de opstanding moet de dood zijn prooi loslaten en worden ziel en geest van alle doden geopenbaard. Daniël schreef over deze laatste opstanding: ‘Velen van hen (dus niet allen, want er is ook een eerste opstanding van degenen die in Christus ontslapen zijn), die slapen in de aarde in het stof, zullen ontwaken, sommigen om eeuwig te leven, anderen om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd’ (Daniel 12:2). Dezelfde tegenstelling horen wij in de woorden van Jezus: ‘En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven’ (Matth.24:1; 25:1-46).
Het gaat bij het laatste oordeel om deze twee eeuwige tegenstellingen. Voor de verdoemden is een tweede kans (een verandering van situatie) uitgesloten. Wij verwerpen de leer van de ‘Alverzoening’, omdat er geen enkele reden is te geloven dat een mens of een engel, die bewust de gerechtigheid of ook het evangelie van Jezus Christus heeft verworpen, dit later (in het dodenrijk) wél zal aanvaarden. Welk evangelie zou God aan de duivel of aan de verharde mens moeten brengen om hem tot een ander inzicht te brengen? Voor beiden geldt: ‘Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht zijn geweest en daarna afgevallen zijn, weer opnieuw tot bekering te brengen’ (Hebr.6:4-6).
De vuurpoel. Als eerste gestalte gekregen door Apollyon en dé antichrist

Jezus is wel ‘neergedaald’ is in het dodenrijk, maar Hij is nooit in de vuurpoel geweest. Deze plaats of ‘situatie’, ontstaat pas wanneer de antichrist (het beest uit de aarde) en Apollyon (het beest uit de zee), als eersten levend naar hun zelfgecreëerde vuurpoel vluchten. Dit ‘terrein’ ligt dus buiten Gods genade en schepping. De enkel goede God schept geen vuurpoel! De satan, zijn demonen en hun massa’s aanbidders op aarde (mensen Op.11:10), creëren’ dit zélf. Zij geven allen gestalte aan hun zelf gekozen, buitenste duisternis (Op.20:8). Zij aanbaden het kwaad. Er is daarom in de hele kosmos geen plaats meer voor deze fanatieke Godhaters. Zij blijven een eeuwig afgrijzen voor alles wat voor God leeft (verg. Daniël 12:2b).
Hemel en aarde vluchtten
Met ‘klein of groot’ wordt klein of groot in de gééstelijke wereld bedoeld. Dit heeft alles te maken met de goede, rechtvaardige en barmhartige werken die de mensen gedaan hebben. Het gaat hier dus niét over de verlorenen die met grotere of kleinere machten onlosmakelijk waren verbonden. Zij staan niet voor de troon van God, maar vluchten zelf mét de demonen ogenblikkelijk naar de vuurpoel.
Jezus zei:
- ‘Maar wie groot wil worden onder u, zal uw dienaar zijn; en wie onder u de eerste wil zijn, zal slaaf van allen zijn’ (Marcus 10:43,44).
- In Mattheüs 5:19 wordt gezegd: ‘Wie dus ook maar een van de kleinste van deze geboden afschaft en aan anderen leert datzelfde te doen, zal als de kleinste worden beschouwd in het koninkrijk van de hemelen, maar wie ze onderhoudt en dat aan anderen leert, zal in het koninkrijk van de hemel in hoog aanzien staan.’
- ‘Zo is er niemand opgestaan in het oude verbond, die groter is dan Johannes de Doper, maar de kleinste in het Koninkrijk van de hemelen (die dus deel heeft aan de eerste opstanding) is groter dan hij’ (Matth.11:11).
Er wordt gezegd dat de doden voor de troon ‘staan’, dus verrezen waren en aan een opstanding moet worden gedacht. De goddelozen konden niet ‘staan’ voor de Mensenzoon. Zij waren het niet waard (Lucas 21:36). Ook wordt vermeld vanwaar de doden komen. Allereerst wordt de zee genoemd, tegelijkertijd met de dood en het dodenrijk. De zee is hier de verzamelnaam van het religieuze leven van de mensen. In deze zee zijn ook de wetteloze en ontbindende demonen.
De lichtzijde van het dodenrijk en de afgrond

De ware gelovigen stijgen bij hun nieuwe geboorte op uit de zee, om als een wolk hun plaats in te nemen in de hemelse gewesten. Bij hun sterven zien zij de dood niet, maar nemen, losgemaakt van de aarde, hun intrek bij de Heer, die met de wolk verbonden is (2 Cor.5:8 en Op.14:14). Iemand ‘als een Mensenzoon’ is daar verbonden met de verloste zonen van de mensen!
Zij die géén deel aan Christus hadden, verloren bij het sterven hun band met de natuurlijke wereld, de aarde, en bleven in de zee achter. Zij waren tijdens hun aardse leven al in de dood en blijven daar ook ná hun sterven. Hoe meer de mens contact met de onreine demonen heeft gehad, des te verder zinkt hij weg in de diepte van de zee, de afgrond, waar absolute duisternis heerst.
Het bovenste gedeelte van de zee kent nog enig licht en lucht, dus nog leven. Zo zijn de oudtestamentische gelovigen niet opgestegen tot de wolk in het Koninkrijk van God. Zij hoorden niet bij de gemeente van Jezus Christus, maar werden ook niet neergetrokken in de diepten van de bodemloze afgrond. De zee stelt dus de verblijfplaats voor van de doden, die geen deel hadden en hebben aan het nieuwe verbond. Het dodenrijk is geen plaats, maar een geordende verzameling van geesten onder aanvoering van Dood, de grootste gevallen seraf en koning van het dodenrijk. De ‘doodsmachten’ (gevangenisbewaarders), houden de zielen en geesten, dus de innerlijke mens, in de zee vast, maar bij de opstanding moeten zij hun prooi loslaten.
In het beeld dat de apostel ziet, worden de boeken geopend. Het zijn de boeken van de doden waarin de namen en werken zijn opgesomd die tot veroordeling leiden, maar er is ook een Levensboek, waarin de namen en de werken staan van hen, die niet in de vuurpoel worden gegooid, omdat deze doden nog leven claimen. Zij waren in het dodenrijk aan de goede kant van de onoverbrugbare kloof.
De massa’s strafboeken van de satan

De inhoud van deze boeken wordt gebruikt als aanklacht om de veroordeling te rechtvaardigen. Er blijken dus ontelbare dossiers te zijn, waarin minutieus alle strafbare feiten van de doden zijn opgetekend. Maar wie heeft dit allemaal genoteerd? Wie heeft er zo’n enorm belang bij dat geen enkele verkeerde daad door de vingers wordt gezien? Als wij ons dit voorstellen als een zaak van de rechtbank, dan is het logisch dat de rechter niet de aangewezen persoon is om tegelijkertijd als aanklager te fungeren. In een (normaal) strafproces, zijn rechter, aanklager en verdediger aparte figuren. De rechter is degene die in naam van de wet spreekt, hier dus God, van wie de wet is uitgegaan. Het is daarom een onlogische gedachte dat Hij steeds in actie zou komen om elke kleine of grote overtreding van de mens onmiddellijk te registreren. Hieruit zou immers ook volgen dat de duivel deze boeken zou mogen inzien en er gebruik van zou mogen maken om de mens bij God aan te klagen. Deze accurate boekhouding schrijven wij alleen toe aan satan, want alleen hij heeft er belang bij dat de mens voor eeuwig verloren gaat. Van God staat echter dat Hij wil dat alle mensen worden behouden: ’God laat immers continu zijn ogen over de aarde rondgaan en wil iedereen helpen die Hem met heel zijn hart wil dienen’ (2 Kron.16:9; 1 Tim.2:4).
Wij moeten God geen slechte dingen toeschrijven. Hij is heilig en heeft geen enkele gemeenschap met het kwaad en houdt er ook geen aantekening van. De duivel speurt echter op zijn omzwervingen de aarde af, om slechte daden te noteren. God vroeg hem bijvoorbeeld: ‘Heb jij mijn knecht Job ook gezien?’ (Job 1:8). God heeft namelijk alleen een levensboek en daarin stond Job hoog genoteerd. Uitdrukkelijk wordt in de Bijbel vastgesteld dat de mens die zondigt, zich in dienst stelt van de satan: ‘Wanneer u zich als slaaf in iemands dienst stelt, weet u toch dat u hem moet gehoorzamen? Wanneer u de zonde dient, leidt dat tot de dood; wanneer u God gehoorzaamt, leidt dat tot vrijspraak’ (Rom.6:16).
Adam en Eva

‘Wanneer je daarvan eet, zal je onherroepelijk sterven’ (Gen.2:17).
Er is een wet in de geestelijke wereld dat elke overtreding en ongehoorzaamheid rechtmatige vergelding ontvangt (Hebr.2:2). Daarmee maakte het eerste mensenpaar al kennis, toen God waarschuwde: ‘Wanneer je daarvan eet, zal je onherroepelijk sterven’ (Gen.2:17). De duivel keert loon uit aan allen die voor hem werken. Hij is een werkgever die niets onbetaald laat. Wetteloosheid wordt beloond met wetteloosheid: met ellende, pijn, angst en dood, dus met de sfeer van het rijk van de duisternis. Vergelding, wraak en straf horen bij het loon dat de duivel uitkeert. Van de notities die hij in zijn boeken maakt, zou men dus kunnen zeggen dat zij loonstaten zijn. Van God staat dat Hij de zonden, die tevoren onder zijn verdraagzaamheid gedaan zijn, heeft laten geworden (Rom.3:25). Wanneer God het gedane kwaad toegelaten heeft, kunnen wij ons moeilijk voorstellen dat Hij er tegelijkertijd nauwkeurig aantekening van hield, temeer omdat het in zijn goddelijk raadsplan vaststond, dat Hij alle zonde door één offer zou verzoenen.
Om zijn boekhouding te preciseren en geen enkele fout te begaan, maakt de satan gebruik van Gods wet. De apostel stelde: ‘Toen echter het gebod kwam, begon de zonde te leven, maar ik begon te sterven en vraagt verder: Is dan het goede mijn dood geworden? Volstrekt niet! Maar de zonde(macht) heeft – zodat zij zou blijken zonde (wetteloosheid) te zijn – door het goede (de wet) mijn dood bewerkt’ (Rom.7:9-13). Met de wet in de hand is de duivel in staat de zonde van de mens te verifiëren en te noteren, om ze later als aanklacht aan de rechtvaardige Rechter voor te houden. Door deze dodenboeken wil de duivel de mens naar zich toetrekken en een claim op hem hebben. Bij het openen van deze boeken zou God, de rechtvaardige Rechter, dus controleren welke mensen voor de duivel hebben gewerkt….
Job, aangeklaagd door zijn ‘vrienden’

De rechtvaardige Job stond niet in de boeken van de duivel. Hij daagde zelfs zijn beschuldiger uit, de aanklacht tegen hem maar op te schrijven, want hij wist dat hij niet op diens loonstaat voorkwam. Hij zei vrijmoedig: ‘Ook het stuk (of zoals de Statenvertaling luidt: het boek) dat mijn tegenpartij heeft geschreven. Voorwaar, ik zal het op mijn schouder nemen, het mij als een diadeem ombinden. Van al mijn stappen zal ik hem (de duivel) rekenschap geven, als een vorst hem naderen’ (Job 31:35-37). Het woord ‘hem’ moet dus niet met een hoofdletter worden gezet. Het komt immers zelfs voor een rechtvaardige niet van pas om God als een vorst te naderen. De Leidse Vertaling heeft: ‘En heeft mijn tegenpartij een stuk geschreven, ik zal het voorzeker op mijn schouder nemen, het mij als een kroon ombinden, mijn schreden, één voor één, hem aanwijzen, als een vorst hem naderen’. Job wist dat hij niet in de boeken van de satan voorkwam en daarom wilde hij zijn dossier wel op de schouder nemen en zich ermee omhangen als met een erekrans. Hij was niet als Adam (die zijn zonde wegmoffelde) als een die uit angst voor mensen ze niet had durven te belijden. Hij wist dat hij nauwkeurig met God had geleefd en als hij eens gestruikeld was, had hij ongetwijfeld een brandoffer gebracht om zijn zonden te verzoenen. Zo deed hij dit toch ook voor zijn kinderen.
In Colossenzen 2:14 schrijft de apostel over allen, die het offer van Jezus hebben aangenomen, dat Deze hun overtredingen kwijtschold, door het bewijsstuk uit te wissen dat door zijn inzettingen tegen hen getuigde en hen bedreigde. Wanneer iemand tot berouw en bekering komt, mag hij dus geloven dat zijn zonden vergeven zijn (Hand.3:19). De meeste vertalingen spreken niet over het bewijsstuk maar over het handschrift dat tegen ons was. Men meent dan dat hiermee de wet wordt bedoeld, maar Christus heeft deze niet weggedaan door haar aan het kruis te nagelen, zoals het volgende vers luidt. Ook kan hier geen sprake zijn van de ceremoniële wetten, omdat deze niet tegen de mens getuigden, maar juist zijn zonden verzoenden. Het gaat hier echter over het handschrift van de satan. Dit getuigt tegen de mens. Het woordje inzettingen is een vertaling van het Griekse woord dogma. Dit heeft te maken met iets dat is vastgesteld, hetzij een vonnis, een leerstuk, een traditie of een inzetting. In de boeken van de satan waren onze overtredingen alle vastgelegd, maar Jezus Christus heeft met zijn bloed, dat is in de geestelijke wereld met zijn leven, onze zondeschuld uitgewist.
In Openbaring 20:10 staat dat de duivel vóór het laatste oordeel in de vuurpoel wordt geworpen, maar zijn dossiers liet hij als een testament achter, want daarin staat nauwkeurig opgetekend wie als strafwaardige naar de eeuwige dood moet worden afgevoerd, dus die geen deel zou hebben aan het eeuwige leven.
Het Levensboek van het Lam

Er is echter ook een ander boek, want God is rechtvaardig. Er zijn in alle tijden mensen geweest die het evangelie van Jezus Christus niet hebben gekend, maar die toch van nature deden wat de wet gebiedt. Zij hadden de werken van de wet geschreven in hun harten, zoals Paulus in Romeinen 2:15 schrijft. Zij gehoorzaamden de ingeschapen wet van God en daarom verontschuldigt hun geweten hen, wanneer zij het goede gedaan hebben en beschuldigt hun geweten hen, wanneer zij het kwade gedaan hebben. Zelfs wanneer iemands geweten hem beschuldigt, is dit een bewijs dat er nog echt leven in hem is. Hij heeft dan nog de gelegenheid zich van het kwaad af te wenden. Hij is er dus niet aan gebonden door machten van de duisternis, die hem dwingen tot het kwade en die zijn geweten als met een brandijzer dichtschroeien.
Altijd zijn er mensen geweest die goddelijke eigenschappen van naastenliefde en barmhartigheid openbaarden. Denk bijvoorbeeld aan de Egyptische vroedvrouwen Sifra en Pua (Ex.1:15), aan de Ethiopiër Ebed-Melech (Jer.38:7-13), aan de barmhartige Samaritaan (Lucas 10:30-37) en zoveel andere oprechte mensen, die het evangelie van Jezus Christus met beide handen zouden hebben aangegrepen, om nog meer goedheid te kunnen bewijzen door de gaven van de Geest. God heeft hun namen en goede werken opgetekend in het Levensboek. In Maleachi 3:16-18 wordt van hen gezegd: ‘Dan spreken zij die God vrezen, ieder tot zijn naaste: God ziet het en luistert. Er is een gedenkboek geschreven voor Zijn aangezicht, voor wie God vrezen. En wie Zijn Naam hoogachten. En zij zullen voor Mij, zegt de God van de legermachten, op de dag die Ik maken zal, een persoonlijk eigendom zijn. Ik zal hen sparen, zoals een man zijn zoon spaart die hem dient. Dan zult u opnieuw het onderscheid zien tussen een rechtvaardige en een goddeloze, tussen wie God dient en wie Hem niet dient’.
De goddelozen
Wie echter tegen Hem zondigt wordt uit dit boek gewist (Ex.32:32,33). Wanneer de vijanden van David steeds meer schulden opstapelen, bidt hij: ’Voeg dit alles toe aan hun schuld, sluit hen uit van uw genade, schrap hun namen uit het Levensboek, laat ze niet geschreven staan bij de rechtvaardigen’ (Psalm 69:28,29). Deze rechtvaardigen zullen volgens de uitspraak van onze Heer in Mattheüs 25:46 héén gaan naar het eeuwige leven. Zij bezitten dit eeuwige leven nog niet, maar de gemeente van Jezus Christus zal hen na de opstanding, door het brengen van het eeuwige evangelie zover brengen. Wanneer zij van het levensgeboomte gegeten hebben, zullen zij het nieuwe Jeruzalem ingaan, binnen de stad waarnaar Abraham al uitzag, want zij zijn dan geschreven in het Levensboek van het Lam, dus horen zij dan bij de volmaakt rechtvaardigen (21:27).
Op dezelfde manier gaan de verdoemden héén naar de eeuwige straf
De doden worden geoordeeld naar wat in de dodenboeken of in het Levensboek staat geschreven, naar hun werken. Het hoofdbegrip van ‘oordelen’ is scheiden of schiften. Zij die één geest met de duivel geworden waren, staan niet in het Levensboek, want zij missen iedere vorm van gerechtigheid en goedheid. Hun verschrikkelijke en goddeloze werken staan opgetekend in de dossiers van de satan. Beide soorten boeken oordelen hen naar hun werken: wat zij gedaan hadden en wat ze nagelaten hadden te doen, denk bij voorbeeld aan de rijke man. Het eeuwig oordeel of de eeuwige scheiding voltrekt zich, wanneer deze categorie doden naar de vuurpoel vluchten. Dan blijven er over wier namen alleen in het Levensboek staan. Deze personen hadden niet gezondigd of hun zonden waren vergeven.
De massale (goed gecamoufleerde) embryo en babymoorden
Wij denken (vooral vandaag) aan de miljoenen abortussen, die als foetus wel een begin van het leven hebben gekend, maar niet zijn uitgegroeid naar een mens(je). Voor de niet-christen is een embryo immers geen beginnend mensenleven en wordt dit weggegooid als een levenloos klompje bloed. Maar al vanaf de conceptie is er een leven, met een geest en een engel die dit levend mens(je) wil beschermen. Dit mensje gaat niet verloren, maar zal op de nieuwe aarde ook de volwassenheid bereiken die de enkel goede God als doel heeft gesteld voor ieder mens. Alleen zij die het kwaad liefhebben gaan voor eeuwig verloren en niet de schepseltjes die zelfs geen onderscheid kunnen maken tussen de linker- of rechterhand, laat staan tussen goed en kwaad.
Er zijn op de wereld 73 miljoen abortussen per jaar, wereldwijd (2022). Maar we vrezen dat dit getal niet realistisch is. In werkelijkheid is dit vele malen hoger. Sommige landen (inmiddels continenten) geven bewust geen getallen meer om deze massamoord te verbloemen. We denken ook aan de jonggestorven kinderen die leefden, hoewel ze nog geen werken hadden gedaan. Maar ook aan rechtvaardigen die verzoening van hun zonden hadden verworven door schaduwachtige offers, die later werden bekrachtigd door het offer van Jezus Christus op Golgotha. Denk bijvoorbeeld aan Job.
Prof. Dr. A.M. Rehwinkel gaat in zijn boek ‘De Zondvloed’ uit van een voorzichtige schatting van 12 miljard mensen na de vijftiende generatie vanaf Adam en Eva. Er hebben dus bijna 12 miljard mensen geleefd vóór de zondvloed. Na de zondvloed begint de mensheid opnieuw met Noach, zijn drie zonen en vrouwen. De Schrift spreekt over 10 generaties in de eerste 300 jaar na Noach. Vanaf Abraham (2.000 voor Christus), tot aan de geboorte van Jezus Christus waren er in het toen bestaande Romeinse rijk ongeveer 45 miljoen mensen (een voorzichtige Bijbelse inschatting) en een wereldbevolking van ongeveer 300 miljoen. In het jaar 1650 was dit inmiddels een half miljard en in de 19e eeuw 1 miljard (volgens een voorzichtige schatting van Carl Haub, van het Population Reference Bureau, U.S.).
In 2020 (!) was dit inmiddels een vaststaand feit met bijna 8,5 miljard mensen en een toename van 200 miljoen geboortes per jaar. Volgens Carl Haub (en later via een update door het blad Quest), zouden er tussen de 70 en 115 miljard mensen zijn geboren sinds het begin van de mensheid.
De overspelige vrouw man

Rest ons nog te zien naar de laatste en grootste groep, die uit goeden en barmhartigen bestaat, maar die door satans demonen ook wel gedwongen waren om dingen te doen, die ze niet wilden en waarover ze zich later schaamden. Ook zij staan voor de troon en vragen zich af wat met hen zal gebeuren, als de boeken worden geopend en ingezien. Zij zijn nog vertegenwoordigd in het Levensboek, maar hun zonden waren niet vergeven. Wanneer onze Heer als barmhartige Rechter hen vol barmhartigheid aanziet, stelt Hij de vraag: ‘Waar zijn nu eigenlijk uw beschuldigers? Ik heb hier veel documenten, maar jullie aanklagers zie Ik niet meer’. Wie denkt hierbij niet aan de getuigen à charge bij de overspelige vrouw, die één voor één afdropen of vluchtten. Jezus vroeg toen aan haar: ‘Waar zijn ze? Heeft niemand u veroordeeld? En zij zei: Niemand, Heer. En Jezus zei: Ook Ik veroordeel u niet. Ga heen, zondig van nu af niet meer!’ (Joh.8:10,11).
Het kerkvolk zegt: ‘Dat gaat toch wel te gemakkelijk…!’
Een moeilijk te verteren verhaal dat ook als niet volwaardig een plaats in de Bijbel kreeg. Velen vinden het te gemakkelijk gaan. Zij ergeren zich eraan. Hun oog is slecht, omdat onze Heer goed is! Zij zullen bij het laatste oordeel hopelijk nog iets veel grootser meemaken, want dan worden door onze Heer (aan wie gelukkig de macht gegeven is om te oordelen en die in alles meer verzocht is geweest als wij) de boeken van de satan aan de kant geschoven. Dan is alleen het Levensboek actueel. Daarin staan behalve de namen van de groten en de kleinen in gerechtigheid, ook al hun goede werken. Deze bepalen hun plaats en hun status op de nieuwe aarde, waarop zij als rechtvaardigen worden geplaatst om verder te worden onderwezen in het eeuwig evangelie.
Ook in het laatste oordeel roemt de barmhartigheid tegen het oordeel, want God is goed! Het evangelie van Jezus Christus waarnaar de doden geoordeeld worden, is gebaseerd op liefde en genade. Het oordeel is dan tot overwinning gebracht.