61. Gog en Magog

<<<<<

Openbaring 20:7-10

‘En wanneer die duizend jaar tot een einde gekomen zijn, zal de satan uit zijn gevangenis worden losgelaten. En hij zal uitgaan om de volken te misleiden die zich in de vier hoeken van de aarde bevinden, Gog en Magog, om hen te verzamelen voor de oorlog. En hun aantal is als het zand van de zee’ 7,8.

In het duizendjarig rijk worden de mensen wel volmaakt, maar ze groeien niet uit tot koningen en priesters. Alleen in het parlement van Jezus (dat op aarde regeert) komen overwinnaars voor. De volmaakte gemeente van Christus blijft dus een aparte positie innemen. Aan het einde van deze tijd van vrede en rust is het hele herstelwerk van de schepping voltooid:

  • Alle mensen zijn gedoopt met Gods Geest,
  • allen zijn door de gemeente van Jezus tot volmaaktheid gebracht,
  • alle machten van de duisternis zijn van de aardbodem verdreven en in de afgrond geworpen,
  • de planten- en de dierenwereld functioneren volgens de oorspronkelijke bedoelingen (Jesaja 11:6-10),
  • de hele schepping is geworden zoals God het altijd al wilde.

De satan losgelaten – Test voor de mens na 1.000 jaar  

Nu kunnen allen, die in de afgelopen periode tot geestelijke mensen zijn uitgegroeid, laten zien dat hun geloof echt is en bestand is tegen dat rijk van de duisternis. Dat zij niet gedaan hebben alsof, maar met heel hun leven ‘ja’ gezegd hebben tegen de boodschap van Jezus Christus. Zij kunnen nu hun gehoorzaamheid tonen aan het woord van de Waarheid. Geloven dat God en Jezus Christus met zijn gemeente, enkel goed zijn.

De losgelaten duivel is op dat moment geen overweldiger meer, deze kracht is hij kwijtgeraakt. Hij is echter nog steeds de vader van de leugen. Altijd heeft hij geprobeerd de mens te verleiden en te verleugenen. Zo ook nu: op uiterst sluwe wijze gaat hij te werk om opnieuw te proberen zoveel mogelijk mensen af te houden van het plan van God. Deze vijand zal geen enkele bedreiging meer vormen voor de gemeente van Jezus Christus; voor haar is de hele zaak glashelder. Waarschuwend gaan de zonen van God rond, iedereen op het hart drukkend nu trouw te blijven en door te gaan.

De mensen, die op de aarde wonen, krijgen voor het eerst van hun leven of na duizenden jaren (een geestelijk getal) te maken met een anders sprekende geest. Waar zij allang voor gewaarschuwd zijn, gebeurt nu. De duivel fluistert hun allerlei zaken in, die op het eerste gezicht waar lijken:

  • ‘Je bent volmaakt hè, geweldig zeg, maar wat is nu eigenlijk het verschil tussen jou en die zonen van God?
  • Hebben zij het alleen voor het zeggen?
  • Moet je altijd naar hen luisteren?
  • Wees nou eerlijk, dat is toch niet redelijk. Er zou toch best eens wat meer overleg kunnen zijn, jij bent in wezen toch ook een zoon van God!
  • Jij hebt óók macht over de demonen hoor, net als zij. Probeer het maar eens, roep ze maar eens op, mijn hulp heb je.
  • Ik zal jou ook koning maken, let maar op.
  • En uit het feit, dat ze nu allemaal zo lopen te waarschuwen, blijkt toch al genoeg: ze zijn bang hun macht te verliezen.
  • Ik zou het niet langer nemen, voor mij zou het allang anders moeten zijn…’

Dezelfde leugens die destijds bij het blazen van de derde bazuin geleid hebben tot de val van één van de zonen van God (de ster Alsem, bitter Op.8:10), worden opnieuw gebruikt. Hoe kan het ook anders, de duivel is immers nooit origineel. Opnieuw is het motief dat men niet langer genoegen moet nemen met de plaats die men inneemt en opnieuw mondt dit uit in ongehoorzaamheid. Ondanks het feit, dat allen gewaarschuwd zijn door de gemeente, blijken er toch velen gevoelig te zijn voor dit duivelse venijn. Zij gaan in op de woorden van satan en maken daardoor occulte krachten los, die hunkerend naar wraak op de gemeente, hun intrek nemen bij deze mensen. Deze machten verbinden zich met de menselijke geest, waardoor de harten van deze personen verhard worden. De mensen raken verbitterd en ontsteken in woede tegen de gemeente, hun weldoeners en tegen allen die wél gehoorzaam blijven en hun toevlucht genomen hebben bij het lichaam van Christus. De duivel introduceert zo opnieuw het occultisme:

  • ‘Versterk je maar, roep de demonen maar op, zoveel mogelijk, je zal zien, dat ze naar je luisteren, als je ze toespreekt…’

En zo haalt de duivel zijn verloren gegane troepen terug uit de gevangenis. Door middel van mensen die zelfs na duizenden jaren, de gemeente van Jezus Christus gaan haten. De geschiedenis herhaalt zich. Opnieuw vallen velen ten prooi aan de opnieuw ontketende occulte geesten. En let wel: op eigen verzoek. Niemand wordt tegen zijn zin in, op dat moment bezet gebied. Alleen zij, die toegeven aan het gefluister van de duivel en zo een bittere wortel laten opschieten in hun hart en zij die gedachten gaan koesteren, die hoger zijn dan hun voegen, worden ingeschakeld in dit laatste plan van de duivel. Wij weten niet hoe lang deze afschuwelijke periode duren zal, maar de Bijbel spreekt over een korte tijd (vers 3). Na een tijdperk van duizendjarige vrede breekt de oorlog in de hemelse gewesten opnieuw en feller dan ooit uit. Zijn lange gevangenschap heeft satan niet veranderd, waaruit wel blijkt dat hij onverbeterlijk is en een verzoening tussen God en de duivel nooit tot stand kan komen.

David en Salomo – Twee voorbeelden

De tijd van koning David is beeld van óns tijdperk. Hij moest zijn hele leven strijden, zodat het volk Israël in vrijheid zou kunnen wonen: ‘Ik heb aan mijn volk Israël een gebied toegewezen. Daar heb ik het geplant en daar kan het nu onbevreesd wonen. Het wordt niet langer door misdadige volken onderdrukt, zoals toen het er pas woonde’ (2 Samuel 7:10).

Salomo (zijn zoon) echter, valt later in handen van de verleidende machten. Hij diende Astarte, Milkom, Kamos, Moloch en veel andere goden, samen met zijn honderden vreemde vrouwen (1 Koningen 11:5-8). Met hem viel het volk Israël af en ontbrandde opnieuw de strijd. Zo volgt op de verleiding van de duivel, na het duizendjarige rijk, ook verdeling en strijd.

Gog en Magog en de oude profeet Ezechiël

De woorden Gog en Magog worden plotseling tussengevoegd. De zin luidt: ‘Dan gaat hij er op uit om de volken aan de vier hoeken van de aarde, Gog en Magog, te misleiden.’ Natuurlijk zijn Gog en Magog hier geen nadere aanduiding van alle volken van de aarde. Deze twee tussengevoegde namen zijn echter een herinnering aan de profetieën van Ezechiël m.b.t. de eindtijd. Wij vinden deze in de hoofdstukken 38 en 39. Daar wordt de profeet door de Heer aangespoord zijn godsspraken tegen Gog en Magog te richten. Veel pogingen zijn gedaan om van Gog en Magog in de eindtijd, vorsten van deze aarde te maken. In Ezechiël 38:2 staat: ‘Gog in het land Magog, de grootvorst van Mesech en Tubal’. 

Bij zijn verklaring van de volkentafel in Genesis 10, schrijft Baarslag over Gog en Magog in ‘De Bijbelse geschiedenis’:

  • ‘Van alle soms zeer fantastische pogingen om deze naam (Magog) te verklaren, geeft nog het meeste licht in het duister, deze omschrijving voor een bepaald land af te leiden uit het Soemerisch: ma (land) en kug (donker); dus een ‘land van de buitenste duisternis’, een ver naar het noorden liggend land met lange, donkere winters’.

In profetische taal is dus de satan (die eenmaal een engel van het licht genoemd werd) de koning van het rijk van de duisternis. Zoals de historische koningen van Babel, van de Meden en Perzen van Assyrië, allen typen zijn van geestelijke grootmachten, zo ook hier Gog, de vorst van Magog, die grootvorst was van Mesech in het westen van Klein-Azië en Tubal in het uiterste oosten ervan, die dus over heel Klein-Azië ten noorden van Palestina regeerde. Opgemerkt wordt dat Mesech en Tubal horen bij de zonen van Jafeth, die de kustlanden bewonen (Gen.10:5 en Jes.66:19).

Wanneer er staat dat de satan losgelaten zal worden, heeft Ezechiël dit geprofeteerd in hoofdstuk 38:4 en 8 met de woorden: ‘Ik kom je halen, ik sla haken door je kaak en laat je wegtrekken met heel je leger, met je paarden en ruiters, met je schitterende krijgers, met heel die menigte zwaardvechters, bewapend met kleine en grote schilden. Over lange tijd, in de verre toekomst, zul je bevel krijgen om op te trekken tegen een land dat zich nog maar net van de oorlog hersteld heeft (herstelde schepping) tegen een volk dat uit vele volken weer is samengebracht op de bergen van Israël, die lange tijd verlaten zijn geweest. Teruggekeerd leeft het daar zonder zorgen.’

In vers 10-12 lezen wij over de bedoeling van de duivel: ‘Als het zover is, zal je boze plannen uitdenken. Je denkt: Dat land zegt God, de Heer: van niet ommuurde steden zal ik aanvallen; ik zal optrekken tegen die argeloze mensen die zo onbezorgd leven in hun steden zonder muren, grendels of poorten. Je gaat erheen om te plunderen, te roven en buit binnen te halen, om de puinhopen die weer bewoond worden (herstelde schepping) aan te vallen. Daar woont een volk dat uit veel volken bij elkaar is gekomen (de gemeente van Jezus Christus, het Israël van God), dat vee en bezit verworven heeft en nu de navel van de wereld bewoont.’ Deze profetie komt overeen met: ‘Hij zal uitgaan om de volken aan de vier hoeken van de aarde te verleiden om hen tot de oorlog te verzamelen’. Het lukt de satan om, na duizend jaar, de regering van God uit alle volken te verleiden, waarover Ezechiël verder in beeldspraak profeteerde: ‘En dan nog de soldaten uit Perzië, Nubië en Libië, met hun schilden en helmen en Gomer met al zijn troepen, Bet-Togarma uit het uiterste noorden met al zijn troepen: heel veel volken zijn het! Bereid je voor, maak je klaar om die hele menigte die zich bij je heeft aangesloten aan te voeren’ (5-7).

De geestelijke stad van de heiligen

‘En zij kwamen op over de breedte van de aarde en omsingelden de legerplaats van de heiligen en de geliefde stad. Maar er daalde vuur van God neer uit de hemel en dat verslond hen’ 9.

Nadat hij een deel van de volken verleid heeft, komt in de duivel een plan op om een aanslag te beramen op het Israël van God. Wat hij niet door verleiding tot stand heeft kunnen brengen, wil hij nu door geweld en onderdrukking met hulp van zijn engelen en de ontrouwe mensheid bewerken, namelijk de ondergang van Jeruzalem, het Israël van God: ‘Dan komen jij en je vele bondgenoten uit je woonplaats in het uiterste noorden, al die mannen te paard (dus gedragen door demonen) die grote menigte, dat talrijke leger. Als een wolk die het land overdekt zul je tegen mijn volk Israël optrekken. Eens zal Ik je naar mijn land brengen en als Ik alle volken door jou, Gog, laat zien dat Ik heilig ben, zullen ze beseffen wie Ik ben’ (Ez.38:15,16).

Johannes ziet hoe de legers van de satan van alle windstreken optrekken om de legerplaats van de heiligen (de tempel of de gemeente) en de geliefde stad (het nieuwe Jeruzalem) te omsingelen en in te nemen. Het hemels Jeruzalem wordt voorgesteld als het middelpunt van de aarde: ‘Die op de navel van de aarde woont’ (Ez.38:12). Het beeld van de navel wijst op de plaats waar de aarde met de hemel verbonden is, zoals een moeder met het kind. Steeds dichter wordt het volk van God ingesloten door de oprukkende legers, die van alle kanten naderen.

Wij moeten ons geen aardse voorstelling van deze omsingeling maken. De strijd is en blijft geestelijk in de hemelse gewesten. Het volk van God heeft geen andere worsteling dan die tegen de geestelijke, onreine demonen. Trouwens, de legerplaats van de heiligen stelt de gemeente voor, die al deel heeft gekregen aan de eerste opstanding en aan de heerlijkheid van God. Met zichtbare strijdmiddelen is zij niet meer te benaderen. De geliefde stad bestaat uit alle aardbewoners die zich niet hebben laten verleiden en staande gebleven zijn. De occulte aanval is gruwelijker dan in de tijd van de antichrist. Toen gebeurde deze door het beest dat uit de afgrond of het dodenrijk opkwam. Nu is het de satan zelf, die uit het dodenrijk terugkeert, klaar om alle ontbindende krachten in het werk te stellen om de wetteloosheid te laten winnen.

Voordat de satan en zijn legermacht hun plan kunnen uitvoeren, grijpt God in. Allen die aan de oproep van de duivel gehoor gegeven hebben en God ongehoorzaam werden, worden nu door het vuur of de machten de demonen omgebracht. Tegelijkertijd worden de satan en zijn engelenlegers gegrepen en in de vuurpoel geworpen. Ezechiël beeldde de ondergang van de satan en zijn leger uit met de woorden: ‘Op al mijn bergen zal ik het zwaard tegen Gog oproepen – spreekt God, de Heer en zijn mannen zullen elkaar met hun zwaard bestrijden. Ik zal Gog straffen met de pest en de dood, ik laat slagregens, hagelstenen, zwavel en vuur neerkomen op hem, op zijn troepen en al zijn bondgenoten’ (38:21,22). Het rijk van de satan gaat dus onder, omdat God het in verwarring brengt en zijn legers zich tegen elkaar keren. ‘Het zwaard van de een zal tegen de ander zijn’.

Het zou vreemd zijn dat God door vuur, dat wil zeggen door geesten van de duisternis, de macht van het rijk van de duisternis verbreekt. Jezus zei: ‘Ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, gaat ten onder en geen stad of huis, tegen zichzelf verdeeld, zal standhouden. En als de satan de satan uitdrijft, is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn koninkrijk kunnen standhouden?’ (Matthijs 12:25,26). In deze chaotische geestelijke verwarring stort het rijk van de satan in en zijn macht en gezag worden uitgeschakeld. Ook de volken die hem gehoorzaamden en aan zijn oproep gehoor gaven, gaan ten onder in deze onderlinge strijd.

‘En de duivel die hen misleidde, werd in de vuurpoel van zwavel geworpen, waar ook het beest en de valse profeet al zijn. En zij zullen dag en nacht gepijnigd worden tot in alle eeuwigheden’ 10.

Opnieuw gebeurt wat ook gebeurde bij het begin van het duizendjarige rijk. Weer wordt de duivel met zijn engelen gegrepen en nu niet naar de afgrond verbannen, maar (levend) in de vuurpoel geworpen. Dit is de eindbestemming van elke God vijandige macht en iedere wetteloze geest. Vandaar is geen terugkeer mogelijk. Opgemerkt wordt dat het beest en de valse profeet of de antichrist daar ook al zijn. Ook zij zijn voor eeuwig opgesloten en nooit zal deze situatie veranderd worden. Het vuur duidt op de eeuwige concentratie van demonen die tot niets doen veroordeeld zijn; dit laatste veroorzaakt hun pijn. De zwavel wijst op hun boosheid en ongerechtigheid als principe. De zwavel voedt het vuur, zoals de ongerechtigheid de bron is van de existentie van de demonen. Bij de heilige engelen en de kinderen van God zijn echter de gerechtigheid en het leven het beginsel van hun bestaan. Ezechiël noemt dit geworpen worden in de vuurpoel: ‘Op die dag delf ik voor Gog een graf in Israël, in het Dal van de passanten, ten oosten van de Dode Zee’ (39:11a). De duivel en zijn engelen zijn doorgetrokken: zij waren eerst in de hemelse gewesten, werden op aarde geworpen en kwamen in de afgrond of het dodenrijk. Daarna trokken zij weer rond over de hele breedte van de aarde en vonden hun einde in de vuurpoel. Daar wordt hun weg verder geblokkeerd: ‘Het zal de doorgang versperren voor deze passanten: voor Gog en heel zijn leger. Ze zullen er worden begraven en het zal het ‘Dal van het leger van Gog’ worden genoemd’ (39:11b).

Het was dus noodzakelijk dat de satan, om in de vuurpoel geworpen te worden, eerst werd losgelaten uit de afgrond. De Septuaginta spreekt erover, dat de uitgang van de vallei, waar Gog en zijn menigte begraven worden, wordt afgesloten. Hun pijn blijft tot in alle eeuwigheden, dat wil zeggen: zij zullen nooit meer tot activiteit komen. Wij wijzen erop dat Ezechiël in hoofdstuk 39:12 schrijft: ‘De Israëlieten zullen hen begraven om het land te reinigen en daar zullen ze zeven maanden over doen.’ Het (geestelijk! huis van Israël) zal het land of de aarde reinigen en heeft daar een bepaalde tijd voor nodig. Na de gestelde termijn van zeven maanden (een door God bepaalde tijd) stellen zij nog een nauwkeurig onderzoek in of niet één van de demonen achtergebleven is. Ook de laatste demon zal in het dal van Gods menigte begraven worden. Ook nu gebeurt niets automatisch, maar altijd weer wordt de gemeente ingeschakeld.

Wat gebeurt er nu met de inwoners van de aarde, die zich opnieuw misdragen hebben en zich door de demonen hebben laten gebruiken? Ezechiël 39:17-20 beschrijft ons een herhaling van wat gebeurde na de ondergang van de antichrist: ‘Zeg tegen alle soorten vogels en tegen alle wilde dieren: Kom bij elkaar, kom samen, overal vandaan en kom naar het slachtfeest, het grote slachtfeest dat Ik voor jullie aanricht op de bergen van Israël. Daar kun je vlees eten en bloed drinken! Je eet er het vlees van helden, drinkt het bloed van de vorsten van de aarde: van rammen, lammetjes, bokken en stieren, allemaal in Basan vetgemeste beesten. Eet hun vet tot je verzadigd bent, drink hun bloed tot je dronken bent, het is een slachtfeest dat Ik voor jullie heb aangericht. Aan mijn tafel kunnen jullie je te goed doen aan paarden en ruiters, aan helden en krijgslieden, spreekt God, de Heer. Ik zal mijn grootheid onder alle volken doen gelden. Ze zullen zien hoe Ik ze straf en hoe Ik ze mijn wil opleg.’

Het laatste oordeel, de boeken geopend

Weer worden de ontbindende demonen opgeroepen als vogels met allerlei veren en dieren van het veld om tot verzadiging toe te eten van de achtergebleven lichamen. Nu is de overwinning die God door Christus en de gemeente gehaald heeft, definitief. Hemel en aarde zijn klaar om aan hun uiteindelijke bestemming te gaan voldoen en het laatste oordeel zal het volle getal van haar bewoners openbaren.

>>>>>