Dagen van de Mensenzoon

  • ‘Er komt een tijd dat jullie ernaar zullen verlangen één van de dagen van de Mensenzoon te zien, maar jullie zullen die dag niet meemaken’ (Lucas 17:22).

De uitdrukkingen ‘er zullen dagen komen’ of ‘er komt een tijd’ worden bij de oudtestamentische profeten, maar ook door Jezus steeds gevolgd door een onheilsvoorspelling (1 Sam.2:31; Jer.7:32; Am.4:2; 8:11; Matth.9:15; Marc.2:20; Lucas 5:35; 21:6; 23:29). Zo ook in bovenstaande tekst. Daar spreekt de Heer over een bijzonder pijnlijk gemis, dat zijn trouwe volgelingen in de toekomst zullen meemaken.

Wat is ‘die tijd’ en wat zijn die ‘dagen’ die zijn leerlingen zo graag zouden willen zien? Wat is die leegte die hun hart pijn zal doen? En als ze die dagen niet zullen meemaken, hoe zal men dan naar de Grote Dag van de Heer kunnen uitzien, wanneer Hij verheerlijkt wordt in zijn heiligen en met verbazing gezien wordt in allen, die tot geloof gekomen zijn?

In de donkere gevangenis zag Johannes de Doper met intens verlangen uit naar de openbaring van het messiaanse rijk. Had hij niet geprofeteerd dat de bijl al aan de wortel van de religieuze en maatschappelijke bomen lag? Zou Jezus nu met zijn oordeel overwinning brengen en op de puinhopen van een ontrouw kerk en een decadente staatsmacht zijn vrederijk vestigen? Zijn leerlingen stelden aan Jezus de vraag die Johannes steeds bezig hield: ‘Bent U het, die komen zou, of hebben wij (nog) een ander te verwachten?’ Het antwoord van Jezus was:

  • ‘Ga naar Johannes en vertel hem wat u hoort en ziet: blinden kunnen weer zien en verlamde mensen weer wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven kunnen weer horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het evangelie. En gelukkig is wie aan Mij geen aanstoot neemt’.

Toen enkele Farizeeën even later Jezus waarschuwden dat Herodes Hem probeerde te doden, zei Hij: ‘Zeg tegen die (sluwe) vos: Kijk, Ik drijf satans’ demonen uit en genees, vandaag en morgen en op de derde dag bereik Ik de voltooiing’ (Lucas13:31,32). Nog een korte tijd zou Jezus zijn genezend en verlossend werk voortzetten en dan zou Hij zeggen: ‘Vader, Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voltooien dat U Mij te doen gegeven hebt’ (Joh.17:4). Weer later zei Petrus tegen Cornelius over Jezus van Nazareth: ‘Hij is rondgegaan, goed doende en allen genezende, die door de duivel overweldigd waren, want God was met Hem’ (Hand.10:38). Dát nu waren de dagen van de Mensenzoon. Met zijn evangelie over het Koninkrijk van de hemelen en door zijn bevrijdingen en genezingen, egaliseerde onze Heer de weg door de woestijn waarin de mens geestelijk woont op aarde.

Wat zagen de eerste christenen?

Na de hemelvaart van Jezus maakten de apostelen ogenblikkelijk hun verlangen kenbaar om de dagen van de Mensenzoon opnieuw te beleven. De Heer had immers gezegd, dat zij het evangelie van het Koninkrijk over de hele wereld zouden verspreiden en dat de gelovigen, satans demonen zouden verdrijven en de handen op zieken zouden leggen tot genezing, zoals Hij dit had gedaan (Marcus 16:17,18). Zij zouden de werken doen die Hij had gedaan en zelfs nog grotere (Joh.14:12). Is het vreemd dat de apostelen hun verlangen aan God kenbaar maakten en aan het begin van hun loopbaan baden:

  • ‘Geef uw medewerkers alle vrijmoedigheid om uw woord te spreken, doordat U uw hand uitstrekt tot genezing en dat tekens en wonderen gebeuren door de naam van uw heilige knecht Jezus’ (Hand.4:29,30)?

Hun gebed werd verhoord, want zij ‘getuigden overal, terwijl de Heer meewerkte en het woord bevestigde door de tekens, die er op volgden’ (Mark 16:20; Hebr.2:3,4). De dagen van de Mensenzoon werden door zijn volgelingen opnieuw beleefd. Het waren de tijden van ‘verademing’ en ‘verkwikking’, die zouden leiden tot de opbouw van de gemeenten en naar het ‘weer herstellen van alle dingen’. Haar leden waren in zekere zin ‘eerstelingen’ onder de schepsels van God (Jacobus 1:18). De Leidse vertaling heeft het woord ‘eerstelingen’ weergegeven door ‘keur’. Het gaat om een ‘proef’ van wat later komen zou. Die eerste christenen vormden een uitgezochte verzameling mensen, die aantoonde met wat voor soort mensen de aarde bevolkt zou worden. Zij vormden een keurbende die God gebruikte om aan te tonen hoe een hele wereld gered en hersteld zal worden. Ook voor hen gold:

  • ‘Als wij door de Geest van God de demonen uitdrijven, is het Koninkrijk van God over ons gekomen’ (Mathijs 12:28).

Omdat de kerk van die dagen een beeld wilde zijn van het hemelse Jeruzalem, noemde ook zij zich, de moeder van allen (Gal.4:26). De uitspraak van de kerkvader Cyprianus, die in 258 als martelaar stierf, was terecht: ‘Buiten de kerk geen redding’. Volgens de kerkvader Tertullianus (ongeveer 200 n.C.) was bijna iedere gelovige in staat demonen uit te drijven. Volgens Origenes (185-254) deed het merendeel van de christenen dit.

Strijd in de hemel

Riep Paulus de gelovige niet op om ‘stand te houden tegen de verleidingen van de duivel’? In tijden van nood en ziekte, van strijd tegen de zondemachten, gold voor hen:

  • ‘Wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen satans’ demonen in de hemelse gewesten’ (Ef.6:10).

18 eeuwen dorheid, letterlijk én geestelijk

In de dagen van de Mensenzoon werd een begin gemaakt met het herstel van de mens en daarin was ook de heroprichting van de hele schepping begrepen. De Zoon van God (en niet God Zelf, Joh.1:1) was geopenbaard om de werken van de duivel te verbreken en deze opdracht gaf Hij door aan zijn volgelingen. In de afgelopen eeuwen zijn de waarheid en de werkelijkheid van het onzienlijk Koninkrijk van de hemelen onbekend terrein geworden. Wel is er een ‘Godsbesef‘, maar dit komt meer in overeenstemming met de begrippen uit het oude testament. De geestelijke wereld, dat is de hemel, week terug als een boekrol die werd opgerold (Op.6:14). Omdat men demonenblind is, wordt al het kwaad toegerekend aan God én de mens. In Zondag 3 uit de Heidelberger staat:

  • ‘Dat wij geheel onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad..!’

Paulus spreekt over heidenen die wél van nature doen wat de wet gebiedt (Rom.2:14). Maar toch belijden kerkgangers dat zij zich niet kunnen bekeren en voegen hier zelfgenoegzaam aan toe:

  • ‘Nochtans blijft de eis…!’

In de kerkgeschiedenis dreven de ‘gelovigen’ geen demonen uit, maar zij verbrandden mensen zoals ketters en heksen, ‘want een tovenares (waarom geen tovenaar?) zult u niet in leven laten’ (Ex.22:18). Veel zogenaamde christenen bidden: ‘Verlos ons van de boze’, maar ze denken hierbij niet aan een persoonlijke, onzichtbare vijand van wie ze ‘verlost’ willen worden. Vaak hebben zij er geen idee van dat het lichaam van een demon zich aan hun innerlijke mens gehecht heeft en op deze wijze eigen verdorvenheid aan hen heeft meegedeeld. De Bijbel spreekt van onreine, dove, blinde geesten, of die van zwakheid, koorts en bezetenheid, die uitgeworpen moeten worden. Ook moet ‘aan het lichaam van de zonde zijn kracht ontnomen worden’, doordat de demonen uitgedreven worden ‘door de christelijke besnijdenis’ (Rom.6:6; Col.2:11). Het Nieuwe Testament leert hoe de duivel in de naam van Jezus kan worden weerstaan met het Woord van God, dat als een zwaard gehanteerd moet worden.

De afval in de laatste dagen

De zich christelijk noemenden verlangen er niet eens naar om een van de dagen van de Mensenzoon te zien. Het zogenaamde christendom van de aarde toont immers meer belangstelling voor de zichtbare en tijdelijke dingen dan voor de onzichtbare en eeuwige. Het bedenkt niet de dingen van de bovenwereld waar Christus is en het mist ook het begrip van een onderwereld, waar de demonen van satan werken. Bij velen wordt de aandacht afgeleid door bijvoorbeeld een klimaathysterie of een maakbaar, van God los Utopia. Het richt zich ook niet op de hemelstad bóven, maar concentreert alle aandacht op een aards Jeruzalem in het land Israël. Het zoekt een dialoog met allerlei stromingen en verwaarloost de intieme relatie en conversatie met Jezus Christus, de Zoon van God.

De val van het grote Babylon, moeder van alle hoeren

In Lucas 17 eindigt Jezus zijn beschrijving van het aftakelingsproces met het spreekwoord: ‘Waar het lichaam is, daar zullen ook de gieren zich verzamelen’. In dit oordeel is dit ‘het verfoeide gevogelte, het aas dat het afvallige Babylon voorstelt, waaruit alle leven geweken is’ (Op.18:2). Algemeen wordt aangenomen dat het eerste deel van Lucas 18 het slot is van de eindtijdsrede van Jezus, want zij eindigt met de indringende vraag: ‘Maar als de Mensenzoon komt, zal hij dan geloof vinden op de aarde?’ Had de profeet niet voorspeld: ‘Wie gelooft onze prediking?’ (Jes.53:1 Luth. vert.). Zegt men ook nu niet, dat de dagen van de Mensenzoon niet terugkeren, omdat hun kerk ‘volwassen geworden is’? Een ‘Bijbelgetrouw christen’ wees onlangs in verband met de ‘gebedsgenezing’ in een ingezonden stuk op een nog gelukkig overgebleven alternatieve weg:

  • ‘Nu onze samenleving, waarin christenartsen en specialisten en ook een biddende gemeente er voor de zieken zijn, is de speciale taak van de oudsten in Jacobus 5:14,15 overbodig…’

Vergelijk ‘De aantasting van het fundament.’

Wie zal nog een van de dagen van de Mensenzoon willen zien, waar zoveel natuurlijke wetenschap, kennis en kracht aanwezig is en waar men massaal gehypnotiseerd wordt door een staatspropaganda? De nieuwste Drive-in massa-kerken waarbij de herrie van Zwarte Cross verbleken. Waar men mét het lawaai, altijd maar blijft hangen in een ‘kunstwerk van verbrokenheid’. De Bijbelbelt in een nieuw camouflagepak. Lekker wettisch gelegitimeerd uit je dak gaan!

Het einde gekomen

Wie bidt om Gods Geest, zal deze ook ontvangen, zoals Jezus zei: ‘Hoeveel te meer zal uw Vader in de hemel Zijn Geest geven aan hen, die Hem daarom bidden’ (Lucas 11:13). De late regen valt dan op het dorre land en doet overal nieuw leven ontspruiten. De opnieuw geboren christen krijgt oog voor het complete herstelplan van God. De gemeente heeft dezelfde Geest ontvangen als Jezus bij zijn doop in de Jordaan. Daarom is de gemeente geroepen om dezelfde werken te doen die Hij gedaan heeft, ‘zodat de mens volkomen is, tot alle goede werken volkomen toegerust’ (2 Tim.3:17). De bedekking wordt weggenomen, zodat men de realiteit van de hemelse gewesten weer ziet. Demonen van satan worden ontmaskerd. Gods Geest wil de oprechte christen bijstaan om hem in zijn geestelijke strijd als overwinnaar tevoorschijn te laten komen. De belofte wordt vervuld:

  • ‘Dat God ons zou geven, zonder angst, uit de hand van de vijanden verlost, Hem te dienen in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht, al onze dagen’ (Lukas 1:74,75).

Ondanks alle tegenstand breekt het koninkrijk van God door en ‘zal het evangelie van het Koninkrijk in de hele wereld verspreid worden tot een getuigenis voor alle volken en dan zal het einde gekomen zijn’. Het ‘einde’ is het einddoel, het allerhoogste wat kan worden bereikt. Dan blijkt wat Gods Geest kan doen, want het evangelie is een kracht van God tot behoud, redding, genezing, bevrijding en herstel voor ieder die gelooft (Rom.1:16).

Doe mij recht!

In welke periode van de eindtijd leeft de mens nu? In het gedeelte van Lucas 18 spreekt Jezus over een weduwe, die van haar recht was beroofd. Haar tegenstander probeerde haar bezittingen, die haar man had nagelaten, af te pakken. Daarom sleepte zij hem voor de rechter en riep deze toe: ‘Doe mij recht tegenover mijn tegenpartij’. De rechter was een man van de wereld, letterlijk een ‘niet rechtvaardige’, die geen rekening met God hield. Toch verdiende hij lof, want hij ‘ontzag niemand’. Hij was dus onpartijdig en keek niemand naar de ogen. Hij joeg de vrouw niet weg, maar deed wat zo vaak voorkomt: hij schoof de zaak op een zeer lange baan, net als vandaag. Toen dreigde de weduwe zijn fouten openbaar te maken. Dit zou voor hem een klap in het gezicht zijn geweest, want zijn reputatie als eerlijke rechter stond op het spel. 

De weduwe is hier beeld van een Bijbelse gemeente in deze tijd. Ondanks het eeuwig evangelie van herstel, zijn er in de gemeente nog zieke en zwakke mensen. Zij kunnen de volkomenheid niet bereiken, omdat ze onder pressie staan van de demonen van de duisternis, die hun de gerechtigheid, de vrede en de blijdschap van het koninkrijk van God roven. Maar men mag belijden: ‘Jezus Christus is gisteren en vandaag dezelfde!’ Men mag nog steeds roepen als de weduwe: ‘Doe ons recht tegenover onze tegenpartij, de satan’. Dat recht mag men ontlenen aan de geschonken beloften en men mag daar op gaan staan.

  • ‘Roep mij aan en Ik zal je antwoorden, Ik zal je grote, wonderlijke dingen bekendmaken, dingen die je volkomen onbekend zijn’ (Jer.33:3).