
- ‘U hebt hem voor korte tijd beneden de engelen gesteld’ (Hebr.2:7).
De opnieuw geboren christen is verbonden met het woord ‘geestelijk.’ Er wordt gesproken over geestelijk erfgoed, geestelijke belangen, een geestelijke strijd, geestelijk inzicht, geestelijke waarden en geestelijk onderscheidingsvermogen in geestelijke zaken. In kathedralen, kerken en kloosters wordt hier nauwelijks over gesproken. Hoeveel van deze zich christelijk noemenden zullen dit woordje ‘geestelijk’ dan ook wezenlijk verbinden met de wereld van geesten, waarover de Bijbel spreekt? Het is moeilijk voor de meesten om zich op dit terrein los te (laten) maken uit de traditionele opvattingen waarin zij eeuwen lang verstrikt geraakt zijn. Zij zijn niet gewend om bij ‘geestelijk’, met goede én slechte engelen rekening te houden.
Strijd in de hemelse gewesten

Paulus zegt, dat de strijd niet tegen vlees en bloed gevoerd moet worden, maar dat er sprake is van een worsteling tegen de boze geesten in de hemelse gewesten (Ef.6:12). Een geestelijke strijd gaat tegen geesten, tegen de demonen, de miljarden afgevallen engelen van satan. Aan de andere kant betekent het ook hulp uit de geestenwereld, namelijk door ondersteuning en bescherming van de goede engelen die ‘dienende geesten zijn, uitgezonden voor hen die de redding zullen erven’ (Hebr.1:14). Het is voor de opnieuw geboren christenen van het grootste belang te weten wat God in genade aan hen geeft. Hiervan spreken zij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door Gods Geest geleerd zijn, zodat zij het geestelijke met het geestelijke vergelijken: ‘Een ongeestelijk mens aanvaardt niet wat van de Geest van God is, want het is dwaasheid en hij kan het niet begrijpen, omdat het alleen gééstelijk te beoordelen is’ (1 Cor.2:13,14). In de wereld van de zogenaamde ‘heidense volken’ is het veel gemakkelijker om het begrip ‘geestelijk’ te verbinden met de wereld van geesten, dan in een ontrouw kerkvolk dat alleen de náám ‘geestelijk’ gebruikt, maar de inhoud en betekenis ervan in feite verloochend heeft en in geen enkel opzicht rekening houdt met de realiteit van gevallen engelen. De kerken zijn gewoon demonenblind.
Goede en kwade geesten
God is Geest, leert de Bijbel. Hij is ook de Vader van de geesten (Hebr.12:9). Hij schiep de engelen als geesten. Hij schiep de planten en ook de dieren als levende stoffelijke wezens, maar in de mens verbond Hij de levende stof met zijn Geest. In de schepping van de mens heeft God zich als doel gesteld het hoogste te bereiken in hemel en aarde. Hij maakte de mens als koning en wilde alle dingen aan zijn voeten onderwerpen, waarbij Hij niets uitzonderde, dat niet aan de mens onderworpen zou zijn. Hij blies zijn eigen levensadem in hem en onderwierp de engelen aan hem: ‘Zijn zij (de engelen) niet allen dienende geesten?’
De val van de verzegelaar van de som: dé slechte troonengel

De satan en zijn demonen hebben dit dienende karakter verloochend. Tegenover God verliet satan dit beginsel door zich aan de Allerhoogste gelijk te stellen. De mens kreeg hij in zijn macht door de val van Adam in het paradijs, en daardoor kan satan de mens aan zich onderwerpen. Door zonde en ziekte overweldigt de duivel de mens (Hand.10:38). Als machten van de lucht, werken satans demonen nu in de kinderen van de ongehoorzaamheid (Ef.2:2). ‘Wie de zonde doet, is een slaaf van de zonde’, zegt Jezus.
Demonen zijn reëel

Zonde is niet een abstract begrip, maar zij wordt geïdentificeerd met gevallen engelen. De Bijbel spreekt van ‘dienstknechten van de zonde’, wat meer betekent dan louter beeldspraak. Wij worden opgeroepen om ons lichaam niet tot gebruik van demonen te stellen ‘tot wapens van de ongerechtigheid, in dienst van de zonde’ (Rom.6:13). Het werk van de demonen is om de mens van de wetten van God los te maken.
‘De ziel die zondigt zal sterven’

Zonde is wetteloosheid. De mens gelooft dan wat de duivel hem vertelt. Wijkt iemand in zijn geloof van de enige ware God af, dan luistert hij naar ‘leringen van boze geesten’ (1 Tim.4:1). Een leugengeest houdt een man voor, dat een andere vrouw aardiger en aantrekkelijker is dan zijn eigen vrouw. Hij vertelt echter niet dat hij zo niet mag denken. Zo iemand luistert naar de stem van de verleider. De begeerte in hem wordt opgewekt; hij geeft toe en de wetteloosheid gebeurt: ‘Daarna, als die begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volgroeid is, brengt zij de (geestelijke) dood voort’ (Jac.1:15). Op deze manier is de zonde in de wereld gekomen.
Ieder mens moet een keus maken. Voor of tegen God

De verantwoordelijkheid van de mens ligt in zijn keus én gehoorzaamheid. Een opwekkingsprofeet stelde een diep afgevallen volk voor de keus: ‘Als de Heer God is, volg Hem na; maar als het Baäl is, volg hem na’ (1 Kon.18:21). Wie zonde doet, heeft contact met de demonen en zijn geest wordt ermee verbonden. Hij wordt één van geest met de afgevallen engelen. De mens gaat verloren, omdat hij met de duisternis verbonden is. De mens wordt echter behouden, als hij met de Geest van God verbonden is.
Jezus boven (en voor korte tijd) beneden de engelen

Jezus Christus is mens geworden vanuit Gods Logos, Woord (Joh.1:1), zodat het doel van God met de mens bereikt zou worden. God laat zijn plan niet los. Het leven van Jezus op aarde was één grote worsteling tegen het rijk van satan. Wij constateren dat de boze geesten aan Hem onderworpen waren, want Hij dreef ze uit met de Woorden van God. De met Gods Geest vervulde Mensenzoon stond niet onder, maar bóven de engelen! De hoofdman te Kapernaüm bracht dit zo onder woorden, toen hij zei: ‘Heer, ik ben niet waard dat U onder mijn dak komt, maar spreek een woord en mijn kind zal beter worden. Want ik ben iemand die onder bevel staat en soldaten onder zich heeft. Tegen de een zeg ik: “Ga!” en hij gaat en tegen de ander: “Kom!” en hij komt en tegen mijn slaaf: “Doe dit!” en hij doet het.’
Deze hoofdman had het geheim van de autoriteit van Jezus in de geestenwereld begrepen. Als zijn knecht met hevige pijn thuis ligt, moeten de machten van satan aangesproken worden door één die meerder is. Toen Jezus deze hoofdman zo hoorde spreken, verwonderde Hij zich en zei tot de leerlingen: ‘Ik verzeker u, bij niemand in Israël heb Ik zo’n groot geloof gezien’ (Matth.8:5-13). Zonde en ziekte moesten wijken op gezag van Hem aan wie de duivelen onderworpen waren. In zijn strijd tegen de onreine geesten werd de Heer bijgestaan door de goede engelen. Zij kwamen en dienden Hem (Matth.4:11).
Waar de Mensenzoon in de juiste verhouding tot de Vader staat, verloochenen de goede engelen ook hun beginsel niet als dienende geesten. Als de Zoon in zijn benauwdheid en strijd het verlangt, zal de Vader Hem zelfs direct meer dan twaalf legioen (+/- 80.000) engelen ter beschikking stellen (Matth.26:33). Aan het einde van zijn leven werd Jezus echter tot zonde en tot ziekte gemáákt (wakker worden, Brunstad)! Toen werd het voor Jezus het uur van de duisternis. Hij werd voor een korte tijd beneden de engelen gesteld, vanwege het lijden van de dood. Langs deze weg bracht Hij vergeving, verzoening, verlossing en genezing voor allen die in Hem willen geloven.
Jezus, opgestaan tussen de doden uit

De Vader gaf Hem het getuigenis van de overwinning door Hem (tussen de doden uit), op te wekken en Hem het lichaam in verheerlijkte vorm weer te geven. De opgestane Heer was geen geest, toen Hij naar de hemel voer. Als mens ontving Hij deze plaats aan de rechterhand van de Vader. Als Mensenzoon werd Hem alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Als een deel van het eeuwige Woord van God, (Gods Logos, Joh.1:1) hoorde Hij in de hemel thuis, maar nu zit de Heer aan de rechterhand van de Vader als eersteling van de broers en zusters, ‘om velen van hen tot heerlijkheid (dat is aan de Heer gelijk) te brengen.’ Door Jezus Christus wordt dit plan van God uitgevoerd. Van deze Mensenzoon wordt gezegd: ‘Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid.’ Tot Hem en niet tot de engelen wordt ook gezegd: ‘Zet U aan mijn rechterhand.’ Jezus is geen geest, maar Hij heeft vlees en beenderen (Lucas 24:39).
Delen in zijn overwinning

Door het lijden en sterven van Jezus Christus ontvangen opnieuw geboren christenen de schuldvergeving en worden zij verlost van de macht van de duivel en zijn demonen. Zij ontvangen zelfs Gods Geest die rechtstreeks van de Vader en de Zoon uitgaat. Door deze Geest zijn zij meer dan overwinnaars en kunnen geen demonen hen scheiden van de liefde van God. Door deze Geest van God, waarmee Hij gedoopt was, wierp Jezus de demonen uit en door deze zelfde Geest, waarmee ook wij gedoopt worden, ontvangen wij de autoriteit om onreine geesten te verdrijven.
Gods Geest in ons werkt zowel het willen als het werken. Wanneer wij geestelijke dingen met geestelijke vergelijken, kunnen wij opmerken dat de demonen ons tot zonde brengen, als wij gehoor geven aan hun influisteringen en de gehoorzaamheid aan hen verkiezen boven de gehoorzaamheid aan de Geest van God, die door zijn leiding en kracht het goede in ons wil werken. Door Gods Geest worden wij één met Jezus Christus en daardoor worden wij behouden. Wij zijn nu één van geest met Hem. Mensen kunnen zichzelf ook vervullen met de duivel: ‘Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld?’ (Hand.5:3).
De doop met Gods Geest

Een mens kan ook vervuld worden met Gods Geest. Dan overwint de Heer in hem. Ieder opnieuw geborene die met Gods Geest vervuld is, heeft dezelfde bevoegdheden tegen het rijk van de duisternis als Jezus Christus, want zo één is ook boven de engelen gesteld. Deze mens zal als kind van God duivelen uitdrijven en zieken genezen. De gave van genezing is niet uit de mens, maar hoort toe aan Gods Geest, Die in hem woont en gebruik wordt in de strijd tegen het rijk van de duisternis. Wat de gelovigen binden in Jezus’ Naam, zal in de hemelse gewesten gebonden zijn en wat zij vergeven, zal kwijt gescholden zijn. In deze strijd worden de kinderen van God bijgestaan door miljoenen engelen (Hebr.12:22). Jezus Christus zal hun Naam belijden voor de Vader en zijn engelen. Al deze engelen zijn dienende geesten voor hen die uit God geboren zijn.
Dank aan Gods Geest die dit inzicht geeft door de Woorden van God. Ogen worden geopend voor het wezen van zonde en ziekte, maar ook voor de krachten die nodig zijn om deze openbaring van de duivel te weerstaan. De tijd nadert dat wij zullen omgaan met de engelen, zoals Hij dit deed. Steeds duidelijker zullen wij ons dan bewust worden van hun aanwezigheid en bescherming. In de Septuaginta staat wij in psalm 91: ‘U zult niet vrezen voor de verschrikking in de nacht, noch voor de vliegende pijl overdag, noch voor het kwaad dat in de duisternis rondgaat, noch voor het onheil en de demonen op de middag … want Hij zal voor u zijn engelen opdracht geven, dat zij u behoeden op al uw wegen … Leeuw en adder zullen van u weglopen, jonge leeuw en slang zult u vertrappen!’ Dit is de onderwerping van de toekomende wereld, waarover de Hebreeënschrijver spreekt!