
Openbaring 9:4-12
‘En tegen hen werd gezegd dat ze geen schade mochten toebrengen aan het gras (de jeugd) van de aarde, of welke groene plant of welke boom dan ook, maar alleen aan de mensen die het zegel van God niet op hun voorhoofd hadden. En hun werd macht gegeven, niet om hen te doden, maar om hen te pijnigen, vijf maanden lang. Hun pijniging was als de pijniging door een schorpioen, wanneer hij een mens steekt. En in die dagen zullen de mensen de dood zoeken maar die niet vinden. En zij zullen ernaar verlangen te sterven, maar de dood zal van hen wegvluchten’ 4-6.
Het occultisme is geen zonde van het natuurlijke leven, het is een kwaad dat zich in de geestelijke wereld afspeelt. Door de zonde van het spiritisme wordt de mens rechtstreeks met de demonen van het dodenrijk in contact gebracht. Deze gevallen engelen komen uit de plaats van de pijniging. Zij werden daar gevangen gehouden of bewaard, omdat zij gemeenschap met de mens hadden gehad (Gen.6:1-4; Judas 6). De kwelling van een demon bestaat hierin, dat hij onder druk gezet en overheerst wordt. In de afgrond wordt hem ieder soort ‘werk’ belet, terwijl iedere geest juist kracht en activiteit is. Ook komt hij daar onder de heerschappij van de verderver, Apóllyon. De eenheid van de demonische legers bestaat niet uit een band van onderlinge liefde, maar uit een volmaakt doorgevoerd dwangsysteem. Vooral vandaag is dit al duidelijk te zien in politieke en religieuze systemen, waarin de ‘voorlopers’ van deze demonische grootvorsten werken (1 Joh.2:18).
De put van de afgrond geopend

Hun pijniging wordt opgeheven, wanneer zij uit de afgrond opgeroepen worden en opnieuw van een mens bezit kunnen nemen (Op:9:1-3). Dan kunnen zij zich naar hun aard in wetteloosheid ontplooien. Zij zetten de menselijke geest onder druk en hebben zelf vrijheid tot expansie. Als de afgrond boven hen ontsloten wordt, zijn zij als uit gehongerde, wilde dieren, die losbreken en zich onmiddellijk op hun prooi werpen. De pijniging, die zijzelf in de afgrond ondergingen, brengen zij in hun slachtoffers over. Dezen staan onder enorme geestelijke druk, worden depressief en geïsoleerd van andere menselijke geesten.
Heiligen aanbidding…

Wij wijzen er ook op dat het aanroepen van gestorven heiligen een vorm van occultisme is. De Bijbel zegt duidelijk dat de in Christus ontslapenen van geen daadwerkelijk nut meer zijn voor hen die achterbleven. Anders zou Paulus niet geschreven hebben: ‘Maar nog in het vlees te blijven is nodig voor u … zodat u verder mag komen en dat u blij bent in het geloof’ (Fil.1:24,25). De gestorven christen is immers onttrokken aan het domein van de overste van deze wereld, de satan. Hij rust van zijn moeiten (Openb.14:13). Hij kan dus niets meer voor ons doen en wanneer iemand tegen het uitdrukkelijke bevel van God met hem contact zoekt, zal hij met de geesten van de duisternis contact krijgen. Openbaring 14:9 en 10 zegt: ‘Als iemand het beest en zijn beeld aanbidt en het merkteken op zijn voorhoofd of zijn hand krijgt, zal hij de wijn van Gods woede moeten drinken. Een woede die onverdund in de beker van zijn toorn die het teken van het beest draagt (666), dus occultist is in denken en doen, is geschonken. Hij zal in vuur en zwavel (de giftige geesten uit de afgrond) worden gepijnigd, onder de ogen van de heilige engelen en van het Lam.’
In 2 Corinthiërs 5:13 vertelt de apostel Paulus dat hij in dienst van God in geestvervoering kwam of ‘uitzinnig’ werd (St. Vert.). Dit voerde hem rechtstreeks tot de hoogte van Gods troon. Bij de vijfde bazuin is sprake van een uitzinnigheid in dienst van satan. De mens wordt ‘high’ en deze trance leert hem de diepten van satan (de afgrond) kennen (Op.2:24). Dan wordt zijn geest hierdoor zo overheerst en onderdrukt, dat hij voortaan niets goed meer kan doen. Zoals door de steek van een schorpioen de prooi verlamd wordt, zo wordt zijn geest machteloos door de aanraking met deze demonen. Naast geestelijke overheersing is er ook sprake van lichamelijke overheersing en pijn. Denk aan het gebruik van drugs, die naar hetzelfde verderf voeren en dezelfde gevolgen hebben voor het geestelijke en natuurlijke leven als het spiritisme.
Inklimmen over de muur

Ook zij die ‘geestverruimende’ middelen gebruiken, hebben de wens om de hemelse gewesten binnen te gaan, daar te leven en ervaringen te hebben. Zij gaan echter niet langs de weg die God in Jezus Christus bereid heeft, maar klimmen op onwettige wijze van buitenaf over de muur naar binnen en worden daarom geestelijk een prooi van de dief en de mensenmoordenaar, satan. Zij betalen de prijs met de verwoesting van hun lichaam en ziel. In die dagen zoeken de mensen door middel van spiritistische seances en door verdovende middelen de diepten van het dodenrijk. Zij zoeken contacten en ervaringen in de geestelijke wereld, maar worden door de demonen misleid en bedrogen. Vanwege hun psychische kwellingen willen zij sterven. De tegenhanger hiervan vinden wij in wat de apostel Paulus beleed, toen hij in gevangenschap onder zware geestelijke en lichamelijke druk schreef: ‘Ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn, want dat is verreweg het beste’ (Fil.1:23).
De demonen hoeven hun slachtoffers echter niet te doden. ‘Hun werd gegeven, dat zij hen niet zouden doden’. Dan zouden zij immers met de gestorven zielen terug moeten keren naar de afgrond of de gevangenis. Apóllyon staat hun toe de mensen zodanig te folteren, dat dezen tijdens hun leven al de ontbindende werking van de dood smaken. Deze ‘geesteszieken’ proberen zichzelf van het leven te beroven, maar hun pogingen falen. Zij moeten de beker van ontbinding helemaal tijdens hun aardse leven leegdrinken. ‘De dood vlucht van hen weg’, omdat de met hen verbonden demonen hen niet loslaten en weigeren met hun slachtoffers naar het dodenrijk terug te keren.
Vóór of tégen het sprinkhanenleger

Alle mensen die door het sprinkhanenleger worden gepijnigd moeten kiezen (Joël 1:1-3). Vóór Jezus en zijn gemeente of vóór de antichrist en zijn antichristelijke gemeente. De antichrist wil mensen rekruteren voor zijn oorlog tegen het Lam en hen dopen in de antichristelijke geest. Daarom pijnigt hij hen, maar houdt hij de dood op afstand en staat hij als machthebber over het dodenrijk niet toe dat mensen worden gedood. Dit eerste wee toont het karakter van de grote verdrukking. Een hersenspoeling die nog nooit eerder is voorgekomen. Een satanische, door de schijnelites en nepkerken goedgekeurde betovering, die nog nooit is voorgekomen. Samen met de volgende twee weeën wordt duidelijk wat de satanische acties voorstellen.
De antichrist en zijn ‘gemeente…’

Na vijf maanden (een geestelijk begrip), komt er echter een einde aan deze bijzondere pijniging. Zodra mensen op het leugenachtige aanbod van de antichrist ingaan en zich aan hem overgeven, houdt de pijniging op. Dit wordt in de antichristelijke gemeente bejubeld als een wonder en voorgesteld als een bewijs van zijn onbegrensde macht. De aanbidding voor hun leider neemt nóg absurdere vormen aan. In feite is het een bedrieglijk teken: Een oude, bekende truc van het rijk van de duisternis: de éne macht laten wijken voor een andere, grotere. Een ‘koud kunstje’ voor de aanvoerder van het demonenleger. Deze ‘oplossing’ brengt mensen definitief in zijn machtsgebied.
Op weg naar Armageddon

En zij samen vormen de antichristelijke gemeente die nu klaar staat voor de strijd bij Armageddon. De dodelijke wond genas (Op.13:3). Duidelijk wordt gezegd dat de slachtoffers van dit geestelijke exces niet vallen onder hen die het zegel van God op het voorhoofd hebben. Niemand van de gelovigen die in Gods Geest gedoopt zijn zal door deze plaag getroffen worden. Zij hebben immers het inzicht en de kracht om deze over de aarde uitzwermende machten te weerstaan. De kinderen van de gelovigen, het groene gras, worden niet beschadigd, omdat zij geheiligd en beschermd worden in hun ouders én in de gemeente. Het gewas (letterlijk alles wat groen is) stelt diegenen voor waarin leven is, die wel gedoopt zijn met Gods Geest, maar die nog beginnen op te groeien. Ook zij blijven onbeschadigd als zij zich concentreren op alles wat van God komt. Tenslotte blijven ook de ‘eikenbomen van de gerechtigheid’ (Gods zonen en dochters ) onaangetast. Er wordt gezegd dat het zegel van God op hun voorhoofden is, omdat zij vernieuwd zijn in hun denken (Op.7:3).
‘En de sprinkhanen zagen eruit als paarden die voor de oorlog klaargemaakt zijn. En op hun koppen droegen zij kransen als van goud en hun gezichten leken op gezichten van mensen. En zij hadden haar als haar van vrouwen en hun tanden waren als tanden van leeuwen. En zij hadden borstharnassen van ijzer en het geluid van hun vleugels was als het geluid van wagens met veel paarden die ten strijde snellen. En zij hadden staarten die leken op schorpioenen en er zaten angels aan hun staarten. En zij hadden de macht om de mensen schade toe te brengen, vijf maanden lang’ 7-10.

De close-up wordt meer gedetailleerd door de vergroting van het beeld. De sprinkhanen die vooral door hun kop op paarden lijken, worden nu grote, krijgshaftige strijdrossen. Het paard is een beeld van geestelijke kracht. Denk bijvoorbeeld aan de ruiter op het witte paard, het Woord van God, Jezus Christus, dat door de kracht van Gods Geest wordt gedragen. Hier is echter sprake van een duivelse, schrikaanjagende sterkte. Deze legers voeren een onheilige oorlog en verspreiden dood en verderf. Het occultisme is de grootste vijand van het rijk van God, omdat het Zijn kracht imiteert. Ook bij de spiritisten spreekt men over: wonderen, tekens, profetieën, genezingen, openbaringen en gezichten. Op de koppen van de paarden zijn kransen als van goud. Alles lijkt echt, maar het is het niet. Terwijl de stad van God straten heeft van zuiver goud (beeld van reinheid en heiligheid), is hier sprake van ‘als van goud’. Zo is het aangezicht van deze demonen ‘als van mensen’.
De misleide spiritisten menen met gestorven familieleden of vrienden te maken te hebben, maar zij ontmoeten in werkelijkheid de geesten die dezen vergezelden. De Bijbel spreekt vaak over deze geesten van doden. Jesaja zegt: ‘Als van de geest van een dode zal uw stem uit de grond komen en uw woord zal uit het stof piepen’ (29:4). Dezelfde profeet spreekt in hoofdstuk 8:19 over ‘geesten van doden, die daar piepen en mompelen’. Wij vinden hier duidelijke aanwijzingen dat deze geesten uit de diepte van het dodenrijk opkomen en de stem van de overledenen probeerden te imiteren. Men denkt te maken te hebben met een geliefde of vriend, die zich uit de andere wereld manifesteert, maar in werkelijkheid heeft men contact gelegd met een demon, die zich voor de gestorvene uitgeeft en wiens doffe stem als uit de afgrond komende, opstijgt.
‘Zij hadden haar als vrouwenhaar’. Sommige uitleggers schrijven over de charmes van deze duistere demonen in verband met de weligheid van de haarlokken! Zij doelen daarmee op seksuele excessen. Wij willen er echter op wijzen dat het haar de vrouw tot een sluier gegeven is (1 Cor.11:15). Deze geesten openbaren zich als gesluierd, zodat hun slachtoffers door de vaagheid van het astraallichaam hen niet als demonen herkennen zullen. Wanneer zij werkelijk zagen met wie ze te doen hadden, zouden zij hen nooit opgeroepen hebben. Het is bekend dat de manifestaties bij spiritistische seances nooit scherp zijn en altijd in het halfduister gebeuren. De verschijningen zijn steeds vaag. Wat zag de toveres van Endor? Een oude man gehuld in een mantel! Daarin meende zij, net als Saul, de profeet Samuël te herkennen.
Ontelbaar in menigte
Johannes zag de wrede demonen, die er op uit zijn hun prooi te verslinden, in hun ware gedaante: ze zijn fel, hard, agressief en ontelbaar in menigte. Opnieuw wordt erop gewezen wat het resultaat is, wanneer de mens opzettelijk met de geesten uit het dodenrijk contact zoekt. Het lijkt alles zo onschuldig, maar deze wezens hebben staarten als schorpioenen en angels. Het einde is dat de spiritist naar geest, ziel en lichaam vergiftigd wordt en niet meer in staat is zich uit de greep van deze occulte demonen los te maken. Bij de voorgaande oordelen wordt steeds een deel van het maatschappelijke of religieuze leven van de mensen aangetast. De grote afval is gekomen en de mens van de wetteloosheid openbaart zich steeds duidelijker en bruter. Het geestelijke leven wordt systematisch uitgeblust. Ook bij de volgende bazuin wordt het oordeel tot een gedeelte van de afvallige kerk beperkt.
Een storm van spiritisme en verslaving
Bij al deze bazuinen is steeds sprake van een derde deel dat ondergaat, maar van een tijdsduur wordt niets gezegd. De vijfde bazuin is echter wereldomvattend en haar lengte wordt aangeduid door een periode van vijf maanden. Er wordt een hausse van spiritisme en verslaving geschilderd, die de hele wereld overmeestert. De ‘dieptepsychologie‘ zal menen met onbewuste krachten in de mens te maken te hebben, maar zij zal deze niet in goede banen kunnen leiden, doordat het werkingen van demonen zijn. De kerken hebben de doop met Gods Geest met het spreken in talen als dwaasheid afgewezen en valt nu ten prooi aan de occulte geesten uit de afgrond.
‘En zij hadden een koning over zich, de engel van de afgrond. Zijn naam is in het Hebreeuws Abaddon en in het Grieks heeft hij de naam Apollyon. Het ene wee is voorbijgegaan. Zie, nog twee weeën komen hierna’ 11,12.

Aan het einde van de vijfde bazuin moet het leger dat uit de afgrond was opgekomen, zich opnieuw stellen onder zijn heerser, de koning van de afgrond. Zijn naam is een teken, want zowel het Hebreeuwse woord Abaddon als het Griekse woord Apóllyon betekenen verderf en verderver. Wie is deze zeer sterke macht, die uit de afgrond opkomt? Deze Apollyon is een van de sterkste geesten uit het dodenrijk. Hij is de rechterhand van koning Dood. We zouden kunnen zeggen, dat hij de uitvoerende macht is. De vorst van dit rijk, Dood ‘hemzelf’, blijft dus op zijn plaats en Apollyon wordt erop uitgestuurd. Alle hoop vanuit het rijk van de duisternis en van de dood is op hem gevestigd. Dit alles was een verschrikkelijke pijn, een wee, dat de mensen bang maakte. Maar door deze weeën heen nadert de gemeente tot de volkomenheid en zij maakt zich op voor de dingen die nog komen gaan.
In de tijd van de laatste bazuinen hoor je een drievoudig wee (Op.8:12). In deze periode werkt de antichrist toe naar de absolute macht in hemel en op aarde. Hij is niet tevreden met wat hij al in handen heeft. Hij wil een einde maken aan het geloof in Christus, de gemeente van Christus, de macht van Jezus Christus. Hij wil Gods Zoon van de troon stoten en alle macht in hemel en op aarde opeisen.
- In de tijd van het eerste wee richt de zoon van het verderf zijn aandacht vooral op ‘Babel’, om de voorhof te vertrappen (Op.11:2).
- Tijdens het tweede wee gaat hij een directe confrontatie aan met Jezus’ gemeente (met de twee getuigen) om ook de tempel te verwoesten (Openb.11:14).
- Om zijn uiteindelijk doel te bereiken gaat hij bij het derde wee de strijd aan met de hogepriester in de tempel, het hoofd van de gemeente: Jezus Christus zelf, in de slag bij Armageddon (Openb.16:16-17, 19:17-21).