
De onzienlijke wereld
Om de actuele gebeurtenissen in de religieuze wereld van onze tijd te kunnen analyseren en begrijpen, moeten wij allereerst naar de achtergronden ervan kijken. Daarvoor is het noodzakelijk de geesten te kennen die ‘godsdienstige leiders’ inspireren en activeren. Men kan wel zeggen dat men de Bijbel van kaft tot kaft gelooft, maar als het verstand niet geopend is voor de hemelse realiteiten, is men onverstandig en traag van denken. De schaduw wordt dan verward met de werkelijkheid: men leest wat er staat, maar verstaat niet wat men leest. De Bijbel is immers vooral en allereerst een geestelijk boek, dit wil zeggen dat hij in aardse beelden de werkelijkheden van het Koninkrijk van de hemelen beschrijft.
Het zwarte paard ontmaskeren – een opdracht voor de gemeente van Jezus Christus

We moeten ons verplaatsen in de onzienlijke wereld om inzicht te krijgen in de godsspraken van de profeten. Op die manier worden we vernieuwd in ons denken en zullen we andere conclusies trekken dan de godsdienstige leiders die niet verder komen dan de oude, natuurlijke beschouwingen. Wanneer wij in deze serie een helder licht willen laten schijnen op de ontwikkelingen in de ware gemeente én in de afvallige kerken, zal dit misschien pijn doen in de ogen van hen die alleen maar gewend zijn aan het halfduister. Dit is echter tijdelijk en voorbijgaand, want dit licht openbaart ons tegelijkertijd de volle waarheid en het wijst de weg naar de volmaaktheid (Matth.5:48).
‘Wat zijn ’tekens van de tijd’?

In de kerken spreekt men graag over ‘de tekens van de tijd’. Al tientallen jaren zingt men in kringen die geloven in een Bedelingenleer: “Al de tekens van onze dagen zeggen mij: de komst van de Heer komt dichterbij…” Met tekens bedoelt men dan allerlei onaangename gebeurtenissen in de natuurlijke en zichtbare wereld, zoals: aardbevingen, pandemieën, watersnoodrampen, wervelstormen, vulkaanuitbarstingen, hongersnoden, oorlogen en zelfs uitbreidingen van de wildstand, van ‘de wilde dieren van de aarde’. Dit zijn echter geen aanduidingen van de laatste dagen, want Jezus zei:
- ‘Kijk uit, wees niet bang; want dat moet gebeuren, maar het einde is het nog niet’ (Matth.24:6).
Ze zijn er immers altijd geweest en zullen er tot aan het einde blijven, net als eten, drinken, trouwen en kinderen krijgen. Al sinds het jaar 1830 wijzen veel mensen naar het Midden-Oosten en noemen het manipuleren van satan met het natuurlijke en ongelovige Joodse volk “een teken van de nabije komst van Jezus voor de gemeente”. Volgens deze tijdperkenknippers wordt de gemeente dan plotseling opgenomen, terwijl de Joden op aarde voor 2/3e deel worden afgeslacht en de rest nog in vuur ‘gelouterd’ wordt. De geforceerd opgenomen gemeente kijkt dan op harpjes spelend vanaf gerieflijke wolkjes toe… In het sensationele boek ‘De planeet die aarde heette’ schreef Hal Lindsey:
- “Mij werd verteld dat een oliemaatschappij die in dit gebied een seismisch onderzoek doet, een gigantische aardplooi ontdekte, die in westelijke en oostelijke richting dwars over de Olijfberg liep. De spleet gaat zo diep, dat de berg elk ogenblik kan splijten. Het wachten is op ‘de voet.’ Jezus’ voeten zullen de aarde raken op de plek waar zij de aarde verlieten, op de Olijfberg…”
- De spleet die de oliemaatschappij ontdekte, moet het dan ‘de voet’ mogelijk maken: “De kloof die dan ontstaat, zal dienen als schuilkelder voor de Joden…”
- Dit is dan de realisatie van de belofte: “Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste zit, overnacht in de schaduw van de Almachtige…”
‘Het teken van de Mensenzoon’ zal volgens Lindsey misschien bestaan uit een gigantische hemelse afbeelding van Jezus, die duidelijk zichtbaar voor iedereen aan de hemel verschijnt. Dan zullen mensen plotseling beseffen wie Hij is en de littekens zien die veroorzaakt werden doordat Hij aan het kruis werd geslagen. Wijselijk laat Hal Lindsey bij dit sterke verhaal maar weg, hoe deze ‘hemelse afbeelding’ tegelijkertijd aan de andere kant van de aardbol gezien kan worden. Van de opname van de gemeente geeft deze schrijver de volgende banale voorstelling:
- “Het gebeurde in het laatste kwartier van de kampioenswedstrijd en de tegenpartij had de leiding. Onze jongens hadden de bal. We speelden de bal terug en probeerden tijd te winnen. Het publiek werd razend. Nog maar één minuut te spelen en die werd verknoeid. Onze midvoor herstelde zich. Hij was nog geen meter van het doel toen, pats, weg was de midvoor, volkomen verdwenen, zo maar! Het was raadselachtig, zeer raadselachtig…”
Dit verhaal typeert duidelijk het niveau waarop de schrijver (en vandaag velen mét hem), zich beweegt. De aardsgerichte kerkganger neemt dit direct aan voor waar. Het gaat bij Lindsey niet over groei en ontwikkeling naar de mannelijke volwassenheid, zoals toch bij alles wat leeft te zien is. Hij gelooft in een abrupte, automatische afwikkeling van een geheimzinnig programma, waar de mens zelf verder buiten staat. Wij zijn ervan overtuigd dat bij zo’n ongeestelijke benadering van het ‘geheimenis’, waarbij ‘dit vergankelijke onvergankelijkheid aandoet en dit sterfelijke onsterfelijkheid’, de satan ook hier ‘in het laatste kwartier van de (geestelijke) kampioenswedstrijd de leiding heeft’. Jezus zegt tot de gemeente: ‘Wie overwint’, maar Hal Lindsey laat de gemeente vóór de behaalde overwinning opnemen.
In de jaren 70 van de vorige eeuw meende men een nieuw teken aan de hemel hebben ontdekt. Het was de komeet Kohoutek. Het tijdschrift van Basilea Schlink (de moeder-overste van de Evangelische Marienschwesternschaft ‘Die Wirklichkeit’), werd ook in Nederland onder de naam ‘De Realiteit’ bij duizenden in de brievenbus gestopt. De titel van deze speciale editie luidde in verband met de staartster: “Kort vóór de wereldramp bedreiging én uitredding!”. De gewone man heeft echter niets van dit teken kunnen bespeuren. Het was alleen voor astrologen waarneembaar. De kerstkomeet vertrok met de noorderzon. Nog steeds kijken paniekzaaiers ook nu weer uit naar nieuwe verontrustende verschijnsels in de natuur. Wij geloven echter dat we de Bijbelse tekens allereerst en bovenal in de geestelijke wereld moeten zoeken. Daar ontwikkelen zich ‘de realiteiten’ die in de zichtbare wereld hun gevolgen laten zien.
Wat zegt de Bijbel over de tekens van de laatste tijd?

In Mattheüs 24:30 staat: ‘Dan zal het teken van de Mensenzoon verschijnen aan (of ook hier: in) de hemel’. Openbaring 12:1 spreekt van ‘een groot teken in de hemel’ dat is in de onzichtbare wereld. Johannes ziet ‘een vrouw, met de zon bekleed, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd: ‘en zij was zwanger en schreeuwde in haar weeën en in haar pijn om te baren’. In dit gezicht wordt ons in beelden de werkelijkheid getoond van de echte gemeente. Het gaat tegen alle symboliek in om in deze vrouw Maria te zien en in de mannelijke zoon, die gebaard wordt, Jezus. Het is een bekend principe in de stilistiek dat het allegoriseren van dingen uit het verleden niet toelaatbaar is. Historische feiten mag men niet door vage beelden in nevelen hullen, maar men moet deze juist zo scherp en zo duidelijk mogelijk in het licht brengen en beschrijven.
Toen Johannes de Openbaring schreef, was het ongeveer 90 jaar geleden dat Jezus geboren werd. Als Johannes hiermee komst van Jezus bedoelde, had hij dat duidelijk opgeschreven, hij zou niet in beelden spreken. De vrouw is echter het beeld van de ware gemeente van Jezus Christus. Zij is immers ‘geroepen tot gemeenschap met de Zoon van God, Jezus Christus, onze Heer’ (1 Cor.1:9). In de eindtijd ziet de gemeente er goddelijk en heerlijk uit. In de onzienlijke wereld is zij bekleed met de zon, dit wil zeggen dat zij al haar schoonheid en glans van God gekregen heeft, want zij heeft deel aan de goddelijke natuur (2 Petr.1:4). De maan is de weerkaatsing van het licht van de zon en daarom staat er dat de Zoon de afstraling is van de heerlijkheid van de Vader (Hebr.1:3). De vrouw rust dus op het fundament Jezus Christus. Deze basis is niet vaag en onduidelijk, maar de apostel identificeert haar in Hebreeën 6:1,2 als:
- ‘Bekering van dode werken en van geloof in God, van een leer van dopen en van oplegging van de handen, van opstanding van de doden en van een eeuwig oordeel’.
Wie dit fundament niet onder zich heeft, bezit niet de Christus van de Schriften:
- ‘Want een ander fundament, dan dat er ligt, namelijk Jezus Christus, kan niemand leggen’ (1 Cor.3:11).
De krans van twaalf sterren op het hoofd van de vrouw wijst op overname van de leer van de twaalf apostelen. Daardoor wordt het denken van de gelovige vernieuwd. Zo heeft bijvoorbeeld het beeld van de helm van de verlossing ook te maken met een veranderde gedachtewereld (Ef.6:17). In Daniël 12:3 wordt geprofeteerd dat degenen ‘die velen tot gerechtigheid hebben gebracht, zullen stralen als de sterren, voor eeuwig en altijd’. Wij zijn rechtvaardigen, omdat wij de woorden van de apostelen aanvaarden. Zij gaven de boodschap van de schuldvergeving door en wij nemen hun getuigenis aan.
De ‘vrouw’ heeft op aarde geen aanzien, maar zij wordt gekenmerkt door haar eenvoud. Zij verwacht echter een mannelijke zoon voort te brengen. Hier ziet ze in al haar lijden en strijden naar uit, want deze zoon is het beeld(!) van de zonen van God, waar de zuchtende schepping naar uitziet. Wij gaan dus als gemeente van Jezus Christus een heerlijke toekomst tegemoet. Wij zien immers uit naar de mens van God die tot alle goede werken volkomen is toegerust (2 Tim.3:16). Dat is Gods belofte!
Een ander teken

- ‘En er werd een ander teken in de hemel gezien en zie, een grote rossige draak met zeven koppen en tien horens en op zijn koppen zeven kronen. En zijn staart sleepte een derde van de sterren van de hemel mede en wierp die op de aarde. En de draak stond voor de vrouw, die baren zou, om, zodra zij haar kind gebaard had, dit te verslinden. En zij baarde een zoon, een mannelijk wezen, dat alle heidenen zal hoeden met een ijzeren staf’ (Op.12:3-5).
Niet alleen wij, als kinderen van God, hebben te maken met de invloed van satan en zijn demonen. De hele schepping is aan hen onderworpen, maar zij die niet het fundament hebben gelegd in hun leven, missen het verweer dat de zonen van God bezitten. Daarom ziet de schepping met ‘reikhalzend verlangen uit naar het openbaar worden van de zonen van God’ (Rom.8:19). Wanneer de Bijbel het woord ‘zonen’ gebruikt, wijst dit woord op een groeiproces van de kinderen van God. De belofte is dat zij in de eindtijd tot geestelijke volwassenheid zullen komen, ondanks de dan zeer sterke tegenwerking van de vijand. Hoe groter echter het lijden en verdrukking gaan worden, hoe sterker de barensweeën worden, waardoor de mannelijke zoon voortgebracht wordt.
In de onzienlijke wereld is dus behalve de vrouw nog een ander herkenningsteken, namelijk het embleem van het rijk van de duisternis, de grote rode draak. In de hemelse gewesten staat hij klaar om de eindtijdgemeente, die haar onberispelijkheid bereikt, te verslinden of te verzwelgen, dit wil zeggen geheel in zich op te nemen. Zij zou dan geheel geïnspireerd worden door zijn antigoddelijk en duister denken. Hij zal dus proberen met dwalingen en manifestaties van zijn kunnen, zelfs deze uitverkorenen te verleiden. Er is sprake van zijn staart die een derde van de sterren van de hemel meesleurt en die op aarde werpt.
Dé antichrist

In de laatste dagen openbaart zich de staart van de draak als de antichrist of de valse profeet: ‘De profeet die leugen onderwijst, die is de staart’ (Jes.9:14; Op.13:11). De antichrist is het tegenbeeld van de Zoon van God. Zoals de Vader door Zijn Geest in de Zoon en in de zonen van God werkt, zo werkt de draak door het beest uit de afgrond in de antichrist en in zijn gemeente, de zonen van het verderf. In zijn visioen ziet Johannes hoe het Gods tegenstander lukt een derde van de sterren van de hemel te verleiden – dus een deel van de gerechtvaardigden door het geloof uit hun hemelse positie los te wrikken en dan op aarde te werpen, zodat de waarschuwing ook voor hen geldt: ‘Bedenk van welke hoogte u gevallen bent’ (Op.2:5). Veel christenen zullen dus in de eindtijd door een leugenleer worden misleid, waardoor zij hun hoge positie in de hemel zullen verliezen. Paulus schreef in 2 Thessalonicenzen 2:3 de waarschuwing:
- ‘Laat niemand u misleiden, op welke manier ook, want eerst moet de afval komen en de mens van de wetteloosheid zich openbaren, de zoon (en de zonen) van het verderf’.
Het begrip ‘afvallen’ houdt in, dat iets van zijn verhoogde standplaats wordt losgemaakt en op de grond terechtkomt.
De draak mag dan in de onzienlijke gewesten zijn, de valse kerk heeft haar woonplaats in de zichtbare wereld. Van haar leden zegt het laatste Bijbelboek dat zij ‘op de aarde wonen’ en niét in de hemel! We concluderen dat in de eindtijd veel christenen, door geraffineerde aardsgerichte dwalingen verleid, de hoge weg zullen verlaten om zich bij de ontrouwe kerk (de hoer) te voegen. In plaats van uit ‘Babylon’ te trekken, zullen ze erin terugkeren.