1. Spreken in beelden en verborgenheden

<<<<<

Jezus maakte openbaar wat sinds de grondvesting van de wereld verborgen geweest was. Daarom ontmaskerde Hij de demonen van satan en zij gehoorzaamden Hem (Marcus 1:21). Hij openbaarde het wezen van zonde en ziekte en gaf daarvoor de oplossing. Hij sprak over Zijn Vader in de hemel en over de heilige engelen. Achter de beelden die Jezus gebruikte, kon men de werkelijkheid van de geesten zien. Deze kennis van het Koninkrijk van de hemelen ontbrak in het oude verbond. Jezus toonde aan dat het onkruid de kinderen van de satan waren en het goede zaad die van het Koninkrijk van God. Zij werden dit, doordat zij óf de woorden van de satan óf de stem van God gehoorzaamden.

Het oude verbond (ook Rome en alle soorten Bijbelgordels vandaag): ‘ALLES KOMT VAN GOD!’

In het oude verbond zocht men de oorzaak van het kwaad bij de mens zelf. De vijanden van David waren alleen in de natuurlijke wereld. Hij streed tegen de volken, die zijn land omringden en er kwam een tijd, dat ‘de Heer hem aan alle kanten van al zijn vijanden rust gegeven had’ (2 Sam.7:1). Hij wist niet dat zijn geïnspireerde psalmen ook beelden van een geestelijke werkelijkheid waren. Hij zal onderzocht hebben, waarop Gods Geest in hem doelde, toen hij in psalm 22 zich afvroeg waarom God hem verlaten had. Of toen hij in diezelfde psalm profeteerde over de stieren, de buffels van Basan en de brullende leeuw, die hem omringden. Zo dichtte David ook over de priester-koning van God en sprak van diens vijanden, die als een voetbank voor zijn voeten gelegd werden: ‘Die koningen verplettert op de dag van zijn toorn en de volken berecht’ (Ps.110). En een andere psalmist zei: ‘Gelukkig hij die wraak zal nemen om jou doet wat jij ons hebt gedaan; gelukkig hij die jouw kinderen grijpt en op de rots zal verpletteren’ (Ps.137:8,9). Deze dichter heeft niet geweten dat hij sprak over het eigenlijke Babel, dat Johannes op Patmos beschreef en dat verbonden is met het beest uit de afgrond, Apollyon.

Nog steeds worden deze psalmen gezongen door het geestelijk blinde kerkvolk. Veel kerkmensen zijn niet in staat om deze wraakpsalmen naar de strijd in de hemelse gewesten tegen de onzichtbare vijanden te transponeren. Zij denken alleen op het natuurlijke vlak. Daarom geneert men zich voor dit soort uitspraken, omdat zij in strijd zouden zijn met het gebod van Jezus, dat wij de vijanden lief moeten hebben. Het is echter duidelijk dat deze liefde zich alleen uitstrekt naar wat God redden en verlossen wil, maar nooit naar satan en zijn demonen die wij in een heilige oorlog moeten verpletteren aan de rots, Jezus Christus. Wie het Nieuwe Testament kent, leest daar hoe Jezus de Farizeeën en Schriftgeleerden de oren waste: ‘Addergebroed, hoe zullen jullie ontkomen aan het oordeel van de hel’? Zou Zacharias zijn profetie begrepen hebben, toen hij zei: ‘We zullen bevrijd worden van onze vijanden, gered uit de greep van allen die ons haten’ (Lucas 1:71)? Dacht hij aan het natuurlijke volk van de Joden of aan het Israël van God, dat autoriteit ontvangen zou over het hele leger van de vijand (Lucas 10:19)?

Demonenblind

Jezus zei dat de geheimen van het Koninkrijk van de hemelen tot aan zijn komst verborgen gebleven waren. Men schreef aan God alles toe, zowel het goede als het kwade, kortom alles wat niet natuurlijk te verklaren was en alles wat uit de geestenwereld tot de mensen kwam. In het absolute is het natuurlijk waar, dat alle dingen hun oorsprong uit God hebben en buiten Hem niets gebeurt. Hij is de schepper van alles, ook van de engelen en de toenmalig afgevallen groep engelen (de satan en zijn leger). Men miste echter het juiste inzicht in het rijk van God en in het koninkrijk van satan.

Demonische invasies in de kerk

In het boek Joël wordt het (geestelijke) Jeruzalem door een vijandelijk leger verwoest:

  • ‘Want het is de Heer – zijn stem schalt voor zijn leger uit, zijn strijdkrachten zijn geweldig, zijn bevel wordt met groot vertoon volbracht’. Daar wordt gezegd: ‘Ik zal u vergoeden de jaren, toen de sprinkhaan alles opvrat, de verslinder en de kaalvreter en de knager, mijn groot leger, dat Ik op u afzond’.

Hoewel God over alles regeert en niets buiten zijn plan gaat, is hier toch géén sprake van een leger van heilige engelen. ‘Mijn groot leger’ wordt hier in werkelijkheid gevormd door engelen van satan.

Vóór de komst van Jezus, miste Israël de onderscheiding tussen het rijk van het licht en dat van de duisternis die beiden naar vaste wetten functioneren. Zo wordt in het hele het Oude Testament gezegd:

  • ‘Ik ben God, er is geen ander die het licht vormt en het donker schept, die vrede maakt en onheil schept. Ik ben het, God, die al deze dingen doet’ (Jes.45:7).
  • ‘Komt uit de mond van de Allerhoogste niet goed zowel als kwaad?’ (Klaagl. 3:38).
  • Naomi klaagt: ‘Toen ik hier wegging had ik alles, maar God heeft mij met lege handen laten terugkomen. Waarom mij nog Naomi noemen, nu God zich tegen mij heeft gekeerd, nu de Ontzagwekkende me kwaad heeft gedaan?’ (Ruth 1:21).
  • Job zegt tegen zijn vrouw: ‘Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden?’ (2:10), terwijl toch duidelijk door de schrijver van dit boek vermeld wordt, dat satan de veroorzaker van Jobs ellende was.
  • In Deuteronomium 7:14 wordt gezegd dat God de ziekte oplegt. Daarnaast wordt ook het lichamelijke gebrek aan God toegeschreven: ’Wie heeft de mens een mond gegeven? Wie maakt iemand stom of doof, ziende of blind? Wie anders dan ik, de Heer?’ (Ex.4:11).
  • Zelfs van de dood, die in het nieuwe verbond de laatste vijand van het Godsrijk genoemd wordt, staat: ‘De Heer doet sterven en doet leven, zendt naar het dodenrijk en leidt eruit omhoog’ (1 Sam.2:6).
  • In 2 Samuël 24:1 lezen wij: ‘Opnieuw ontstak God in toorn tegen Israël. Hij zette David tegen het volk op met de woorden: ‘Ga in Israël en Juda een volkstelling houden’. In 1 Kronieken 21:1 wordt deze verzoeking echter aan de duivel toegeschreven, want ‘Satan keerde zich tegen Israël en zette David ertoe aan in Israël een volkstelling te houden’.

De Oudtestamentische gelovige had geen kennis van de onzienlijke wereld: ‘Want God is in de hemel en u bent op de aarde’. Het ontging de Prediker dat God ook in de mens een geest heeft doen wonen, zoals er in Jacobus 4:5 staat en dat daarom de mens geen dier is, maar een plaats heeft in de hemelse gewesten. Zijn inzicht was: ‘Ik zei tegen mezelf dat God de mensen heeft bevoorrecht: ze beseffen dat ze als de dieren zijn. Niet meer dan de dieren zijn ze, want de mensen en de dieren treft hetzelfde lot. Zoals een dier sterft, zo sterft ook een mens; ze delen in dezelfde adem. Dat is hun beider lot. Een mens is niet beter af dan een dier, want alles is leegte. Alles gaat naar dezelfde plaats, alles is uit stof ontstaan en alles keert terug tot stof’ (Prediker 3:18-20 en 5:1).

De openbaring

Jezus zei in verband met de geheimen van het Koninkrijk van de hemelen:

  • ‘Veel profeten en rechtvaardigen hebben ernaar verlangd te zien wat jullie zien, maar ze kregen het niet te zien en te horen wat jullie horen, maar ze kregen het niet te horen!’ (Matth.13:17).
  • De strijd werd door Hem van de aarde naar de hemelse gewesten verlegd: ‘Trek de wapenuitrusting van God aan om stand te kunnen houden tegen de listige streken van de  duivel. Onze strijd is niet gericht tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelse gewesten’ (Ef.6:11,12).

Onze vijanden zijn satan en zijn demonen. In het oude verbond werd met hun aandeel in het veroorzaken van zonde en ziekte geen rekening gehouden. Wanneer Jezus over het Koninkrijk van de hemelen vertelt, worden zij ontmaskerd en moeten zij wijken:

  • ‘Hij trok rond in heel Galilea; hij onderwees in de synagogen, bracht het goede nieuws van het koninkrijk en genas iedere ziekte en elke kwaal onder het volk’ (Matth.4:23).

Jezus kwam om de mens te verlossen van de zonde en de ziekte. Deze komen niet van God, maar het zijn werken van de duivel, die door Hem verbroken werden (1 Joh.3:8 en Hand.10:38). Jezus streed tegen de zonde en de ziekte en daarom tegen de satan, dat is de tegenstander van God.

Een dochter van Abraham vrijgemaakt

De dochter van Abraham, die ‘een geest van zwakheid had en daardoor helemaal krom liep’, was achttien jaar lang door de satan gebonden (Lucas 13:16). Wat de verzoekingen betreft, openbaart de apostel:

  • ‘Wie in verleiding komt, moet niet beweren: ‘Die verleiding komt van God.’ Want God stelt niemand aan verleiding bloot, zoals hij zelf ook niet door iets slechts in verleiding kan worden gebracht. Iedereen komt in verleiding door zijn eigen begeerte, die hem verleidt en meesleept. Is de begeerte bevrucht, dan baart ze zonde; en is de zonde volgroeid, dan brengt ze de dood voort. Geliefde broers en zussen, vergis u niet: elke goede gave, elk volmaakt geschenk komt van boven, van de Vader van de hemellichten’ (Jac.1:13-16).

God doet geen mens kwaad en Hij stuurt geen engel om te verzoeken en geen leger om te verwoesten. Dit doet de satan wel, want deze is Gods tegenstander. God is goed! Wat het sterven betreft, wanneer de Prediker vraagt: ‘Wie zal ooit weten of de adem van een mens naar boven opstijgt en die van een dier afdaalt naar de aarde?’ antwoordt Paulus: ‘We blijven vol goede moed, ook al zouden we ons lichaam liever verlaten om onze intrek bij de Heer te nemen’ (2 Cor.5:8).

Waarom ging Jezus het land door om te spreken over het Koninkrijk van de hemelen, terwijl zijn daden zijn leer ondersteunden? Wilde Hij daarmee het oude afbreken en als onwaar bestempelen? Nee, Hij kwam niet om de wet en de profeten te ontbinden, maar om die te vervullen, dit wil zeggen te volmaken of te completeren (Matth.5:17). Jezus was gekomen om het reddingsplan van God voor zijn schepping te realiseren.

Omdat dit in de onzienlijke wereld begon, was het noodzakelijk dat Hij eerst een duidelijk inzicht gaf hoe alles is en werkt in dit Koninkrijk. Het lag in de bedoeling van God om de mens in het verlossingsplan in te schakelen en dit is alleen mogelijk, wanneer hij kennis bezit van de geestelijke wereld. Om een nieuwe schepping te worden is het noodzakelijk de weg daar naar toe in de hemelse gewesten te kennen en daar vriend en vijand te onderscheiden. Wij zijn in alle opzichten actief betrokken bij het ingaan in de hemelse heerlijkheid, zoals het volk Israël strijdend het beloofde land in bezit nam.

In het oude verbond diende men God in het natuurlijke leven en werd men bij zijn sterven ‘tot zijn voorvaders verzameld’. Wanneer in onze tijd geloofd wordt dat een christen bij zijn sterven naar de hemel gaat, is dit een duidelijker inzicht, maar in het evangelie van Jezus Christus heeft het Koninkrijk van de hemelen een nog veel ruimere betekenis. Het gaat dan over de hele onzienlijke wereld, waar de christen dagelijks leeft en strijdt. Hij blijft daar, ook wanneer hij bij zijn sterven van de aarde losgemaakt wordt. Alleen deze laatste visie geeft inzicht in de weg van de verlossing en de overwinning.

>>>>>