
Het ‘eigen ik’ doden?
Kerkgangers roepen vaak op om ‘het eigen ik te doden…’ Wat wordt hier nu precies mee bedoeld? Hoe Bijbels is deze oproep in feite? Is de mens misschien een vijand van zichzelf waardoor zijn ‘eigen ik’ gedood moet worden? De E.O. heeft daar met al zijn verschillende programma’s al een soort van antwoord op gegeven. Heeft de geschiedenis niet geleerd, dat er in de mens alles vernietigende driften en instincten verborgen liggen? Ook theologen hebben er meer dan eens op gewezen, dat de mens niet deugt en geneigd is tot alle kwaad. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat er uitspraken komen over het ‘doden van het eigen ik.’ Een aantal vragen blijft daarbij echter onbeantwoord:
- Op welke manier moeten we dan het eigen ik doden?
- Kan dit werkelijk de bedoeling van God zijn?
- Wat moeten we doen met het Bijbelse gebod om je naaste lief te hebben als jezelf? Dat is toch iets anders dan jezelf doden!
De wet van de Geest van het Leven
In de brief aan de Romeinen schrijft Paulus onder meer: ‘Als u door de Geest de werkingen van het lichaam doodt, zult u leven’ (Rom.8:13). Let op dat Paulus niet zegt dat het lichaam gedood moet worden, maar de wérkingen van het lichaam. Paulus schrijft hier over twee wetten die hij met elkaar vergelijkt en daarbij tegenover elkaar zet. Beide wetten kunnen het leven van de mens op dramatische wijze beïnvloeden. Allereerst spreekt Paulus over ‘de wet van de Geest van het leven’ (Rom.8:2). Het is duidelijk waarom alle Bijbelvertalers hier het woord Geest met een hoofdletter hebben geschreven, het gaat immers over de Geest van God die leven geeft en onderhoudt. Wie door het geloof in de Zoon van God deel heeft gekregen aan en vervuld is met Gods Geest, gaat de werking en de leiding van Gods Geest ervaren.
‘God heeft gesproken door een van karakter Zoon’
- ‘Πολυμερῶς καὶ πολυτρόπως πάλαι ὁ θεὸς λαλήσας τοῖς πατράσιν ἐν τοῖς προφήταις ἐπ’ ἐσχάτου τῶν ἡμερῶν τούτων ἐλάλησεν ἡμῖν ἐν υἱῷ, ὃν ἔθηκεν κληρονόμον πάντων, δι’ οὗ καὶ ἐποίησεν τοὺς αἰῶνας⸃ (Greek Interlinear):
- ‘In het verleden heeft God vaak en op veel manieren tot de vaders gesproken door profeten. Maar nu heeft Hij in deze laatste dagen tot ons gesproken door een van karakter Zoon, Die Hij Erfgenaam gemaakt heeft van alles, door Wie (Gods Logos en niet Jezus als mens, Joh.1:1) Hij ook de wereld gemaakt heeft’ (Hebr.1:1,2).
Onze God wil zich in deze wereld openbaren. Omdat God echter Geest is, heeft Hij een lichaam nodig. In het oude verbond vond God dit lichaam in het volk Israël, in profeten, koningen en andere mannen van God. Omdat dit lichaam niet volmaakt was, kwam de openbaring van het wezen van God ook niet zuiver over. Wel zuiver was de openbaring van de Vader door Zijn Zoon Jezus Christus heen (Hebr.1:1,2). Nog steeds wil de Vader zich echter bekend maken en in het nieuwe verbond doet Hij dit door het lichaam van zijn Zoon, de gemeente. In dit lichaam werkt Gods Geest en wel op dezelfde manier als Deze actief was in Jezus Christus.
De wet van de zonde
Het probleem is echter dat in mensen, die nu het lichaam van Christus vormen, vroeger een andere geest werkte. In de brief aan de gemeente te Efeze identificeert de apostel deze geest met de woorden:
- ‘De overste van de macht van de lucht, van de geest die nu werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid’ (Efeze 2:2).
Paulus voegt daar de onthutsende gedachte aan toe, dat wij allen onder de invloed van die geest hebben gestaan. De apostel heeft als geen ander inzicht in de wetten of wetmatigheden van de geestelijke wereld. Hij weet hoe niet alleen de Schepper van hemel en aarde zich in en door de mens bekend wil maken, maar ook dat er concurrentie is, dat de vijand van God en mens zich wil openbaren.
Vanaf het prille begin heeft de satan een claim op de mensheid weten te leggen. In het paradijsverhaal zien we voor het eerst deze vijand opdoemen. Misleidend, waarheid en leugen vermengend, weet hij greep te krijgen op de eerste mensen. Hier blijft het niet bij, want hij heeft in zijn koker ook nog andere pijlen om de niets vermoedende mens dodelijk te treffen. Pijlen met het opschrift:
- Geweld,
- moord,
- intimidatie,
- geldzucht,
- onreinheid,
- occultisme,
- hypnose,
- macht en zoveel andere.
Alle mensen zijn ooit in hun leven door een van deze pijlen in hun geest, ziel of lichaam beschadigd. Al bezweken ze maar een enkele keer voor welke demon van satan dan ook, daarmee had de satan een wetmatig recht op hun leven gekregen. Dit recht (de duistere greep op een mensenleven) noemt Paulus in de Romeinenbrief nu de ‘wet van de zonde en van de dood’ (Romeinen 8:2).
Concluderend kunnen we dus vaststellen dat er twee wetten zijn:
Achter de ene wet staat de satan met zijn demonenleger en achter de andere wet, onze Vader, de enkel goede God. De eerste wet brengt zonde en dood in de wereld en de andere wet leven en overvloed. Door Jezus kon de Vader zich in al zijn volheid, liefde en barmhartigheid bekend maken. Door de volgelingen van zijn Zoon lukt dit nog niet altijd. Geen wonder, zij hebben vaak heel lang geleefd onder de afschuwelijke ‘wet van de zonde en van de dood’. Hoewel zij vrijgemaakt zijn van deze knellende wet door hun geloof in Jezus Christus, zijn zij nog niet volmaakt. Er zijn beschadigingen die nog moeten herstellen. Er is gebrek aan kennis en misschien is er nog een geestelijke bagage of kerkelijke erfenis, die niet overeenkomt met de échte leer van Jezus Christus.
Leven door Gods Geest
Hoewel mensen door het geloof in Jezus Christus nieuwe scheppingen worden, betekent dit nog niet, dat hun oude meester, Satan (of een van zijn demonen) de strijd nu heeft opgegeven. Hoewel de gelovige nu geleid wordt door Gods Geest en uitziet naar het moment dat hij gelijk wordt aan het beeld van zijn Verlosser, blijft tegelijkertijd de satan zijn vurige pijlen op hem afschieten. De satan wil zich ondanks alles toch door die mens heen openbaren. Hij wil zijn grote bek gebruiken, zijn handen, voeten en ogen en zijn perverse ‘gedachten’. Paulus zegt nu: ‘Mens trap daar niet in! Als je dat doet, loop je het risico het doel dat God met jou heeft te missen. Sta de satan niet toe je lichaam en je ziel te misbruiken’. Of met Bijbelse woorden:
- ‘Want als u naar het vlees leeft, zult u sterven; maar als u door de Geest de werkingen van het lichaam doodt, zult u leven’.
Hier wordt dus het ‘eigen ik’ niet gedood, maar wordt de mens opgewekt om zich dood te houden voor de verleidingen vanuit het rijk van satan. De duivel kent onze zwakke plekken, maar toch hoeft dit niet een krampachtige worsteling te betekenen. De Geest van God die in ons woont zal satan de voet dwars zetten. Er staat immers heel duidelijk: ‘als u door de Geest de werkingen(!) van het lichaam doodt’.
Bevrijding van zondemachten
De gedachte zou bij iemand kunnen opkomen, dat ons lichaam iets duivels is. ‘Werkingen van het lichaam’ klinkt niet bepaald positief. Dit is echter een nogal vrome uitdrukking voor de strijd die christenen hebben tegen de demonen van satan. Deze wil de mens misbruiken om hem tot zonde en ongehoorzaamheid aan Jezus Christus te brengen. Het ‘eigen ik’ moet dus niet gedood worden, maar bevrijd worden van ‘de wet van de zonde en van de dood’. Johannes zegt: ‘Ieder, die de zonde doet, is een slaaf van de zonde’. Het is daarom beter te spreken van zondemachten in plaats van zonde. Wie zondigt, is een slaaf van de zondemachten, dus van satan. Daarom schrijft de apostel ook:
- ‘Wanneer dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult u werkelijk vrij zijn’ (Joh.8:34-36).
De Zoon van God is niet gekomen om onze persoonlijkheid geweld aan te doen en om onze innerlijke mens te doden, maar om ons vrij te maken van de onzichtbare demonen die ons dwingen om datgene te doen wat we niet willen doen en ons verhinderen om de goede dingen te doen, die we toch zo graag zouden doen (Romeinen 7). Zo wordt ons ‘eigen ik’ niet gedood, maar bevrijd en daardoor juist in staat gesteld om zich te ontwikkelen en met hulp van de Geest van God uit te groeien tot een volwassen en stabiele zoon van God. Wat een heerlijk en stimulerend plan van een levende God die met heel zijn wezen van de mens houdt!
Oude mens, nieuwe mens
Paulus spreekt in zijn brieven heel indringend over de oude en de nieuwe mens. In de Efezebrief schrijft hij onder meer:
- ‘Dat u de oude mens aflegt, die naar het verderf leidt, naar zijn misleidende begeerten en de nieuwe mens aandoet, die naar (de wil van) God geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid’ (Efeze 4:22-24).
Het is net alsof Paulus aan een jas denkt, die je uittrekt om daarna een andere, betere jas aan te doen. Zoals je van jas kunt wisselen, zo kun je ook tot een innerlijke verandering komen. In Romeinen 6 gebruikt de apostel het beeld van een begrafenis als hij het begrip oude mens introduceert. De oude mens is ‘mee gekruisigd’, is daarom ook gestorven en wordt dan tenslotte ook nog in het water begraven bij zijn doop, voor een hernieuwt leven.
Het vonnis is uitgevoerd

Betekent dit nu dat het ‘eigen ik’ moet sterven? Het woord ‘kruisigen’ brengt ons bij Jezus Christus. Hij stierf aan het kruis en omdat Hij het onberispelijke en zondeloze Lam van God was, stierf Hij niet voor eigen schuld, maar voor de zonden en overtredingen van álle mensen in de wereld. Toen Jezus uitriep: ‘Het is uitgevoerd’, gaf Hij daarmee te kennen, dat de hele mensheid voortaan in principe vrij was gekocht van de wetteloze geesten van de satan. Alle mensen kunnen in principe aanspraak maken op vergeving van schuld, geestelijke vrijheid, op genezing van geest, ziel en lichaam.
De mens moet een keus maken
We schreven ‘in principe’, daarmee aangevend dat deze genade de mens niet automatisch in de schoot wordt geworpen. Ook niet via een uitgevonden ’tijdperkenleer.’ Er wordt iets van hem gevraagd en dat is geloof! De mens die vanuit de nood (of vreugde) van zijn leven God aanroept om redding en herstel, ontvangt de verlossing van God op een heel krachtige en werkelijke wijze. Tot zo iemand zegt Jezus: ‘Ik ben ook voor jou gestorven en jouw zonden zijn met Mij mee gekruisigd’. Deze zonden werden gedaan door een mens die in onwetendheid leeft. Van de heidenen wordt immers gezegd:
- ‘Verduisterd in hun verstand, vervreemd van het Leven van God om de onwetendheid die in hen heerst’ (Efeze 4:18).
Camouflage van de satan

Deze onwetendheid betreft de geestelijke wereld en de strijd tussen Licht en duisternis die daar gevoerd wordt. Weinigen hebben daar zicht op. Voor veel kerkgangers is de term ‘strijden in de hemelse gewesten’ een leeg begrip. Onwetendheid is dan ook een wapen waarmee de satan en zijn demonen graag werken. Zo kan satan de onwetende mens verleiden en misleiden. Deze mens stelt zichzelf dan in dienst van de duisternis. Eigenlijk wordt de mens een werknemer van satan. Niet dat die mens zich dat altijd realiseert. Hij reageert op impulsen die in hem gelegd worden. Maar satan zorgt er wel voor dat hijzelf achter de schermen blijft. Zo wordt de mens een werktuig van satan. De toestand waarin deze mens nu leeft, noemt de Bijbel ‘de oude mens’.
Wat doet God hieraan? Hij zendt zijn medewerkers met het evangelie van Jezus Christus de wereld in. Door hún boodschap moet de onwetendheid plaats maken voor de kennis van het Koninkrijk van God. De ‘mens zonder God’ wordt tot bekering opgeroepen tot ‘geloof IN God’ en aangespoord om het dienstverband, dat hij onbewust en in onwetendheid met de boze geesten had aangegaan, te verbreken. Het oude leven (de vervreemding van God onze Schepper en de onwetendheid) worden afgelegd en uitgetrokken zoals men een oude jas uitdoet. Wie zich nu laat dopen maakt er de hele wereld getuige van dat zijn leven is veranderd. De oude mens blijft als het ware in het watergraf achter en de nieuwe mens vervolgt met blijdschap zijn weg.
Verdergaande vernieuwing
De nieuwe mens is de mens die de beslissing heeft genomen om Jezus Christus in het geloof te volgen. De nieuwe mens heet dan een nieuwe schepping en kenmerkt zich door begrippen als: gerechtigheid en heiligheid. Gerechtigheid herinnert aan volkomen schuldvergeving en heiligheid aan het gegeven, dat de nieuwe schepping niets meer te maken heeft met de demonen. De nieuwe mens is afgezonderd voor de dienst aan God. Ook het nieuwe-mens-zijn is een toestand. Soms wordt nog wel eens gedacht, dat de nieuwe mens ook al de volkomenheid bereikt zou hebben en bijvoorbeeld niet meer zou kunnen zondigen. Dit nu is beslist niet waar. De opnieuw geboren christen wordt in de brieven van Paulus inderdaad een nieuw mens genoemd, maar we lezen in deze brieven ook dat deze mens nog steeds behoefte heeft aan correctie en vertroosting. In de brief aan de Colossenzen laat de apostel ons dit heel duidelijk horen:
- ‘Bekleedt u met de nieuwe mens, die op weg is naar het ware inzicht, zich vernieuwend naar het beeld van zijn Schepper’ (Col.3:10).
Wie in het geloof staat en verbonden is met Jezus Christus, heet een nieuwe mens. Hoewel de oude mens officieel begraven is, kunnen gelovigen zich toch weer als oude, onveranderde mensen gaan gedragen. Het is duidelijk dat ze dan niet in het geloof staan en geen contact hebben met Jezus, hun Redder en met God, hun Vader. Dan kan de oproep klinken: ‘Doodt dan de leden die op aarde zijn’ (Col.3:5). Ook dat is uiteraard beeldspraak. Het begrip aarde heeft hier een negatieve klank, zie ook het boek Openbaring, hfdst.3:10; 6:10; 8:13; 11:10, 12:12; 17:2,8). Het is de plaats waar satan heerst. Het is inderdaad waar dat satan heel vaak verleidt door dingen die bij de zichtbare wereld horen:
- ‘Aanbidt mij en ik zal u de hele aarde geven…’
Hoe doden we nu de leden die op aarde zijn? Door je dood te houden voor de verleidingen en leugens van satan. Door hem in het geloof te weerstaan (en als de verleiding zo hevig is dat capitulatie dreigt) voorbede te vragen van ervaren kinderen van God. Zo zien we dat het afleggen van de oude mens niet een verwerpen van de eigen persoonlijkheid of een doden van het eigen ik is. Het is juist een heerlijk vrijmakingsproces, mogelijk gemaakt door het offer van onze Redder en Verlosser. Ieder die in het geloof op Jezus Christus wil zien, kan deze genezing (want dat is het) krijgen.
En toch leef ik!
- ‘Met Christus ben ik gekruisigd’.
Dit constateerde de apostel Paulus (Galaten 2:20). Dit houdt in dat hij zich dood hield voor de demonen die hem opnieuw onder hun gehoorzaamheid wilden brengen. Hij voegde er echter aan toe: ‘en toch leef ik!’ Dit is een triomfantelijke verklaring. Het echte leven begint namelijk met Jezus Christus. De mens is niet alleen voor de zichtbare wereld geschapen, maar ook voor de gééstelijke wereld. De hoogste roeping van de mens is dat hij in verbondenheid leeft met zijn Schepper. Pas wanneer dit werkelijkheid wordt, begint de mens te leven. Dit is het bovennatuurlijke leven. De enige manier om dit te realiseren is door Jezus Christus. Dankzij Hem kan Paulus uitroepen: ‘En toch leef ik’!
Christus leeft in mij
Dit nieuwe leven dat Paulus ontvangen heeft, is geen menselijk leven, het is niet ontvangen door menselijke inspanning of zich goed voordoen, maar het is een ontvangen leven. Aan dit leven mag niet het etiket ‘Paulus’ hangen, alsof dit leven alleen beschikbaar is voor mensen van het kaliber van de apostel. Corrigerend voegt de apostel er daarom onmiddellijk aan toe: ‘(dat is) niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij’. Het is ontvangen leven; alleen mogelijk geworden door het lijden en sterven van Christus. Paulus zegt hier dus niet dat het eigen ik gedood moet worden, maar dat de mens buiten Christus om, nooit deel kan krijgen aan het bovennatuurlijke leven in Christus:
- Zijn ‘ik’ is dan ook niet gedood, maar in de vrijheid gesteld.
- Zijn ‘ik’ is losgekomen van de onwetendheid en heeft nu kennis van het reddingsplan van God.
- Zijn ‘ik’ realiseert zich dat het woord van Christus in hem woont en dat de Geest van God zich nu met zijn innerlijke mens verbonden heeft.
Er is dus geen plaats voor eigen roem, want alles wat Paulus bezit, heeft hij door zijn geloof in Jezus Christus ontvangen. Hieruit volgt ook de consequentie dat Paulus in zekere zin geen eigen baas meer is. Hij heeft immers in het geloof Jezus als Heer van zijn leven aanvaard, wat betekent dat voortaan niet meer zijn eigen menselijke ambities zijn levensloop zullen bepalen, maar dat zijn Heer zijn verdere leven zal leiden. ‘Christus leeft in mij’ betekent: ‘Ik zal naar beste weten, onder leiding van Gods Geest het werk van mijn Meester voortzetten, wat mij dit ook mag kosten.’
Leven in geloof
Paulus was niet overgeestelijk, maar realiseerde zich heel goed dat hij ook nog met beide benen op aarde stond. Daarom voegde de apostel aan het slot van zijn triomfantelijke oproep nog toe:
- ‘En voor zover ik nu (nog) in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en zich voor mij heeft overgegeven’ (Galaten 2:20).
Het sleutelwoord in de voorgaande zin is: gelóóf. Deze woorden in Galaten zijn het diepe en oprechte getuigenis van een man, die door het evangelie van Jezus Christus gegrepen is en die niets anders meer wil dan zijn leven in de dienst van zijn Verlosser te stellen. Deze woorden zijn beslist geen psychologische verhandeling waardoor we onze innerlijke mens geweld aan doen. Hier is een mens aan het woord die afgezien heeft van een gemakkelijk en comfortabel leven. Een mens die tot op de fundamenten van zijn mens zijn geraakt is door de liefde van God. Heel persoonlijk voegt de apostel aan zijn uitspraak over zijn leven door het geloof toe:
- ‘De Zoon van God die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven’.
Hier is Paulus niet meer de scherpzinnige leraar of de strijdbare letterknecht. Hij is juist een mens die zich er niet voor schaamt dat het alleen de liefde van God en Zijn Zoon is, die hem gemaakt heeft tot wat hij is. Zo komt hij, ondanks de eeuwen die ons van hem scheiden, in zijn menselijkheid heel dichtbij ons en kan hij juist daardoor opnieuw een inspirerend voorbeeld worden voor velen!