
‘Hij riep zijn slaven en vertrouwde hun zijn bezit toe’ Matth.25:14b.
In de gelijkenis van de talenten gaat het over slaven, mensen die van hun eigenaar waren en hem dienden. Zoals gezegd in de intro, het gaat hier over Jezus, die na Zijn lijden en sterven klaar staat om zijn leerlingen, de slaven, te verlaten. Hij had beloofd dat hij zijn leerlingen niet onverzorgd als wezen zou achter laten. De slaven ontvingen het bezit van hun heer, of ook wel goederen, zoals andere vertalingen zeggen. In Hebreeën 9:1 en 10:1 wordt gesproken over de ’toekomende goederen’ voor allen, die Hem (als hogepriester) als hun redding verwachten’.
Dit ‘toekomende’ staat tegenover de tijd van de wet. In het oude verbond was de menselijke geest niet in staat de duistere machten te overwinnen. De strijd in de onzienlijke wereld ging toen aan de gelovigen voorbij. Men had geen inzicht in de ware vijanden van God en van de mens, maar streed alleen met aardse tegenstanders. In het nieuwe verbond ontvangen zij, die bij de Heer horen en die er gelovig om bidden, Gods Geest, die de menselijke geest ondersteunt en leidt in de strijd tegen zonde, ziekte en gebondenheid. Jezus zei over de strijd tegen en de overwinning op satan en zijn demonen:
- ‘Als Ik door de Geest van God de demonen uitdrijf, is het Koninkrijk van God over u gekomen’ (Matth.12:28).
- Dit Koninkrijk bestaat uit: ‘Rechtvaardigheid, vrede en blijdschap, door Gods Geest’ (Rom.14:17).
Wie meent dat dit Koninkrijk op een andere manier over hem zal komen, volgt een andere weg dan Jezus ons toonde. Er zijn kerkmensen, die dikke boeken schrijven over het overwinnende leven en toch de methode van Jezus (de strijd in de hemel) niet kennen. Ook al zijn deze kerkmensen nog zo vroom bezig en vergt het leven een uiterste krachtsinspanning, zij missen de echte verlossing en het ware leven in het Koninkrijk van God. Zonder het gelegde Bijbels Fundament in hun leven komt de mens immers tot niets.
Macht, eigenschap van Gods Geest

De leerlingen kenden de kracht door de doop met Gods Geest. Zij hadden er – in opdracht van hun Heer – al mee gewerkt. In Mattheüs 10:1 staat dat Jezus hun macht gaf over de onreine geesten om die uit te drijven. Ook kregen ze macht om alle ziekten en kwalen te genezen. Macht is een eigenschap van Gods Geest, waarmee deze autoriteit uitoefent in de onzienlijke wereld. Door de doop met Gods Geest krijgt de opnieuw geboren christen Gods Geest in zich en kan hij als een zelfstandige medewerker van God optreden. De Geest van God in hem is dan het geestelijke kapitaal waarmee hij werkt. Daarom kon Petrus, ondersteund door Gods Geest in hem, tegen de verlamde aan de Schone Poort zeggen:
- ‘Kijk naar ons…. Zilver en goud bezit ik niet, maar wat ik heb geef ik u; in de naam van Jezus Christus, de Nazoreeër: Wandel!’ (Hand.3:4-6).
Een menselijke geest is nodig om een aards en natuurlijk, menselijk leven te kunnen leiden. Men moet echter Gods Geest bezitten om een geestelijk of hemels mens te kunnen zijn. God wil dat de mens de volkomen volwassenheid bereikt, dus dat hij helemaal losgemaakt wordt van satans demonen. Op die manier is hij – door Gods Geest – tot ieder goed werk in staat (2 Tim.3:16). En goed werk is alle werk wat Jezus deed! Alleen door het bezit van Gods Geest is dit mogelijk van wat staat in : Jezus sprak over Gods Geest als de Trooster. Wat de genezing is voor het zieke lichaam, is de troost voor het lijden van de ziel. De Trooster neemt de pijn van de beschadigde ziel weg en herstelt deze.
De scheiding
- ‘Een zeker mens van hoge geboorte reisde naar een ver land om voor zich een koninkrijk in ontvangst te nemen en daarna terug te keren. En hij riep zijn tien dienaren, gaf hun tien ponden en zei tegen hen: Doe daarmee zaken totdat ik terugkom. En zijn burgers haatten hem en stuurden hem een gezantschap na om te zeggen: Wij willen niet dat deze man koning over ons zal zijn’.
Zo staat deze gelijkenis beschreven in Lucas 19:11-27. Iedere slaaf kreeg een pond. Die ene pond voor ieder van hen wijst erop dat allen dezelfde Geest, zijn bezit, ontvingen. In deze parallelgelijkenis wordt ook gesproken van ‘burgers die hun Heer haatten en hem een delegatie achterna stuurden met de boodschap: wij willen niet dat Hij koning over ons wordt’. Enkele dagen na deze uitspraak plaatsten de Romeinen boven het kruis van Jezus het opschrift: ‘Dit is Jezus, de Koning van de Joden’, terwijl de leiders van het volk Hem juist als koning verwierpen. De scheiding werd hiermee duidelijk zichtbaar.
Een paar mensen bleven Hem trouw. Dit waren de ‘slaven’ aan wie Hij zijn bezit, Gods Geest, op de Pinksterdag toevertrouwde. Zij begrepen de betekenis van de woorden van hun Heer: ‘Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld’ en ‘Mijn Koninkrijk is binnen in u’. Opmerkelijk is dat de haat tegen Jezus nog steeds bestaat. Wanneer de Heer weggaat uit ‘dit land’ om in een ‘ver land’ de Koninklijke waardigheid in ontvangst te nemen, dus wanneer Jezus naar de hemel is gegaan om zich te zetten aan de rechterhand van God, blijft de ontrouwe kerk, het grote Babylon, Hem als koning verwerpen. Zij sturen opnieuw dezelfde boodschap: ‘Wij willen niet dat Hij koning over ons is’.
Juist in kerken en groepen, waar men het natuurlijk volk Israël hoog acht, wordt ook nu dit koningschap van Jezus Christus geloochend. Men erkent Hem wel als ‘bruidegom voor de gemeente’, maar men verbindt zijn koningschap alleen aan het natuurlijke volk Israël. Als er staat dat Jezus de geboren Koning van de Joden is, vat men dit in de meest natuurlijke zin op en niet in de betekenis van de apostel Paulus, die in Romeinen 2:28,29 poneert:
- ‘Want niet hij is een Jood, die het uiterlijk is en niet dat is de besnijdenis, wat uiterlijk aan het vlees gebeurd, maar hij is een Jood, die het in het verborgen is en de ware besnijdenis is die van het hart, naar de geest, niet naar de letter. Dan komt zijn lof niet van mensen, maar van God’.
In deze kringen verzet men zich trouwens ook fel tegen de doop met Gods Geest. De burgers uit de gelijkenis ontvingen dan ook niet ieder een pond, maar zijn slaven die hem dienden. Van hen kon men verwachten dat zij voor hun Heer zouden werken met de gave, die hij hun gegeven had. De Scofieldbijbel zegt dan ook dat de belofte uit Handelingen 2 zegt: niet voor ons, maar voor het Joodse volk ‘in de laatste dagen’. Terwijl de Heer juist door de doop met Gods Geest zijn koningschap in zijn volk bewijst en openbaart in deze wereld.
Jezus Christus, Koning van de kerken?

In de kerken zegt men wel dat Christus, de ‘Koning van zijn Kerk’ is, maar men schuift Hem aan de kant door te beweren dat de mens zondaar (dat is slaaf van de satan) blijft tot zijn dood. Het koningschap wordt via de kerken dan ook niet geopenbaard in deze wereld. Men leert daar zingen: “In eigen oog een zondaar zijn…”. Dit is daarom ook geen erkenning van het koningschap van Christus, maar van de overheersing van de satan!
Er zijn dus twee groepen onderdanen te onderscheiden: de burgers die zijn koningschap verachten en zijn wezen en werken haten; en zijn slaven die hij zijn bezit toevertrouwt, verwachtende dat zij daarmee zullen werken en handel drijven, totdat hij terugkomt. Zo kan men ook het christendom in twee groepen verdelen: zij die het ‘aangedaan worden met kracht uit de hoogte’ niet erkennen voor zichzelf en deze Koninklijke gave zelfs verachten en bespotten; en zij die aanvaarden dat Jezus een voorbeeld voor hen is, die Hem willen volgen en Zijn methode om te verlossen en te helen overnemen. De eerste groep, de (zoge)naam(de)christenen, komen in feite niet verder dan de gelovigen van het oude verbond. Christus regeert niet in hen en door hen. Zij denken op dezelfde manier hun redding te moeten verdienen als de Oudtestamentische gelovigen en buigen zich nog maar al te vaak (en graag!) onder het juk van de Sinaï.
Veel mensen verlangen wel naar een opwekking, maar dan op Oudtestamentische wijze. Zij luisteren graag naar evangelisten, die door het land gaan met boetepreken. Zij roepen de mensen op tot het houden van nachtbidstonden en tot vasten en gebed. Zij zien daarbij uit naar figuren als Elia of Johannes de Doper. Maar deze godsmannen zijn volgens Jezus minder dan de minste die in het Koninkrijk van de hemelen leeft. Iemand die gedoopt is met Gods Geest – en dus burger is van de hemelse gewesten – is meer dan deze groten uit het Oude Verbond (Matth.11:11). Het niveau van de naamchristenen reikt daarom niet tot het peil van het nieuwe verbond. Zij, die Jezus wel willen volgen, worden door de leiders echter niet op de nieuwe ‘hoge weg’ gewezen.

Veel kerkleiders verwerpen bewust het evangelie ván Jezus. Daarmee onthouden zij de kerkmensen de methoden die Jezus gebruikte: het uitdrijven van demonen en de strijd in de hemelse gewesten. Zij erkennen zijn koningschap niet, want zij gaan niet de weg die Hij bepaald heeft. Zij erkennen niet dat Zijn manier van regeren de juiste en doeltreffendste is. Met al het geroep om bekering, bezinning, verootmoediging, schuldbelijdenis, komt het kerkvolk daarom geen stap verder, omdat de Heer ook nu nog zegt: ‘Dit moest men doen en het andere niet nalaten’. Zoals de profeten van het oude verbond het volk niet tot vernieuwing konden brengen, zo zal dit ook niet lukken door de ‘ontdekkende prediking’ in de kerken, of door een moderne opwekkingstechniek of de verbroederingspogingen van de zogenaamde opwekkingskringen.
Bekering betekent verandering van denken. Jezus volgen is vernieuwd worden in zijn gedachten, stoppen met het leven op een oudtestamentische manier, want de rechtvaardige leeft door gelóóf. In geloof aanvaardt hij immers de schuldvergeving en in geloof verlangt hij naar de doop met Gods Geest. Door het geloof krijgt hij inzicht in het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen, de onzienlijke wereld. Door het geloof beziet hij de situatie vanuit zijn hoge positie, want hij weet zich uit de duisternis overgezet in het Koninkrijk van Gods geliefde Zoon. Hij is met Christus opgewekt en heeft een plaats ontvangen in de hemelse gewesten en als een onderpand van de toekomstige erfenis (de steden in de gelijkenis) heeft hij Gods Geest ontvangen.
Het groeiproces

Wanneer een mens geboren wordt, bezit hij een menselijke geest. In Jesaja 42:5 staat: ‘Die aan de mensen de adem gaf en de geest aan hen die op de aarde wandelen’. Deze geest is als een zaadje, dat groeien en zich ontwikkelen moet, omdat alle eigenschappen en kwaliteiten er in besloten liggen. Deze groei kan geremd worden of gestuit, maar ook bevorderd. Daarom wiedt de tuinman het onkruid en vangt het ongedierte, terwijl hij de plant bemest, begiet en de voorwaarden geeft, zodat deze zich ongestoord kan ontwikkelen. Dit groeiproces onderscheidt deze ‘wereldgeesten’ of mensengeesten van de engelenwereld, die bij haar schepping zowel als individu als in aantal compleet was.
In het nieuwe verbond geeft Jezus Christus aan de opnieuw geboren mens die Hem erom bidt, Gods Geest. Deze verbindt zich met de menselijke geest. Door Gods Geest wordt het de mens mogelijk gemaakt om in een andere dimensie, in een hogere sfeer, te leven. Zo verzamelt de mens kennis van de natuurlijke dingen en zijn geest weet wat in hem is. Gods Geest geeft echter inzicht in de onzienlijke wereld en onderzoekt zelfs de diepste gedachten van God (1 Cor.2:10,11). Door Gods Geest zijn wij in staat de dingen te bedenken, ‘die boven zijn’. Door deze Geest kunnen wij het voorbeeld van Jezus volgen, omdat wij precies hetzelfde kunnen denken als Hij. Over deze vernieuwing van denken zei de Heer:
- ‘Wie Mij volgt, zal nooit in de duisternis wandelen, maar hij zal het Levenslicht hebben’ (Joh.8:12).
De menselijke geest heeft ook het vermogen om andere geesten te kunnen onderscheiden en te selecteren. Deze gave heeft ieder in het bijzonder nodig, die leiding moet geven. Gods Geest geeft óók de gave van onderscheiding, maar nu rechtstreeks in de hemelse gewesten. Jezus zelf gebruikte deze gave, toen Hij van Nathanaël zei: ‘Zie hier een Israëliet, in wie geen bedrog is’ (Joh.1:48) of toen Hij de Farizeeën aansprak met ‘addergebroed’ en tot hen zei: ‘Jullie hebben de duivel tot vader’ (Joh.8:44). Paulus gebruikte deze gave, toen hij vervuld met Gods Geest, Elymas de tovenaar scherp aankeek en zei: ‘Zoon van de duivel, vol van allerlei list en streken, vijand van alle gerechtigheid’ (Hand.13:9,10).
De mens bezit van nature de gave van het geloof, waardoor hij dingen aanvaardt die hij niet zintuiglijk heeft waargenomen. Er is een wijsheid van mensen, zoals Salomo bezat en er is een ‘wijsheid, die van boven komt’ (Jac.3:17), waarmee de sleutels van het Koninkrijk van de hemelen gehanteerd worden. Wij merken op dat ook demonen geestelijke gaven bezitten, hoewel zij deze wetteloos gebruiken. Jacobus 2:19 zegt dat de duivelen geloven dat God één is. Zij hebben ook kennis en onderscheiding van geesten. In Handelingen 19:15 antwoordt zo’n boze geest de zonen van Sceva met de woorden: ‘Jezus ken ik en van Paulus weet ik; maar wie zijn jullie?’ In de synagoge te Kapernaüm roept een onreine geest tot Jezus: ‘Ik weet wel, wie U bent: de heilige van God’ (Marc.1:24).
In de natuurlijke wereld kan de menselijke geest zijn prognoses of voorspellingen maken. Gods Geest vertelt ons de toekomst: ‘De Geest van de waarheid, zal u de weg wijzen tot de volle waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u vertellen’ (Joh.16:13). Er is echter ook sprake van waarzeggende geesten, die hun mediums de toekomende dingen laten voorspellen.
De gave van de genezing vinden wij op het natuurlijke vlak bij de mens en op het geestelijke niveau door Gods Geest, terwijl demonen werken in paranormale genezers. Wanneer de menselijke geest al zoveel rijk gevarieerde gaven bezit, dan is het wel zeer star en dogmatisch, om aan de Geest van God maar negen gaven toe te kennen. Nee, de Geest van God is veel rijker en oneindig meer gevarieerd dan de menselijke geest en zijn gaven zijn niet tot het getal negen beperkt. Het feit dat Paulus in 1 Corinthiërs 12:8-10 negen uitingen van de Geest noemt, houdt niet in dat er niet meerdere zouden zijn. In Romeinen 12:6-8 worden andere gaven opgesomd en nog is de lijst daarmee niet uitgeput.