Advent van een nieuwe tijd

Het waren donkere tijden voor de Israëlieten. Het leek wel of God zich niet meer met hen bemoeide. Er waren geen profeten meer. Gods stem onder het volk was verstomd. Het was de tijd na Ezra, die onder Gods leiding nog met een groep Joden teruggekeerd was uit Babel en die de tempel herbouwd had. Het was na de dood van Nehemia, die de muren van Jeruzalem had herbouwd. Er is niets over deze jaren geschreven in de Bijbel. De God van Israël leek weinig meer betrokken te zijn bij het lot van zijn volk. In sommige boeken kan men nog wel lezen over dappere mannen die nog streden voor de eer van God. Zoals de Makkabeeën die het eigen karakter van het Jodendom probeerden te behouden. Gods openbaring was er echter niet meer.

Er is in de Bijbel maar één witte bladzijde tussen het Oude Testament en het Nieuwe, tussen de oude geschiedenis en de nieuwere. Toch vertegenwoordigt deze bladzijde een geschiedenis van enkele honderden jaren. Jaren waarin het volk Israël alleen uit haar verwachtingen leefde, voor zover het nog verwachtingen had, maar waarin het God niet meer ervaarde als Vriend en Koning, als Helper van het volk. Men kende nog wel min of meer het geschreven Woord, de geschiedenissen uit het verleden, de wetten, de tradities en zelfs de beloften voor de toekomst. Maar dit alles was geen realiteit meer voor het volk van God.

Toch waren er in deze donkere jaren nog mensen van wie het leven wél vervuld was met de dingen van de Heer. Mensen van wie de geest wél afgestemd was op God en zijn plannen. Mensen die níet gedesillusioneerd waren door zijn zwijgen. Zij hielden in hun hele leven wél rekening met God. Zij leefden dichtbij God en worden in de Bijbel dan ook ‘rechtvaardigen’ genoemd. Toen God na al die honderden donkere jaren licht wilde brengen in de duisternis, waren het deze mensen die Hij gebruiken kon bij zijn plannen.

Denk bijvoorbeeld aan Maria, maar ook aan Jozef, die beschreven wordt als ‘een rechtvaardig man’. Denk aan Zacharias en Elisabeth, die beiden rechtvaardig waren voor God, zij ‘leefden onberispelijk naar alle geboden en eisen van God’. Denk aan Simeon, ‘rechtvaardig en vroom’, die de vertroosting van Israël verwachtte en op wie Gods Geest was. En denk tenslotte aan Anna die God onafgebroken in de tempel diende ‘met vasten en bidden, nacht en dag’. Toen God de tijd rijp achtte om zijn Zoon geboren te laten worden, waren het deze mensen, die met eigen ogen Gods heerlijkheid zouden zien. Zij zouden ingeschakeld worden in de realisering van zijn plannen.

God wilde geen theologen gebruiken, hoewel zij zich dag en nacht bezig hielden met de ‘wet en de profeten’. Ook geen strijders die vochten voor het behoud van het eigen karakter van de joden. Het waren enkele eenvoudige, onopvallende mensen, die in hun hart ‘de verborgen omgang met God’ kenden. Zij zouden deel hebben aan de komst van de Messias.

Gods initiatief

Het waren echter niet de mensen die de nieuwe tijd in beweging zetten. Het was God zelf die dat deed, maar Hij gebruikte daarbij diegenen, die daar klaar voor waren. Het eerste wat gebeurde na al die honderden jaren van duisternis, was de verschijning van een verblindend licht: Een engel ‘staande aan de rechterkant van het reukofferaltaar’ verscheen aan Zacharias. Dat was zo’n ongewone situatie onder de Joden van die dagen dat hij ‘ontroerde bij dat gezicht’. Hij werd bang. Hij kon niet begrijpen wat de engel zei over de komst van een zoon, die de voorloper zou worden van de verwachte Messias. Toch werd het waarheid voor hem.

Snel na die eerste verschijning was er opnieuw sprake van een engel. God zond zijn speciale boodschapper Gabriel om het geweldige nieuws ook aan Maria te brengen:

  • ‘En de engel zei tegen haar: Wees niet bang, Maria, want u hebt genade gevonden bij God. En zie, u zult zwanger worden en een Zoon baren en u zult Hem de naam Jezus geven. Hij zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste genoemd worden en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven en Hij zal over het huis van Jacob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde komen’ (Luc.1:30-33).

Op deze belofte had men eeuwenlang gewacht. De grote mannen van Israël hadden zo uitgezien naar de vervulling van de belofte. Nu de volheid van de tijd eindelijk aangebroken was, was het slechts een eenvoudig meisje, dat het blijde nieuws te horen kreeg. Waarom? Omdat zij met hart en ziel de Messias verwachtte en zelfs bereid was de schande ervoor te dragen. God stuurde ook een engel naar de herders om hen het blijde nieuws mee te delen. Het leek wel of God zijn hand opende om zijn volle heerlijkheid te tonen, toen er bij de engel een groot hemelse leger verscheen. Ze loofden God met de woorden:

  • ‘Eer aan God in de hoogste hemel en op aarde vrede onder de mensen in wie Hij een welgevallen heeft’ (Luc.2:14).

Het werk van Gods Geest

God stuurde niet alleen engelen, Hij deed nog meer dingen die moesten meewerken aan de realisering van zijn plannen. Deze leken weliswaar niet zo spectaculair, maar hadden zeker in het hele gebeuren een nog grotere betekenis dan de verschijning van engelen. Juist in de tijd dat God zijn beloften ging inlossen, was er sprake van een intense werking van Zijn Geest. Tot Maria, die de onmogelijkheid besefte van de woorden die ze hoorde, zei de engel:

  • ‘Gods Geest zal op u komen en kracht van de Allerhoogste zal u overdekken’.

Gods Geest was ver weg geweest in de duistere eeuwen vóór advent. Nu echter was Hij weer dichtbij die mensen gekomen die daarvoor openstonden en erin geloofden. Gods Geest kon in het leven van Maria het werk doen dat in mensenogen onmogelijk was. Bij Elisabeth was er een herkenning van de geweldige dingen die er stonden te gebeuren. Toen ze er bij de komst van Maria direct mee geconfronteerd werd, ‘sprong het kind op in haar schoot. Elisabeth werd vervuld met Gods Geest’. Door Gods Geest wist ze met heel zeker dat ze stond tegenover de moeder van de verwachte Messias. En op dat moment werd ze vervuld met grote blijdschap. Vanaf de buitenkant bezien was er niets spectaculairs aan de hand. Een oudere vrouw in verwachting, die een nichtje – dat (eigenlijk te vroeg) ook een baby verwachtte – in haar huis ontving. Hoe wist Elisabeth dat er wel degelijk iets bijzonders aan de hand was? Het was het werk van Gods Geest in haar hart, zij had contact met God.

Van Simeon staat geschreven:

  • ‘Gods Geest was op Hem’.

Is het niet wonderlijk dat er een man onder het oude verbond leefde, die  – 33 jaar voor Pinksteren – vervuld was met Gods Geest? Toen God zijn grote verlossingsplan voor deze wereld wilde gaan uitvoeren, heeft Hij zeker gezocht naar iemand waar Hij zijn Geest aan kon geven. En Hij vond de rechtvaardige en vrome Simeon, die met zijn hele hart bezig was met de beloften van God. Net als bij Elisabeth was er voor hem in de zichtbare wereld niets tastbaars aanwezig. Het zou nog jaren duren voor het kindje, dat hij voor zich zag, de blinden zou genezen en de verlamden zou laten wandelen.

De baby had geen Rooms ‘stralenkransje’, Catechismusje of belijdenispapiertje als herkenningsteken. Hij was in doeken gewikkeld zoals dat in die dagen normaal was. Hij lag ook niet in een stal met ezels, koeien en engeltjes, maar gewoon in een overvolle kamelen drive-in langs de weg. Ergens in een hoekje gestopt voor de bevalling in een broodbak. De priesters en andere bezoekers liepen er ongeïnteresseerd voorbij. En toch wist Simeon op het ogenblik dat hij het kind zag, dat hij hier te maken had met een wereldomvattend gebeuren. Ja, met een hemel en aarde omvattend gebeuren. Hij kon dit alleen weten door Gods Geest.

Het gejuich van advent

Hoewel in Bethlehem en in heel Israël het leven gewoon doorging en er vrijwel niemand was die enige aandacht schonk aan de geboorte van een timmermanskind, waren er enkelen voor wie een nieuwe tijd was aangebroken. Zij juichten daarom allemaal. Elisabeth juichte het uit, toen zij de nog ongeboren Christus ontmoette. Maria zong:

  • ‘Met heel mijn hart roem ik de Heer, met al mijn adem juich ik om God, mijn Redder. En heilig is zijn Naam, barmhartig is Hij, iedere generatie weer, voor wie Hem eerbiedigen’.
  • Toen Zacharias weer kon praten, sprak hij een juichende profetie uit: ‘Gezegend de Heer, de God van Israël, want Hij heeft zich het lot van zijn volk aangetrokken en het bevrijd… redding uit de macht van onze vijanden en uit de hand van allen die ons haten… Hij zou ervoor zorgen dat wij, zonder angst en bevrijd uit de hand van de vijand, Hem konden dienen, in heiligheid en rechtvaardigheid, al onze dagen’. 

Zacharias wist alleen nog maar van een ongeboren kind. Maar hij zag in de geest al de machtige Held die zijn volk van zijn vijanden zou verlossen. Het was de – door Gods Geest ingegeven – zekerheid dat hier het prille begin aanwezig was van een geweldige openbaring van Gods heerlijkheid, die hem liet juichen tot eer van God.

De herders keerden terug naar hun schapen, ‘God lovend en prijzend’, toen ze Jezus bezocht hadden. Wat hadden ze gezien? Wonderen en tekens? Macht en aanzien? Nee, alleen een baby in een voerbak. En toch waren zij blij! Simeon nam het kindje in zijn armen en loofde God. En ook Anna: ‘voegde zich bij hen; ze loofde God en sprak erover met allen die de bevrijding van Jeruzalem verwachtten’. Wat een moed van deze oude vrouw. Ze was niet alleen blij voor zichzelf, ze deelde haar blijdschap ook met anderen, die verlangend naar de komst van Jezus uitzagen.

De adventstijd van nu

Ook nu is er sprake van een Adventstijd. Opnieuw geboren en met Gods Geest vervulde christenen zien uit naar de openbaring van de Zoon van God, maar ook van de zonen van God. Zij leven in de donkere dagen voor Kerst. In de wereld om hen heen leeft men in steeds grotere duisternis. Er is namelijk ook nu een lege bladzij tussen het oude en het nieuwe dat staat te gebeuren. Veel mensen leven – net als de Joden van hun tijd – een oppervlakkig leven. Na al die eeuwen is er weinig verschil m.b.t. hun geestelijke toestand.

Heeft God in deze dagen dan nog iets te zeggen? Ja, God geeft ook nu de belofte van schitterende dingen die komen gaan. Geweldiger nog dan waar de Joden naar uitzagen. Ook nu weer zoekt God mensen aan wie Hij zijn heerlijkheid zal kunnen meedelen. Het zullen geen nooit bekeerde ‘theologen’ zijn die het enige Bijbelse Fundament tot aan vandaag afwijzen. Het zullen ook geen vechters zijn, die met spandoeken en agressie hun leuzen indruk proberen te maken. Ook nu zullen het de ‘rechtvaardigen zijn’. Mensen die met hart en ziel bezig zijn met de dingen van God en zijn Zoon, Jezus Christus. Het is heel goed mogelijk dat ook zij engelen zullen zien, die door God gestuurd zijn om nieuwe dingen bekend te maken. Niet zo dat de hele wereld er van af weet en dat de media er volop over spreekt. Het zal, net als met advent, aan de grote massa voorbij gaan. Veel zekerder zal het echter het werk van Gods Geest zijn, dat Gods plannen zal laten zien aan hen die geloven. Joël zegt:

Joël spreekt hier over de eindtijd. Meer dan ooit zal God door zijn Geest gaan werken. Het begon bij Pinksteren. Daar kwam de Geest van God niet voor de enkeling, zoals in de dagen voor Jezus’ geboorte, maar Gods Geest was bereikbaar voor iedereen die naar de openbaring van Gods heerlijkheid verlangde. God wil ook nu zijn Geest over ieder mens uitstorten. Maar dan moet die mens wel willen leven in Gods tegenwoordigheid en vol willen zijn van de dingen van de Heer. Nu is het nog donker, nu gebeuren er bijna nog geen ‘grote dingen’. Maar juist in deze duisternis moet men vasthouden wat men heeft en meer dan ooit, dichtbij de Heer leven.

Dit geldt voor het grote geestelijke wereldgebeuren, maar ook voor ieders persoonlijke leven. Op de belangrijkste momenten van het leven spreekt de Heer soms heel duidelijk. Dan grijpt Hij in en leidt Hij. Maar er kunnen ook jaren voorbij gaan, zonder dat men ook maar één keer zijn stem verstaat. Alleen al voor de schepping van de aarde heeft hij 13,8 miljard jaar gewerkt! Petrus zegt dan ook dat zelfs één dag voor God is als duizend jaar. God wil echter dat u zowel in het grote als in het kleine in zo’n tijd de moed niet verliest. Juist in een donkere periode zal blijken wie u in werkelijkheid bent. Dan zal God weten of Hij met u in zee kan gaan. Misschien bent u dan een van die ‘rechtvaardigen’, waar God mee werken kan.

Ook in de eindtijd zal de grote massa niet zien wat er staat te gebeuren. Het zullen in eerste instantie niet de grote wonderen zijn, die bewijzen dat een nieuwe tijd is aangebroken. Mensen, vol van Gods Geest, zullen de stem van de Heer echter wel verstaan. Zij zullen zeker weten, dat een geweldig verlossingsplan uitgevoerd zal worden. Zoals in Jezus’ dagen zullen veel mensen onverschillig blijven voor wat God doet en sommigen zullen zich er bewust van afkeren. Maar mensen die door Gods Geest in de tegenwoordigheid van God leven, zullen in de kleine dingen het handelen van God herkennen. Dan zullen zij net als Maria, Elisabeth, Zacharias, Simeon en Anna, blij zijn en juichen. Zij zullen zingen van Gods grootheid en heerlijkheid. Zij zullen niet zeggen: ‘Omdat ik geen grote wonderen zie, kan ik niet blij worden’. De juichkreet ontstaat door het spreken van Gods Geest en door de zekerheid dat God nu aan het werk is.

Opnieuw geboren christenen zijn blij omdat zij met hun geestelijke ogen dingen zien, die anderen (nog) niet zien. Zij prijzen de Heer omdat zij weten dat wat nu al gebeurt, slechts een kleine aanloop is van wat nog komen gaat: de openbaring van Gods volkomen heerlijkheid. Ze komen uit een diepe duisternis. Om hen heen is het nog steeds een donkere nacht. Maar ze zijn ervan overtuigd dat ‘de dag aanbreekt en de Morgenster zal opgaan in hun harten’. Als het zover is, wees er dan klaar voor. Dat is de echte adventsverwachting (uiteraard na een goed gelegd Bijbels Fundament in uw leven en geen valse surrogaten!).