Vervuld met Gods Geest

  • ‘Zij raakten allen vol van Gods Geest en begonnen te spreken in vreemde talen, zoals de Geest hun ingaf’ (Handelingen 2:4)

De belofte van de Vader

Wanneer op Goede Vrijdag herdacht wordt dat Jezus Christus als het Lam van God voor de zonde van de hele wereld stierf, wordt er terug gekeken op een historisch feit. Het verzoenend sterven van de Heer is voldoende voor alle mensen. Toch heeft de mens daar pas profijt van en worden zijn zonden pas vergeven, als hij zich tot God bekeert en in het geloof het woord van de verzoening door Jezus Christus aanneemt. Wanneer men op het Pinksterfeest belijdt dat God zijn Geest in zijn gemeente uitstortte, is dit ook een historisch feit. Toch volgt hier niet uit, dat iedere christen nu ook automatisch deze Geest ontvangen heeft bij zijn bekering of bij zijn doop. God geeft de mogelijkheid dat opnieuw geboren kinderen van God gedoopt worden met Gods Geest. Het is echter geen ‘koppelgeschenk’ in de zin van: als je opnieuw geboren bent ontvang je automatisch Gods Geest erbij. Er staat immers geschreven:

  • ‘God geeft Zijn Geest geeft aan hen die Hem daarom bidden’ (Lucas 11:13). Dus geen automatisme.

In Samaria waren mannen en vrouwen, die de woorden van God geloofden en zich lieten dopen in de naam van de Heer Jezus. Toch hadden deze gelovigen Gods Geest niet ontvangen, noch bij hun bekering, noch bij hun doop in water. We lezen dat Johannes en Petrus naar Samaria kwamen om Filippus te assisteren en de Samaritanen kregen deze ‘gave van God’. Veel kerkmensen zijn vandaag nog steeds misleid: zij denken dat zij niet om de Geest van God hoeven te bidden en dat al 18 eeuwen lang (Openb.6:6a).

Voordat Jezus naar de hemel ging, beloofde Hij zijn leerlingen dat zij bekleed zouden worden met een bovennatuurlijke sterkte, de kracht uit de hoogte (Lucas 24:28). Deze kracht hadden zij nodig in een demonische wereld, die geregeerd werd door de satan. In het oude verbond moest de richter Simson strijden tegen de Filistijnen, een beeld van de strijd tegen satan en zijn demonen. Zijn natuurlijke kracht was niet voldoende om hen te overwinnen, maar wanneer Gods Geest over hem kwam, was hij overwinnaar.

De gaven en de vruchten van Gods Geest 

Men zegt wel heel gemakkelijk dat men iets gedaan heeft in de kracht van God, maar men bedoelt dan de menselijke kracht. Misschien wordt die kracht dan wel gebruikt voor het Koninkrijk van God, zoals men ook zijn geld, zijn verstand en talenten gebruiken kan voor de gemeente. Maar de kracht van God werkt door Zijn Geest. Zonder deze kracht kan Christus zijn gemeente niet bouwen. Zonder Gods Geest zouden zijn volgelingen het inderdaad moeten doen met eigen energie, met eigen talenten en gaven, met als gevolg een grandioze mislukking. Alleen door Gods Geest en de geestelijke gaven, die men gevraagd én gekregen heeft door gebed, wordt de gemeente gebouwd. 

De gaven en de vruchten van Gods Geest zijn niet te scheiden. Zonder de gave van profetie is er geen opbouw van de gemeente. Zonder gaven van genezingen blijven er gehandicapten naar lichaam, ziel of geest, waarin het levenswater niet vrij kan doorstromen. Zonder deze kracht van Gods Geest staat men ver van het apostolische gebed:

  • ‘Door het uitstrekken van uw hand zullen genezingen en tekens en wonderen gebeuren door de naam van uw heilige knecht Jezus’ (Hand.4:30).

Door de doop met Gods Geest ontvangt men niet de geest van de wereld, maar de Geest uit God, zodat men weet wat door genade gegeven is, want ‘deze Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten van God’ (1 Cor.2:10-13). Voor iedere gemeente die streeft naar de doop met Gods Geest, zal Gods Geest komen met de ervaringen waarover de Joëlsprofetie spreekt:

  • ‘Uw zonen en dochters zullen profeteren en uw jonge mannen zullen gezichten zien en uw ouden zullen inzichten krijgen’ (Hand.2:7).
  • Petrus zei: ‘Dit is het, waarvan gesproken is door de profeet Joël.’
  • De Bijbel zegt: ‘Dit is het.’
  • God zegt: ‘Dit is het.’

Petrus zei niét: ‘Dit is historie en dus niet meer reëel’, maar hij profeteerde: ‘Het zal zijn in de laatste dagen!’

Spreken in andere talen

Paulus zegt: ‘Ik wil dat u allen in talen spreekt’ (1 Cor.14:5). Jezus zelf zei: ‘In andere talen zullen zij spreken’ (Marc.16:17). Op de Pinksterdag lachte men de talensprekers uit en dit is een gewoonte geworden tot aan vandaag. Men maakt ook nu op veel manieren dit woord van God krachteloos. Men gelooft niet in de wijsheid en kracht van de Bijbel. Men gelooft alleen in wat eigen verstand als juist en wijs wordt voorgespiegeld door nog nooit bekeerde kerkleiders. Men weigert zich te onderwerpen aan het gezag van de Woorden van God en men wil zeker niet in andere talen spreken. Het Bijbelse Pinksterfeest moet wel irriterend opwekken bij veel kerkgangers, omdat zij met de mond Gods woorden aannemen, maar tegelijkertijd met het hart deze afwijzen. Men wil geen bovennatuurlijke, Bijbelse ervaringen opdoen. Men wil niet met Gods Geest vervuld zijn op dezelfde manier als Petrus, Johannes, als Cornelius en Paulus. Men wil geen profetieën, geen openbaringen, geen gezichten, geen inzichten, geen talen en geen gaven van genezingen.

Sommige ‘Bijbelvaste leiders’ zijn niet tegen het talen spreken, maar alleen tegen de ‘uitwassen’. Tenminste, dat zeggen zij, maar noch zijzelf noch hun volgelingen spreken ooit in talen. De leerlingen spraken in vreemde talen van de grote daden van God (Hand.2:11). Natuurlijk hadden zij dit ook in hun eigen taal kunnen doen en in het Grieks, de taal die iedereen in die tijd verstond. Paulus zei:

  • ‘Wie in een taal spreekt, spreekt niet tot mensen, maar tot God, want niemand verstaat het; door de Geest spreekt hij geheimen’ (1 Cor.14:2).

Zijn er bijvoorbeeld Tibetanen of Indiërs, die de ware God in hun taal verheerlijken? Dat is niet na te gaan. Wel is het zo dat ook in deze mensentalen vandaag de dag God wordt grootgemaakt. Waar deze volken in hun eigen taal slechts de afgoden verheerlijken, staan duizenden om in hun taal Jezus Christus te loven en te prijzen. Paulus spreekt van talen van mensen en engelen (1 Cor.13:1). Deze laatste zullen hun directe functie hebben in de strijd in de hemelse gewesten. Zij worden daar verstaan en begrepen.

Maranatha – De Heer komt!

De uitstorting van Gods Geest in de laatste dagen staat in verband met de verwachting van Jezus’ terugkomst. De Pinkstergeest is echter gedoofd. Men heeft hem uitgeblust. Daarom spreekt men niet meer in talen en daarom profeteert men niet meer en hebben de kinderen en jongeren geen gezichten noch openbaringen. In deze dagen is de Woorden van de Heer schaars en gezichten zijn er weinig (1 Sam.3:1). God kan zijn gemeente niet meer bouwen door de gaven van zijn Geest, zoals Hij het bij het begin bedoelde.

Het schaamteloos samenwerken met de satan

Wij zien enorme ontrouw t.o.v. God en Jezus om ons heen. De zich ‘christelijk’ noemende partijen werken vandaag openlijk en zonder schaamte samen met het kwaad. De weerhouder, dat is Gods Geest, wordt al eeuwenlang tegengewerkt. In elke gemeente waar het werk van Gods Geest uitgeblust is, zal de wetteloze zich openbaren (2 Thess.2:1-12; Op.13:1, 11). Waar dit immers gebeurt, is er geen weerstand meer tegen de demonische geesten en krijgen deze de overhand (Op.8:6-13; 9:1-3; 9:4-12). Wie goed om zich heen kijkt, ziet dit vandaag steeds erger worden. Men heeft de Geest van waarheid weerstaan en men zal de leugen en de verdraaiing van de Woorden van God gaan geloven. Door deze massale ontrouw zal de satan, die ‘rondgaat als een brullende leeuw’, zijn prooi kunnen verslinden:

  • ‘Ik zal wonderen doen aan de hemel boven en tekens op de aarde beneden: bloed en vuur en walmende rook. De zon zal veranderen in duisternis en de maan in bloed, voordat de dag van de Heer komt, de grote en stralende dag’ (Hand.2:19,20).

Zal er nog redding zijn?

Ja, want naast het religieuze Babylon dat God verlaten heeft en Gods Geest pijn heeft gedaan, zijn er nog mensen die met Gods Geest gedoopt zijn. Ook al zijn het er niet veel, zij roepen de naam van de Heer aan. In Zijn Naam werpen zij de demonen uit en leggen zij de handen op zieken tot genezing. In Zijn Naam leggen zij ook de handen op voor de doop met Gods Geest. Opnieuw staan Geestvervulde christenen tegenover de demonen van de duisternis. De strijd is zwaar en moeilijk, want satan heeft de ogen van velen verblind. Maar de overwinning is zeker. Nu al beginnen Geest en bruid te roepen:

‘Kom Heer Jezus, ja kom snel!’