
De felste vervolger van de gemeente te Jeruzalem was Saulus van Tarsus, want hij (de latere Paulus) ‘verwoestte de gemeente en hij ging het ene huis na het andere binnen en sleurde mannen en vrouwen mee en hij leverde hen over in de gevangenis’. Als lid van het sanhedrin had hij vóór gestemd om Stéfanus ter dood te brengen. Zelf had hij de terechtstelling bijgewoond en de getuigen, die met de steniging moesten beginnen, hadden daarom hun mantels aan de voeten van deze rechter gedeponeerd, die de executie hiermee symbolisch dekte (Hand.7:58; 8:1,3). Nooit heeft Paulus vergeten dat deze martelaar ervan getuigde dat hij een blik mocht werpen in de hemel. Zijn Heer was als het ware van zijn zetel opgestaan om te kunnen zoen hoe deze trouwe volgeling van Hem zich in dit kritieke uur zou houden. Stéfanus was de eerste die vanwege het Koninkrijk van de hemelen stierf, terwijl de twaalf apostelen nog trouw naar de tempel gingen en als ‘Joodse richting’ nog werden geduld. Saulus, de Farizeeër, haat de ‘wetteloze’ Joodse christenen zo intens dat hij nota bene naar de hem vijandige Sadduceese hogepriester toegaat om toestemming te vragen de gelovigen in de Joodse kolonie te Damascus te vervolgen.
‘Saul, Saul, waarom vervolg je mij?’

Dan gebeurt onderweg het grote wonder dat de rest van zijn leven zal bepalen. Ook Saulus ziet de hemel geopend, maar hij is tegen dat licht niet bestand en valt blind op de grond. Hij hoort de stem van Jezus, de Zoon van God, zeggen: ‘Saul, Saul, waarom vervolg je mij?’ Daarna volgt de roeping van de ‘dertiende’ apostel: ‘Niet vanwege de mensen, maar door Jezus Christus’ (Gal.1:1). Waren de andere apostelen door Jezus geroepen tijdens diens aardse leven, Paulus ontving zijn apostelambt van de verhoogde Heer. Het evangelie dat Paulus dan brengen gaat, kan dan ook als hemels worden getypeerd. Zijn boodschap sloot naadloos aan bij ‘het evangelie ván Jezus Christus’, dat betrekking had op het Koninkrijk van de hemelen (Marc.1:1). Stéfanus had de bedoeling van dit evangelie begrepen en het zou door Paulus verder worden uitgewerkt. Aan de Romeinen schreef Paulus later:
- ‘Want God, die ik met mijn geest dien in het evangelie ván zijn Zoon’, dus niet met uiterlijk vertoon of met ceremoniën, maar in de geestelijke wereld (Rom.1:9).
Deze gedachtewereld was onverenigbaar met de Joodse religie, want de Joden ‘zijn naar het ‘echte’ evangelie vijanden’ (Rom.11:28). Paulus besluit zijn begeleidende briefje aan de Romeinen met de woorden:
- ‘Hem nu, die in staat is u te versterken – naar mijn evangelie en de boodschap ván (niet óver) Jezus Christus, naar de openbaring van het geheimenis, eeuwenlang verzwegen, maar nu geopenbaard’ (Rom.16:25).
Dit enige echte evangelie was los gemaakt van alle Joodse beperkingen en obstakels en richtte zich alleen op de onzienlijke wereld. Dit is het ene en ware evangelie, want schrijft de apostel:
- ‘Als iemand u een evangelie brengt, afwijkend van wat u ontvangen hebt, is hij vervloekt!’ (Gal.1:9).
Paulus had zijn hemelse roeping aanvaard en sprak zijn Joodse navolgers aan als ‘deelgenoten van de hemelse roeping’ (Hebr.3:1). De verhoogde Heer gaf dus aan deze medewerker inzichten die overeenkwamen met zijn verheerlijkte positie en ‘plaats in de hemelse gewesten’ (Ef.2:6).
Het compromis

Van begin af aan heeft Paulus zich ertegen verzet dat het Judaïsme invloed zou krijgen in de door hem gestichte gemeenten. Hij was daarom in een voortdurende strijd gewikkeld tegen de fanatieke wetshandhavers, die wel in Jezus als hun Messias geloofden, maar die de Mozaïsche wet en de vaderlijke inzettingen nauwgezet naleefden. Overal waar de apostel zijn pionierswerk deed, hebben deze wettische judaïsten zijn werk doorkruist en geprobeerd haar in verkeerde banen te leiden om de heidenen een half christelijk jodendom op te dringen. Zo schreef Paulus aan de heidense Galaten die hij tot bekering had gebracht:
- ‘Dagen, maanden, vaste tijden en jaren nemen jullie waar. Ik vrees, dat ik mij tevergeefs voor u ingespannen heb’ (Gal.4:10,11).
- ‘Zie, ik Paulus, zeg u: als u zich laat besnijden, zal Christus u geen nut doen’ (Gal.5:2).
- Geen ogenblik gaat de apostel van de gedachte uit, dat deze wetsgetrouwe christenen te goeder trouw waren: ‘Zij proberen u te dwingen tot de besnijdenis, alleen om niet vervolgd te worden vanwege het kruis van Jezus’, zoals Paulus dit zelf volop meemaakte (Gal.6:12).
Met de scherpste woorden veroordeelt Paulus deze ‘wettische leraars’ en noemt ze ‘binnengedrongen valse broeders, lieden, die waren binnengeslopen, om onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, te bespieden en zo ons tot slavernij te brengen’ (Gal.2:4). Ironisch heeft hij het over ‘onvergelijkelijke apostelen’, of ‘schijnapostelen’, ‘of die heel grote apostelen’ (2 Cor.11:5,13). Ook Petrus werd een ogenblik geïntimideerd door ‘sommigen uit de kring van Jacobus’, die uit Jeruzalem waren gekomen om te controleren of de Joodse christenen zich wel genoeg distantieerden van hun heidense broeders.
De apostel Petrus door Paulus berispt

Wanneer Petrus namelijk in Antiochië opstaat van de tafel waaraan hij met de heidenen had zitten eten, berispt Paulus hem in het openbaar (Gal.2:11-14). Petrus heeft deze terechtwijzing aanvaard, want ook hij wist zich later ‘vrijgekocht van de ijdele wandel, die van de voorvaders was overgeleverd’ (1 Petr.1:18). In Jeruzalem wordt dan later een compromis gesloten tussen hen die bezig waren het christendom tot een wereldgodsdienst te doen uitgroeien en de Joodse kerk die stoelde op de wetten van het oude verbond.
In Handelingen 15 lezen we dat Petrus daarna de verdediger is van de partij uit Antiochië. Hij stelde daarvoor zijn reputatie onder wetsgetrouwe christenen in de waagschaal. Jacobus, de broer van Jezus, komt dan met een schijnbaar bevredigende oplossing: hij stelt zich achter Petrus, maar laat wel goed uitkomen dat de Joodse christenen eigenlijk een bevoorrechte klasse vormden. Hij citeert hiervoor Amos 9:11,12, waar sprake is van een herstel van het huis van David, terwijl de heidenen, ‘het overige deel van de mensen’ toegevoegd worden aan het geestelijk centrum Jeruzalem. Jacobus doet vervolgens een beroep vanuit de Joodse praktijk, waar men hen, die zich uit de heidenen tot God bekeren en die niet besneden waren, wel accepteerden.
Tot de voorhof van de heidenen hadden ook onbesnedenen toegang. De verboden grens was ‘de tussenmuur die scheiding maakte’ tussen besnedenen en onbesnedenen. Jacobus bedoelde dat men op dezelfde wijze de christenen uit de heidenen moest aanvaarden. Deze ‘vazal’-christenen moesten de zogenaamde Noachitische geboden onderhouden, die naar Joodse opvatting voor de hele mensheid golden. Volgens Leviticus 17 golden deze wetten ook voor de Kanaänieten die midden onder de Israëlieten woonden. Hiermee bestempelde Jacobus de christenen uit de heidenen tot ‘gasten’ van de joods-christelijke gemeenten (vergelijk Ef.2:19).
Jacobus vermoord door de Joden

- Dit halfbakken compromis zou hem later opbreken, wanneer hij door de joodse wetticisten alsnog vanaf de tempelrand werd gegooid en daarna nog vermoord met een ‘goededag’, omdat hij nog half leefde.
Paulus had zich in het begin van zijn bediening altijd nauwkeurig aan de afspraken van het zogenaamde apostelconvent gehouden. Aan de Corinthiërs schreef hij bijvoorbeeld:
- ‘Ik ben voor de Joden geworden als een Jood, om Joden te winnen; zij, die onder de wet staan, als onder de wet hoewel persoonlijk niet onder de wet – om hen die onder de wet staan, te winnen’ (1 Cor.9:20).
Vrijwel alle kerken zijn echter onder de slavernij van de wet; ze zijn dus gebonden aan ‘vrome’ geesten en zij kunnen niet toestaan dat andere christenen in vrijheid leven.
De verplichte Sabbat of Zondag…

Wie bijvoorbeeld op oudtestamentische wijze zijn ‘sabbat’ of zondag viert, zal ook andere christen dwingen de zondag op soortgelijke wijze te ‘heiligen’. Wie principieel bloedtransfusie weigert, zal deze visie ook zijn medegelovigen opdringen. De Judaïsten waren zo aanmatigend, dat Paulus er niet altijd tegen opgewassen was en moest schrijven:
- ‘Tot mijn schande moet ik erkennen, dat wij te zwak zijn geweest’ (2 Cor.11:21).
- Zijn stelregel was: ‘Geef noch aan Joden, noch aan Grieken, noch aan de gemeente van God aanstoot; zoals ook ik allen in alles ter wille ben’ (1 Cor.10:32).
Hij liet zelfs zijn medewerker Timotheüs ‘vanwege de Joden’ besnijden, hoewel hij er persoonlijk niet de minste waarde aan hechtte (Hand.16:23; Gal.6:15). Vanwege de ‘liefde’, maar niet die tot de waarheid.
Onverenigbare begrippen

Jezus Christus zou Paulus echter geheel losmaken van alles wat hem nog aan de leer en gewoonte van de voorvaders verbond, want jodendom en christendom zijn onverenigbare begrippen. Daarom heeft ook altijd in de kerk het aardse Jeruzalem, dat in slavernij leeft door de wet (het hemelse Jeruzalem dat vrij is), vervolgd (Gal.4:25-31). Vandaar de vermaning:
- ‘Stuur de slavin weg met haar zoon, want de zoon van de slavin – de wettisch ingestelde christen – zal in geen geval erven met de zoon van de vrije, die inwoner is van het hemelse Jeruzalem.’
Dit wegsturen heeft zijn tijd nodig gehad en hiervoor was de reis van Paulus naar Jeruzalem nodig. Paulus wilde in Jeruzalem het pinksterfeest vieren. Nu is het pinksterfeest het feest van de gezuurde broden, van het nieuwe brood dat uit nieuw deeg was gezuurd. De oude zuurdesem van de wet zou uit het leven van de Christenen moeten worden verwijderd om plaats te maken voor de zuurdesem van het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen waarin de wet geschreven is in het verstand en in het hart.
- Voor de opnieuw geboren en Geestvervulde christen is er geen compromis mogelijk tussen het aards en hemels denken!