7. De doop als opstanding

<<<<<

Onttrokken aan de zonde

‘Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, zodat, zoals Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit van de Vader, ook wij in nieuwheid van het leven zouden wandelen’ (Rom.6:4).

Bij het opstaan van de dopeling uit het water, wordt het mooiste genadefeit in het verlossingsplan uitgebeeld, namelijk de opstanding tussen de doden uit (1 Cor.15:21-28). De oude mens is begraven en de nieuwe mens staat op. De oude mens is degene die in contact met de zondige demonen leefde. Bij zijn bekering verbrak hij deze band en legde in het geloof een nieuwe verbinding met God. Daarom kan de apostel in Romeinen 6:1 en 2 getuigen:

  • ‘Mogen wij bij de zonde blijven, zodat de genade toeneemt? Zeer zeker niet! Immers, hoe zullen wij, die aan de zonde gestorven zijn, daarin nog leven?’

In zijn doop getuigt de opnieuw geboren mens dat hij alle contacten met het rijk van de duisternis verbroken heeft. Hij is ‘aan de zonde gestorven.’ Het nieuwe levensbeginsel bleef echter gespaard. Het kon niet sterven, want het is uit God geboren door het levende en blijvende woord. Daarom wordt de doop genoemd ‘een gebed van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus’ (1 Petr.3:21). De nieuwe mens belijdt niet langer dat hij een zondaar is tot de dood. Hij is niet langer met schuld belast en ook niet meer verbonden met satans demonen.

Opstaan tot een nieuw leven

De uitdrukking ‘door de opstanding van Jezus Christus’ betekent dat, zoals wij door het geloof met Jezus, in zijn dood gestorven zijn en begraven. Wij zijn ook door zijn opstanding met Hem, opgestaan tot een nieuw leven. Jezus was de eerste in de opstanding, zoals Hij in alles de eerste is geweest. Waar hier gesproken wordt over een weg van sterven, begraven en opstaan van Jezus Christus in de zichtbare of natuurlijke wereld, daar volgt ieder, die een kind van God wil worden, dezelfde weg in de onzichtbare of geestelijke wereld. Zo wordt uitgebeeld dat de ongehoorzame, oude mens opgehouden heeft te bestaan en de nieuwe mens uit de dood tot een nieuw leven opstaat. Wat van Jezus geschreven staat, geldt ook voor hem: ‘Hij die gedood is naar het vlees, maar levend gemaakt naar de geest’ (1 Petr.3:18). Sterven maakt scheiding en dit doet pijn. De natuurlijke mens gaat onder en de geestelijke wordt onttrokken aan de zonde. Bij het opstaan uit het watergraf zijn alle contacten met de dood verbroken:

  • ‘Ook u moet zich wapenen met dezelfde gedachte: wie in het vlees geleden heeft, is opgehouden met de zonde’ (1 Petr.4:1).

De tarwekorrel

Datgene wat de Bijbelse doop symboliseert, wordt in de Bijbel ook door andere beelden weergegeven. Jezus gebruikte het beeld van de tarwekorrel. Deze valt in de aarde en sterft. Hij is verder waardeloos, maar het beginsel van het nieuwe leven sterft niet, want hieruit groeit de nieuwe plant. ‘God geeft er een lichaam aan, zoals Hij dat gewild heeft’ (1 Cor.15:38). Daarom kan alleen een opnieuw geboren mens, die nieuw leven bezit, zich laten dopen. Alleen kinderen van God bezitten iets dat uit het watergraf kan opstaan.

Wie zich als onbekeerde of niet opnieuw geboren laat dopen (zoals ook vandaag gebeurt om er maar bij te horen) is als degene die verwacht dat uit een keisteen iets groeien kan. Alleen een pasgeboren kind van God staat op tot een nieuw leven. De apostel Paulus sprak over dit sterven van de korrel als over het verval van de uiterlijke mens. Deze bezit een schat, die in de zichtbare wereld als heel belangrijk gezien wordt. Paulus kende deze schat uit zijn vroeger leven. Hij werd toen gerespecteerd en ieder boog zich diep voor de geleerde en vrome rabbi, Saulus van Tarsen. Zijn rijkdom was de eer en het aanzien bij mensen gebaseerd op zijn wetenschap, kennis, aanzien, positie, geslacht en afkomst. Wie echter de weg van Jezus kiest en de weg van het nieuwe leven wil gaan, merkt dat deze uiterlijke mens vervalt. ‘Maar alles wat mij winst was, heb ik om Christus’ wil schade geacht’ (Fil.3:7). Jezus bracht immers een Koninkrijk dat niet van deze wereld is, maar dat de innerlijke mens betreft.

De uiterlijke mens heeft te maken met het zichtbare. De innerlijke mens is de onzichtbare, die zich in de onzienlijke wereld beweegt; in die van de geesten. De innerlijke mens is dat deel van de mens (ziel en geest), dat zich aan de zintuiglijke waarneming onttrekt. Terwijl de uiterlijke mens vervalt, wordt de innerlijke van dag tot dag vernieuwd, dat wil zeggen: hij ontwikkelt zich van kracht tot kracht en van heerlijkheid tot heerlijkheid (2 Cor.4:16). Zodra het nieuwe leven opgestaan is, mag het zijn positie in de hemel innemen. Zijn plaats is dan in het Koninkrijk van God als een deel van het lichaam van Christus: En heeft ons mee opgewekt en ons mee een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus’ (Ef.2:6).

Ook van dit burgerschap in de hemel heeft de besprenkelde baby geen enkel besef. In deze geestelijke wereld worden alleen kinderen ingevoegd, die niet uit de wil van een man en vrouw, maar uit God (opnieuw) geboren zijn. Hun geboorte brengt hen in de hemel, hun wandel is in de hemel, hun strijd is in de hemel en hun schatten verzamelen zij in de hemel. Zij kunnen zeggen:

  • ‘Wij zijn mee opgewekt en hebben een plaats ontvangen in de hemelse gewesten’.

Het opstandingsleven

Wie gedoopt is, belijdt dat hij opgenomen is in het Koninkrijk van Jezus dat in de hemel is, in de onzienlijke wereld. Door de vergeving van zonden en schuld heeft hij in principe de gerechtigheid ontvangen. De gedoopte gelooft en belijdt dat de mens die uit God geboren is, dat is dus uit diens woord, een nieuw leven begint te leiden:

  • ‘Want u allen, die in Christus gedoopt bent, hebt u met Christus bekleed’ (Gal.3:27).
  • Bij zijn doop belijdt de gelovige dat hij door Christus het grondbeginsel van de gerechtigheid ontvangen heeft. ‘Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Heer Jezus Christus’ (Rom.5:1).
  • ‘Heidenen, die geen gerechtigheid nastreefden, hebben gerechtigheid ontvangen, namelijk gerechtigheid, die uit het geloof is’ (Rom.9:30).

Zoals de mens in de zichtbare wereld zijn kleren aan heeft, zo is hij in de onzienlijke wereld naar de innerlijke mens ook gehuld in kleren. De Bijbel zegt dat de niet opnieuw geboren mens omgeven is door een ‘wegwerpkleed’ (Jes.64:6). Zoals een damp neerslag veroorzaakt op voorwerpen en deze met een vuile laag bedekt, zo was de innerlijke mens overtrokken met een bedekking van schuld. Dit ‘voorhangsel’ maakte scheiding tussen God en de mens, maar bij zijn sterven heeft Jezus de schuld van de hele wereld op zich genomen. Hij droeg haar in zijn ‘voorhangsel, dat is, zijn vlees’ (Hebr.10:20). Toen dit voorhangsel scheurde, was ook de zondeschuld van de hele wereld weggenomen en lag de weg naar het hemelse heiligdom open. Een mens gaat daarom niet verloren vanwege zijn zware schuld, maar omdat hij de duisternis liever heeft dan het licht. Wie de demonen niet wil loslaten en het kwaad liefheeft (of massaal goedpraat, zoals vandaag op grote schaal) zal ook mét hen verloren gaan (Op.20:13-15).

Wie zich echter door het geloof de gerechtigheid van Christus toe-eigent, weet dat zijn vuile bedekking is weggenomen en hij zal door zijn rechtvaardige daden werken aan een nieuw kledingstuk, dat van de gerechtigheid, zodat hij niet naakt wordt gezien, wanneer zijn aardse tent wordt afgebroken (2 Cor.5:3). De goede werken vormen de draden, waarvan het nieuwe kledingstuk geweven is. Wanneer de vrouw van het Lam, de gemeente, zich in de eindtijd klaar gemaakt heeft, wordt gezegd: ‘Haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden van de heiligen’ (Op.19:8).

Wanneer de gelovige zich ‘met Christus bekleedt’, betekent dit dat Hij de auteur is van zijn goede werken. Als u zich dus afvraagt wat goede werken eigenlijk zijn, volgt hieruit dat u zich in het leven van Jezus verdiept en hem niet vernederd zoals de tijdperkenknippers dit wél doen. Hij was immers de volmaakt rechtvaardige. Hij leefde in gerechtigheid en Hij zegt tot ieder die met Hem opgestaan is tot een nieuw leven: ‘De werken, die Ik doe, zal hij ook doen en grotere nog dan deze’ (Joh.14:12). Jezus dreef demonen uit, genas zieken en verloste gebonden mensen van hun ketens; dit alles om het Koninkrijk van God op aarde te realiseren. Kortom: ‘Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren’ (Hand.10:38).

De doop met Gods Geest en met vuur – Noodzakelijk om de eindtijd te overleven

Jezus wil u, door de doop met Gods Geest, kracht uit de onzienlijke wereld geven om zijn voorbeeld te volgen. Deze Geest van God werkt door de liefde van God. Gods Geest en Zijn schenkende liefde die altijd de mens positief benaderen, horen bij elkaar. Wanneer u vervuld bent met Gods Geest en de liefde van God in uw hart uitgestort is, kunt u liefhebben wat God liefheeft en werken, zoals Jezus werkte. Dan kunt u schatten in de hemel verzamelen, waar geen afval en roest ze ontoonbaar maakt en waar geen dieven inbreken of stelen (Matth.6:20). Deze schat in de hemel, die in het zielenleven opgeslagen is, vormt het kleed van de gerechtigheid.

Jezus waarschuwt ervoor, dat het mogelijk is, dat een mens schade lijdt aan zijn ziel. Wie een verdeeld hart heeft, zal merken dat het kleed van zijn innerlijke mens aangetast wordt. De Bijbel waarschuwt: ‘Gelukkig is hij die oplet en op zijn kleren past, zodat hij niet naakt rondloopt en men zijn schaamte ziet’ (Op.16:15). De schatten die in de hemel verzameld worden, dit kleed van de gerechtigheid, vormen de grootte en de statuur van de mens in de onzienlijke wereld. Zoals er in de natuurlijke wereld grote en kleine mensen zijn, zo ook in de geestelijke. Wie echter groot wil zijn in de hemel, zal op aarde klein moeten zijn, namelijk nederig en bescheiden. Van de groten in het rijk van God wordt gezegd: ‘Wie overwint (over de demonen van de duisternis), hem zal Ik maken tot een zuil in de tempel van mijn God’ (Op.3:12). De uiteindelijke proporties van de innerlijke of geestelijke mens hangen dus af van zijn kleren, gevormd door zijn rechtvaardige daden óf van zijn schatten in de hemel. Het werk dat nog groter is dan wat Jezus op deze aarde deed, is het leiden van de opnieuw geboren mens tot de doop met Gods Geest en het begeleiden van het kind van God naar het zoonschap. Deze werken kon Jezus niet doen, omdat de Geest van God nog niet was uitgestort.

Niet voor baby’s en kinderen!

De eeuwenlange verzonnen babybesprenkeling kent dit symbool van de opstanding niet. De babybesprenkeling beeldt dit niet uit. Haar betekenis gaat niet verder dan wat het oude verbond te bieden had: afkomst langs de natuurlijke lijn en onderworpenheid aan de wet van de Sinaï. Bij de ware doop belijdt men dat het oude uniform (de bezoedelde kleren) afgelegd zijn en het kleed van de gerechtigheid aangetrokken is!

>>>>>