
Openbaring 6:7,8
‘En toen het Lam het vierde zegel geopend had, hoorde ik de stem van het vierde dier zeggen: Kom en zie! En ik zag en zie: een vaal paard en die erop zat, zijn naam was de dood en het rijk van de dood volgde hem. En hun werd macht gegeven over het vierde deel van de aarde om te doden met het zwaard, met honger, met de dood en door de wilde dieren van de aarde’ 7,8.
Het vierde paard is ‘vaal’ van kleur. In de grondtekst staat chloros: (lichtgroen, geelgroen, bleekgroen, vaal). Dit woord is afgeleid van chloe: jonge plant, jong gras. In de betekenis ‘lichtgroen’ wijst chloros daarom op de karakteristieke kleur van jonge planten: van het gewas (Op.9:4) en van het groene gras (Marc.6:39; Op.8:7). In de betekenis ‘geelgroen, bleekgroen, vaal’ duidt chloros echter op de kleur aan van (zee)water, van het gezicht van een zieke en van een lijk. In het verlengde hiervan typeert het (ook in buitenbijbels Grieks) onder meer de dood. Deze laatste betekenis is van toepassing in Openbaring 6:8. In de vale, geelgroene kleur van het vierde paard blijkt al de relatie met de dood en het dodenrijk die in hetzelfde vers worden genoemd. In de Kanttekeningen op de Statenvertaling wordt bij dit vers gesproken van bleekgroen, de kleur van verdorrende bladeren.
De twee betekenissen van chloros lijken in eerste instantie niets met elkaar gemeen te hebben: wat heeft de frisheid van het nieuwe, jonge en gezonde leven te maken met het ongezonde en ziekelijke uiterlijk van een stervende? Hoe kan met één woord zowel het lichtgroene uiterlijk van jonge bladeren worden aangeduid alsook het bleekgroene uiterlijk van verdorrende bladeren? Je moet bij chloros goed opletten. Als je alléén op de kleur afgaat, zie je op het eerste gezicht geen verschil tussen nieuwe, zich ontwikkelende bladeren en oude, verdorrende bladeren: allebei geelachtig groen. Wie beide bladeren echter wat nauwkeuriger bekijkt, ontdekt al snel het immense verschil tussen leven en dood, tussen nieuw en oud, tussen het vooruitgaande en het verdorrende. Jezus wil met het woord chloros de geestelijke werkelijkheid van het vierde zegel nauwkeurig beschrijven. Hij wil dié werkingen binnen het geheim van de wetteloosheid laten zien, die de schijn van (nieuw) leven wekken, maar in feite rechtstreeks naar de dood voeren. Hij wijst op demonen die zich voordoen als engelen van het licht maar in wezen als grimmige wolven de gemeente willen binnendringen om de kudde te verscheuren (2 Cor.11:14; Hand.20:29).
Het dodenrijk

Het geelgroene paard wordt bereden door een ruiter waarvan de naam wordt genoemd: de dood; het dodenrijk volgt in zijn spoor.
- Trekt Dood hier zélf uit?
- Verlaat de koning van het dodenrijk zijn domein?
- Volgen zijn ondergeschikten, de cipiers of gevangenisbewakers, hem in deze uittocht?
- Laten zij het dodenrijk, de geestelijke gevangenis, ‘onbeheerd’ achter?
Dood en zijn doodsmachten zijn niet uitgerust voor een geestelijke strijd. Zij horen bij de gevallen serafs (boodschappers), niet bij de gevallen cherubs (strijders). Het zijn geen strijders, maar heersers. Zij gebruiken hun macht niet om de mens aan te vallen, maar gebruiken hun kracht om de in zonde gevallen mens het ‘loon van de zonde’ uit te keren (Rom.6:23). Zij brengen de mens na zijn zonde in een andere situatie: gescheiden van God. Deze toestand wordt door hen ingesteld en in stand gehouden: zij heersen over allen die in hun machtsgebied terechtkomen. Dood en zijn cipiers, de doodsmachten, kunnen dus niet uittrekken. Zij verzetten zich op een andere manier dan satan en zijn leger van demonen tegen het werk van Jezus en de vestiging van het Koninkrijk van God. Zij stellen zich onverzettelijk op; zij zullen van hun plaats, hun machtspositie in de hemelse gewesten, verdreven moeten worden. Om deze reden spreekt de Bijbel over Dood als de ‘laatste vijand’ (1 Cor.15:25).
De put van de afgrond geopend

De geesten in dit vers zijn dus geen doodsmachten, maar demonen uit het leger van satan die met Dood en zijn dodenrijk verbonden zijn. Geesten die in de afgrond zijn geweest (het duistere deel van het dodenrijk) en daar gevangen hebben gezeten en de overheersing van Apollyon, de verderver en zijn verderfengelen als een pijniging hebben ervaren. Het zijn occulte geesten. Na hun terugkeer blijven deze demonen zich de overheersing van het dodenrijk herinneren. De pijniging die zij in het machtsgebied van de verderver hebben ondergaan, blijft hen bij. Zij dragen de dreigende en verstikkende sfeer van de afgrond bij zich. In zekere zin blijven zij ‘verbonden’ met Apollyon. Zij zijn daarmee belast. Het is aan hun wezen ‘toegevoegd’.
Schorpioenen
Met het oog op deze occulte geesten spreekt Jezus in Lucas 10:19 over slangen en schorpioenen. Demonen zijn te vergelijken met slangen (Marcus 16:18). Demonen die op occulte wijze uit de afgrond worden opgeroepen, gedragen zich als schorpioenen (Op.9:5). Zij brengen het klimaat van het dodenrijk en de pijn van de afgrond over op hun prooi. De ruiter op het geelgroene paard vertegenwoordigt daarom het aandeel van de occulte machten en grootvorsten in het antichristelijke leger van satan. Op het eerste gezicht lijken deze geesten nieuw ‘leven’ te bewerken, de gelovige nieuwe kansen en perspectieven te bieden, maar deze schijn bedriegt. Aan hen wordt macht gegeven om te doden, zegt Openbaring 6:8; hun werkingen zijn pseudo-christelijk, vals en bedrieglijk. Deze occulte demonen spiegelen een pseudowaarheid en werkelijkheid voor, maar doen de mens langzaam maar zeker in het tegenovergestelde van de waarheid en werkelijkheid van Christus terechtkomen.
De strijd tegen het witte paard, beeld van Jezus Christus

De werkingen van het geelgroene paard vullen de werkingen van het rode en zwarte paard aan in hun strijd tegen het witte paard, beeld van Jezus Christus. Het is daarom van belang de werkingen van zowel het rode als het zwarte samen met het vale paard te combineren, we kunnen ze niet los van elkaar zien. Waar rood en zwart samen het aanwezige wit bedekken en uitschakelen, biedt geelgroen de ‘alternatieven’ en ‘oplossingen’ aan in de ontstane situatie. De geestelijke hongersnood en armoede (door ‘vermenging’ en ‘verduistering’ ontstaan) wordt heel sneaky gecompenseerd. Alle ‘bespeelde’ en ‘omgebogen’ behoeften worden op pseudo-christelijke wijze bevredigd. Op het eerste gezicht lijken deze alternatieven en oplossingen veel in te houden: het lijkt of ze iets nieuws brengen. Ze blijken echter ‘niets’ aan te reiken. Nog erger: ze veroorzaken vernieling. Jezus waarschuwt ons in Mattheus 24:23-26 voor deze valse en bedrieglijke werkingen:
- ‘Als dan iemand tot u zegt: Zie, hier is de Christus, of: Hier, gelooft het niet. Want er zullen valse christussen (pseudochristos) en valse profeten (pseudoprophetes) opstaan en zij zullen grote tekens en wonderen doen, zodat zij, als het mogelijk zou zijn, ook de uitverkorenen zouden verleiden. Zie, Ik heb het u voorzegd. Als men dan tot u zegt: Zie, Hij is in de woestijn, gaat er niet heen; zie, Hij is in de binnenkamer, gelooft het niet.’
Paulus plaatst deze ‘krachten, tekens en bedrieglijke wonderen’ in het kader van de naderende komst van dé mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf, dé antichrist (2 Thess.2:9; Op.13:11-18).
Spectaculaire ‘resultaten’ op aarde, maar niet in de hemel

Veel gelovigen in onze tijd zijn op zoek naar genezing, voorspoed en succes in het leven. Heel sneaky speelt de ruiter op het geelgroene paard in op deze al besmette, aardsgerichte verlangens. In (veelal massale) samenkomsten raakt men onder de indruk van de ogenschijnlijke resultaten en de (vaak) spectaculaire manier waarop deze worden bereikt. Dat de Woorden van God niet echt als leidraad worden genomen, wordt niet meer zo belangrijk gevonden: dit ‘werkt’ tenminste… Het beleven van geestelijke krachten wordt belangrijker dan het beproeven van de geesten die hierachter zitten. Veel harten gaan open voor al dit ‘nieuwe’. Men komt in beweging en opschudding; het fascineert. Men ‘valt’ in de Geest en ‘rust’ in de Geest. Men geeft zich over aan allerlei ‘werkingen’ van de Geest… Maar ook nu geldt: schijn bedriegt! Door onvoldoende zicht op de werkelijkheid van Christus, worden de pseudo-christelijke werkingen niet onderscheiden. Door gebrek aan kennis nemen gelovigen geen afstand van iets waarvan zij menen dat God erin werkt. Het voert hen echter niet omhoog in de ‘hemel’, maar werpt hen neer op ‘aarde’.
Hypnose en occultisme

Vandaag is er onder de gelovigen een steeds sterker wordende belangstelling voor het ‘spirituele’ en ‘alternatieve’ in therapieën en geneeswijzen. Maar weet men wel waar reiki, acupunctuur en yoga uit voortkomen en op wat voor theorieën de homeopathie berust? Heeft men daar een helder en Bijbels zicht op? Net als bij schorpioenen kunnen occulte geesten de gelovige geruime tijd biologeren. De pijnigende steek komt later. Dit geldt met name voor de werkingen van de ruiter op het geelgroene paard. Tijdens de betovering lijkt alles ‘goed’ te gaan. Occulte demonen laten hun prooi echter niet zo makkelijk meer los. Zij nemen de mens in hun dodelijke greep en slaan in een later stadium verder toe. Zij voeren hem uit het hemels Jeruzalem (het werkterrein van Christus) en brengen hem in Babel, het machtsgebied van de Satan. Zonder dat de gelovige het beseft, wijkt de hemel voor zijn ogen gaandeweg terug als een boekrol die wordt opgerold (Openb.6:14). Wat hij geestelijk in handen heeft, wordt hem langzaam aan ontnomen.
Door de gezamenlijke werkingen van het rode, zwarte en geelgroene paard raken mensen steeds meer verstrikt in het grote Babylon. Samen met andere ballingen worden zij uiteindelijk een ‘woonplaats van duivelen, een schuilplaats van onreine geesten’ (Op.18:2). Als er geen verandering komt in hun situatie, krijgen zij uiteindelijk ook te maken met de pijn en de plagen die Babylon treffen, met de dood en het verderf dat satan en zijn demonen bij zich dragen en dat Babylon ten onder doet gaan (Op.18:4). Het werkterrein van occulte geesten is breed!
Je komt deze demonen ook tegen in de ‘lieve’ en ‘vrome’ hoek van het evangelische denken, muziek, films, reclame en in allerlei vormen van (geestelijke) verslaving. Denk ook aan toverij, waarzeggerij en afgoderij, spiritisme en magnetisme. Deze opsomming is verre van compleet. Ook kunnen zich vandaag of morgen weer nieuwe vormen ontwikkelen. Steeds weer brengen deze occulte demonen de mens eerst onder een zekere ‘bekoring’. Zij fascineren en betoveren de niet-waakzame mens. Let ook op de staatsmedia die miljoenen mensen dagelijks betoveren met hysterische en hypnotiserende indoctrinaties en leugens. Direct daarna nemen zij hen in een ijzige greep.
Het beest uit de zee, Apollyon
In de opsomming aan het einde van Openbaring 6:8 wijst het zwaard terug naar vers 4 (tweede zegel), de honger naar vers 6 (derde zegel), terwijl de dood en de wilde dieren verwijzen naar het eerste deel van vers 8 (vierde zegel). Onder leiding van het beest uit de zee stellen alle divisies zich in slagorde op. Zij spannen allen samen tegen de Heer en zijn gezalfde; tegen Jezus en zijn gemeente (Ps.2:2). Samen richten de machten van de duisternis zich op het ‘doden’ van mensen op aarde; vanuit allerlei invalshoeken werken zij aan de uitvoering van het geheim van de wetteloosheid. Ook bij de opening van het vierde zegel roept Jezus ons op Hem te volgen in het door Hem ontstoken licht, om als zonen van het licht te wandelen en de onvruchtbare werken van de duisternis te ontmaskeren:’
- Laat niemand u misleiden met drogredenen; toets wat de Heer welbehaaglijk is’ (Efeze 5:6-10).
Bij dit toetsen moeten we niet af gaan op ons gevoel of onze ervaringen, noch op het feit dat anderen het ook beleven als ‘van God’. Wij moeten ons baseren op de woorden van God, het evangelie van Jezus Christus, op wat de Heer ons door woord en Geest in zijn gemeente aanreikt, met name door het verbreken van de zegels van de boekrol.
Leer alle aanslagen van het beest te onderscheiden, of ze nu voortkomen uit de rode, de zwarte of de geelgroene divisies van zijn antichristelijke leger. Jezus geeft ons macht om slangen en schorpioenen te vertrappen, met de belofte dat niets ons enig kwaad zal doen (Luc.10:19). Daarom zullen wij de macht hebben om in Jezus’ naam alle bergen en eilanden van hun plaats te rukken en hen elke macht en invloed in onze hemel te ontnemen (Openb.6:14). Denk hierbij aan de occulte geesten die werken vanuit familie of voorgeslacht, aan grootvorsten die in meerdere geslachten werken, of door de eeuwen heen zelfs hele volksstammen en naties onder hun macht hebben gekregen. Wij hoeven geestelijk niet in Babel terecht te komen. Wij mogen wonen in het land waarin Hij ons plaatst, het land dat God voor ons bedoelt, het hemelse Jeruzalem (Ps.37:3). Met het openen van het tweede, derde en vierde zegel maakt Jezus het voor iedere gelovige mogelijk om weg te trekken uit Babel, om los te komen van elke verwarring, van iedere bedekking en van alle vormen van betovering:
- ‘Ga uit van haar, mijn volk, zodat u geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen’ (Op.18:4).
De Heer wil alle schade die Babel veroorzaakt heeft, herstellen. Hij wil zelfs de jaren die we in Babel hebben moeten doorbrengen, vergoeden (Joël 2:25)!