
Openbaring 5:1-14
‘Toen zag ik dit: degene die op de troon zat had in zijn rechterhand een boekrol die aan beide kanten beschreven was en met zeven zegels was verzegeld’ 1.
De boekrol die de Vader in de hand heeft, bevat het plan van God, dat nog uitgevoerd moet worden. Bij het verbreken van iedere zegel, wordt in visioenen iets van dit plan onthuld. Wanneer wij leren om deze beelden die gebruikt worden in de geestelijke realiteit terug te brengen, gaan wij de gedachten van God verstaan, die Hij wil openbaren. Eén ding wordt ons niet geopenbaard, namelijk de ‘tijden of gelegenheden’ of juiste momenten, al denken veel liegende dwaalleraars daar anders over. Deze heeft de Vader immers niet bekendgemaakt, maar blijven in Hem verborgen.
Het is als met een tekening of kaart, waarvan wij de schaal of de verhouding tot de werkelijkheid niet kennen. Ook in het boek van de Openbaring verstaan wij niet de betekenis van uren, dagen, maanden en jaren, soms wel ten opzichte van elkaar, maar niet in het absolute. De tekens van de tijden kunnen wij aan de hand van deze visioenen wel onderscheiden, maar we kunnen nooit de dag en het uur zeggen, waarin wij leven. Wij zien hoe ‘in’, of anders geformuleerd ‘op’ de uitgestrekte hand van God waarin de boekrol ligt. Deze staat vol met de toekomende dingen, die niet zoals gewoonlijk alleen de binnenkant, maar ook op de buitenkant beschreven is. De zegels zijn zo bevestigd, dat telkens wanneer er een verbroken wordt, een gedeelte van de rol gelezen kan worden.
‘Ik zag een machtige engel die met luide stem uitriep: ‘Wie komt het toe de zegels te verbreken en de boekrol te openen?’ 2.

Johannes ziet een machtige engel in de onmiddellijke nabijheid van God, mogelijk de aartsengel Gabriël, die van zichzelf getuigde dat hij voor Gods aangezicht staat (Lucas 1:19). Deze engel was in de volheid van de tijd de eerste, die het begin van de openbaring van de gedachte van God over de nieuwe schepping, had vernomen en doorgegeven. Ook nu is er sprake van een begin, namelijk de openbaring van Jezus Christus als de Hersteller van de schepping. Eerst kwam Gabriël de wegbereider aankondigen, daarna de geboorte van Jezus en nu bepaalt hij de aandacht door een indringende vraag bij het nieuwe werk van de Heer als uitvoerder van het verdere plan van God. Met een geweldige stem roept hij uit: ‘Wie komt het toe de zegels te verbreken en de boekrol te openen?’
‘Maar er was niemand in de hemel of op aarde of onder de aarde die de boekrol kon openen en inzien. Het deed me veel verdriet dat blijkbaar niemand het verdiende om de boekrol te openen en hem in te zien. Toen zei een van de oudsten tegen mij: ‘Wees niet verdrietig. Want de leeuw uit de stam Juda, de telg van David, heeft de overwinning behaald en daarom mag Hij de boekrol met de zeven zegels openen’ 3-5.
Op de vraag van de engel kwam geen antwoord. Alle schepsels zwegen omdat zij niet in staat waren dit grootse werk te begrijpen en uit te voeren. Niemand in de hemel of de onzienlijke wereld, noch op de aarde of de zienlijke wereld, noch onder de aarde in het dodenrijk durfde de boekrol aan te nemen en in te zien. Johannes werd erg verdrietig en huilde bitter. Ook hij had grote verwachtingen van de toekomst. Hij kende de profetieën met de belofte van een nieuwe hemel en van een nieuwe aarde (Jesaja 65:17), maar geen van de profeten had ooit inzicht gehad op welke manier dit zou gebeuren. Ja, zelfs tot op de dag van vandaag geloven veel kerkbewoners dat dit herstel van de schepping heel snel in één moment gebeurt, terwijl toch de hele zichtbare schepping van God het bewijs levert, dat alles zich naar vaste wetten en gemaakt bestek ontwikkelt. AL 13,82 miljard jaar.
De Emmaüsgangers

Het verdriet van Johannes komt overeen met die van de Emmaüsgangers, die na het sterven van Jezus gedesillusioneerd beleden:
- ‘Wij leefden in de hoop dat Hij degene was die Israël zou bevrijden, maar inmiddels is het de derde dag sinds dit alles gebeurd is’ (Lucas 24:21).
Zoals Jezus zelf de Emmaüsgangers troostte, zo komt hier een van de oudsten Johannes bemoedigen met de woorden: ‘Wees niet verdrietig’. Hij wijst hem op Jezus, die hij noemt de leeuw uit Juda’s stam en de wortel van David. Jacob vergeleek op zijn sterfbed in een profetie zijn zoon Juda met een leeuwenwelp, een leeuwin (Genesis 49:9,10). Zijn grote Zoon (Silo of Heerser) wordt hier dus aangeduid als de leeuw uit Juda’s stam. Dit geeft de aanduiding van zijn afkomst naar de mens, terwijl de uitdrukking: de wortel van David, naar zijn goddelijke oorsprong heen wijst (22:16). Van Jezus wordt getuigd dat Hij heeft overwonnen, namelijk alle overheden en machten, die Hij ontwapende en ten toon stelde (Col.2:15). Jezus ontleent hieraan de autoriteit en waardigheid om de boekrol te openen en de zegels te verbreken. Ook voor Hem geldt dan de regel: ‘Wie overwint, Ik zal hem geven!’
‘Midden voor de troon, tussen de vier wezens en de oudsten, zag ik een Lam staan. Het zag eruit alsof het geslacht was en het had zeven horens en zeven ogen; dat zijn de zeven Geesten van God die over de hele wereld zijn uitgestuurd. Het Lam ging naar degene die op de troon zat en ontving de boekrol uit zijn rechterhand’ 6,7.

Dan ziet Johannes Jezus staan in het beeld van een geslacht Lam op de plaats, die God Hem gegeven heeft: midden in de troon, dus in het centrum van de heerschappij van God:
- ‘Hij is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de kruisdood. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd’ (Fil.2:8,9).
- ‘Jezus heeft, na de reiniging van de zonden te hebben voltrokken, plaatsgenomen aan de rechterzijde van Gods hemelse majesteit’ (Hebr.1:3).
Ook is Jezus in het midden van de vertegenwoordigers van de schepping, die Hij herstellen gaat en die van de mensheid, met wie Hij de herschepping begint en voltooit. De Vader heeft Jezus gesteld tot middelpunt van hemel en aarde.
Opnieuw wijzen wij erop dat wij in de hemel wel Jezus zullen vinden als geestelijk Mens, maar geen geslacht Lam. Dit beeld is ontleend aan de Oudtestamentische eredienst en herinnert ons aan het plaatsvervangend lijden en sterven van onze Heer, dat op het tijdstip van dit visioen al plaatsgevonden had. Het Lam heeft zeven horens en zeven ogen en er wordt bijgevoegd: ‘dit zijn de zeven Geesten van God, uitgezonden over de hele aarde.’ Het is de Geest van God, die in de zeven gemeenten werkte als beeld van de gemeente van God, die over de hele aarde verspreid is. De horens symboliseren de kracht van Gods Geest en de ogen diens kennis en alwetendheid, samen de werken van de geestelijke gaven in de gemeente aanduidend. Jezus stond op, kwam dichterbij en in volle waardigheid nam Hij uit de rechterhand van de Vader op de troon de boekrol, want naar zijn eigen woorden zijn Hem alle dingen van de Vader overgegeven (Lucas 10:22).
‘Op hetzelfde moment wierpen de vier wezens en de vierentwintig oudsten zich voor het Lam neer. Ieder van hen had een citer en een gouden schaal vol wierook; dat zijn de gebeden van de heiligen’ 8.
Toen de Vader zijn Zoon de boekrol overhandigde, gaf Hij daarmee te kennen, dat Hij Jezus (die als een Lam voor de zonde van de wereld geslacht was) waardig keurde ook het verdere reddingsplan uit te voeren. Dit vertrouwen en deze overdracht van macht en autoriteit maakten diepe indruk op de hele schepping. De vertegenwoordigers van de schepping met die van de herstelde mensheid wierpen zich daarom in aanbidding neer voor het geslachte Lam. Zij huldigden de verheerlijkte Mensenzoon, zoals de leerlingen dit deden op de berg in Galilea, waar Jezus getuigde: ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde’ (Matth.28:18).
In dit visioen ziet Johannes, die een van deze leerlingen was, nu in een beeld op welke manier deze machtsoverdracht is gebeurd. Bij de lofprijzing maken de oudsten gebruik van citers, een snaarinstrument dat in de Israëlitische eredienst bij feestelijke gelegenheden gehanteerd werd. De klank van de citers ondersteunt de lofzang, terwijl de gouden schalen, die ook een herinnering aan de dienst in het heiligdom zijn, de lof en dank van de heiligen als reukwerk dragen. Dit herinnert ons aan de woorden van David: ‘Laat mijn gebed als reukoffer voor uw aangezicht staan’ (Psalm 141:2).
‘En ze zetten een nieuw lied in: ‘U verdient het om de boekrol te ontvangen en zijn zegels te verbreken. Want U bent geslacht en met uw bloed hebt U voor God mensen gekocht uit alle landen en volken, van elke stam en taal. U hebt voor onze God uit hen een koninkrijk gevormd en hen tot priesters gemaakt. Zij zullen als koningen heersen op aarde’ 9,10.
De hemel hoorde al de lofzang tot eer van God, de Vader en de Schepper (4:8-11). Nu klinkt een nieuw gezang tot eer en lof van de Zoon, de Hérschepper. Eerst wordt in dit lied de waardigheid erkend, die de Zoon van de Vader ontvangen had.
De Losprijs aan satan betaald

Duidelijk wordt gezegd op welke grond en met welk recht dit gebeurt. Jezus heeft door zijn verzoeningsoffer de mens vrijgekocht uit de macht van satan. Hij heeft de grondslag gelegd voor het herstel van de mens, naar geest, ziel en lichaam en hiermee voor de vernieuwing van de hele schepping. Duidelijk springt ook naar voren, dat het nieuwe verbond niet aan een bepaald volk of ras gebonden is. De profeet Jesaja had immers gezegd:
- ‘Dat je Mijn Dienaar bent om de stammen van Jacob op te richten en de overlevenden van Israël terug te brengen, dat is nog maar het begin. Ik zal je maken tot een licht voor alle volken, zodat de redding die Ik brengen zal tot aan de uiteinden van de aarde reikt’ (Jesaja 49:6).
Deze representanten spreken niet alleen over de genade vanwege de verzoening door het bloed van het Lam, maar ook over de rijkdom en de overvloed van genade. Er is een koning en priesterschap ontstaan. Jezus maakt de vrijgekochten aan Zichzelf gelijkvormig. Hij maakt hen tot koningen, terwijl Hijzelf de hoogste Koning is en tot priesters, terwijl Hijzelf de Hogepriester is. Er wordt ook meegedeeld dat de gemeente, die verzameld wordt uit alle stammen, talen, volken en naties, niet alleen in de hemel een taak heeft, maar ook eenmaal op de aarde macht zal uitoefenen.
‘Daarna hoorde ik het geluid van een groot aantal engelen rondom de troon, de wezens en de oudsten; het waren er oneindig veel, tienduizend maal tienduizenden, duizend maal duizenden. Met luide stem riepen ze: ‘Het Lam dat geslacht is, komt alle macht, rijkdom en wijsheid toe en alle kracht, eer, lof en dank’ 11,12.
Johannes zag verder toe en hij zag een machtige engelenmenigte, dat gegroepeerd was rondom de troon van God en het Lam, rondom de vier dieren en de oudsten. Het was een ontelbare menigte, want er is sprake van tienduizend maal tienduizenden en duizend maal duizenden. Als we deze getallen omzetten naar de realiteit, dan gaat het over miljarden, zo niet biljoenen engelen. Vergelijken we dit met het aantal mensen wat ooit op aarde geleefd heeft (incl. de massa’s abortussen) wordt hun aantal begrijpelijk. Ook gelet op de toekomst van alle mensen die nog geboren moeten worden. Deze ontzaglijke engelenmenigte, opgesteld volgens hun rangen en standen, begint met luide stem zijn lofzang te mengen aan die van mens en schepping. Het is een duidelijke erkenning van het raadsbesluit van God, dat het Lam waardig keurde al de rijkdom en de macht van de onzichtbare en zichtbare wereld in Zich samen te bundelen. Ook zij zien ‘Jezus met heerlijkheid en eer gekroond’, zoals er staat:
- ‘Welnu, de komende wereld, waarover wij hier spreken, heeft Hij niet onder het gezag van engelen gesteld. Veeleer geldt dit getuigenis, ooit door iemand afgelegd: ‘Wat is de mens dat U aan hem denkt, het mensenkind dat U naar hem omziet? U hebt hem voor korte tijd lager dan de engelen geplaatst; U hebt Hem met eer en luister gekroond, alles hebt U aan Hem onderworpen’ (Hebr.2:5-8).
De heilige engelen aanvaarden hier, dat Jezus met de gemeente erfgenaam is van alles. Zij beamen dat de Zoon gesteld is ‘tot erfgenaam van alle dingen’ (Hebr.1:2). Hun zevenvoudige lofprijzing loopt parallel met de hulde, die de verloste schepping in het vorige hoofdstuk aan de Vader toebracht. Alles wat de Vader bezit en over te geven heeft, wordt uitgedrukt in de woorden: macht, rijkdom, wijsheid, sterkte, eer, heerlijkheid en lof.
‘Elk schepsel in de hemel, op aarde, onder de aarde en in de zee, alles en iedereen hoorde ik zeggen: ‘Aan Hem die op de troon zit en aan het Lam komen de dank, de eer, de lof en de macht toe, tot in eeuwigheid.’ De vier wezens antwoordden: ‘Amen’ en de oudsten wierpen zich in aanbidding neer’ 13,14.
Samen moeten ook alle schepsels de overwinning van God en het Lam erkennen. De overwinning wordt bevestigd door alles wat leeft en geest is of geest bezit. In de eerste plaats is sprake van ieder schepsel in de hemel, dus van alle heilige engelen en onreine geesten. Dan van ieder schepsel op de aarde dat leeft of bezield is, dus van mens, dier en plant. Deze twee laatste groepen kunnen God alleen de eer geven door te existeren naar de wetten van God, zoals bijvoorbeeld in Psalm 148 beschreven wordt. De schepping prijst haar Maker niet met de mond, maar met haar wezen. Het is een eer voor een uurwerkfabrikant, wanneer zijn horloges nauwkeurig lopen en deze verder ook aan alle gestelde eisen precies voldoen. Het is niet tot eer van God, als er een kalf met vijf poten geboren wordt of als het ziek in de stal ligt. Maar wel als dit dier in de wei huppelt en springt, omdat het functioneert naar de bedoeling van zijn Schepper.
Wanneer de leeuw van het geweld van de duivel verlost is, zal hij in zijn juiste bestemming en naar zijn ware aard zijn Schepper verheerlijken:

- ‘Een wolf zich neerleggen naast een lam, een panter vlijt zich bij een bokje neer; kalf en leeuw zullen samen weiden en een kleine jongen zal ze hoeden. Een koe en een beer grazen samen, hun jongen liggen bijeen; een leeuw en een rund eten beide stro’ (Jesaja 11:6,7).
Dat hiervoor miljoenen jaren nodig zijn mag duidelijk zijn. We lezen het toekomstige, duizendjarige vrederijk dan ook niet als een exacte eenheid, maar als een geestelijk getal, wat vele malen langer kan zijn. In de geestelijke wereld zijn immers geen afstanden, plaatsen en tijden.
‘Onder de aarde’

Met degenen die ‘onder de aarde’ zijn, worden de gestorvenen bedoeld, die in de macht van het dodenrijk zijn en de geesten die onder aanvoering van Apollyon de afgrond van het dodenrijk vormen. De zee is ook een beeld van het dodenrijk, maar daarnaast een beeld van het geestelijke of religieuze leven van de mensen (Efeze 2:1; Openb.9:11 en 13:1). Degenen die op de zee zijn of deze bevaren, stellen de ‘godsdienstige’ organisaties en ideologieën met hun leiders voor (18:9,10). In de zee zijn de verleidende geesten, die de honderden valse godsdiensten en duizenden dwalingen veroorzaken. Er wordt dus hier een opsomming gegeven van alles wat God met leven begenadigd heeft en dat behouden óf veroordeeld is. Uiteindelijk zullen allen toch erkennen, dat God en het Lam, de lof, de eer, de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwen toekomen!
Wat behouden is, brengt lof en dank en wat verloren is en naar het verderf gaat, maakt zijn zelfgemaakte(!) nederlaag mee. De demonen die Jezus eenmaal ontmoetten, erkenden Hem als de ‘Heilige van God’ (Marcus 1:24), maar toch waren zij de tegenstanders van God en zijn Zoon. Uiteindelijk zullen zij ieder verzet tegen het plan van God, tegen God, tegen Jezus en tegen degenen die Jezus toebehoren, moeten opgeven:
- ‘Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat, zodat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer, tot eer van God, de Vader!’ (Fil.2:9-11).
In onze eeuw is het nog zo, dat alleen Gods Geest en degenen die door deze Geest geleid worden en de heilige engelen, belijden dat Jezus Heer is (1 Cor.12:3). Maar wanneer de tegenstander volkomen overwonnen is, zal ook hij moeten erkennen: ‘Jezus is Heer!’ De vertegenwoordigers van de levende schepping bekrachtigen deze gang van zaken met hun ‘amen’, dat is: het zal waar en zeker zijn. De vertegenwoordigers van het volk van God werpen zich in verwondering en aanbidding neer voor Hem, die op de troon zit en voor het Lam.
>>>>>