Tijden en gelegenheden

  • ‘Heer, gaat u dan binnen afzienbare tijd het koningschap over Israël herstellen?’ Hij antwoordde: ‘Het is niet jullie zaak om te weten wat de Vader in zijn macht heeft vastgesteld over de tijd en het ogenblik waarop deze gebeurtenissen zullen gebeuren’ (Hand.1:6,7).

Op de vraag van de leerlingen aan Jezus of Hij direct na zijn opstanding zijn herstelprogramma zou voltooien, was het antwoord dat het hun zaak niet was de tijden en gelegenheden te kennen, die de Vader onder zijn eigen machtsbevoegdheid heeft gehouden (Hand.1:6,7). Het vergt namelijk ontzaglijk veel geduld, tijd en doorzettingsvermogen om van een gedemoniseerde en gedegenereerde schepping weer een paradijselijk domein te maken. De vernieuwing gaat niet ineens en ook niet overhaast.

De boer

Er staat ‘dat de hemelse boer geduldig wacht op de kostbare vrucht van de aarde’ (Jacobus 5:7). Deze goddelijke eigenschap willen opnieuw geboren christenen zich eigen maken. Geen gejaag, hysterie of doorduwen en niet proberen het Koninkrijk van God met geweld binnen te dringen. De grond brengt immers vanzelf vrucht voort: ‘eerst een halm, daarna een aar en daarna het volle koren in de aar’ (Marcus 4:28). Het aanvaarden van het eeuwig evangelie van Jezus Christus over het Koninkrijk van de hemelen, verplaatst de mens uit de duisternis naar het licht, uit de macht van de satan naar de nabijheid van God. Dwalingen brengen alleen maar doorns en distels voort, maar het eeuwig evangelie brengt tenslotte rijpe vruchten tevoorschijn. In het tijdperk van de halm en de aar kan men echter nog geen vruchten plukken. Zij geven slechts het leven door voor een nieuw ontwikkelingstijdperk.

Ontwikkelingsfasen bij de mens

Alles wat leeft, heeft zijn dagen en jaren nodig om te ontwikkelen naar het doel, dat de Schepper er in heeft gelegd. De boer kent de tijdperken van zijn gewas. Hij weet bij benadering wanneer hij moet zaaien en wanneer de oogst moet worden binnengehaald (Matth.24:45). Ook in de dierenwereld kent men de duur van de dracht, de metamorfosen bij de groei en het tijdperk van de volwassenheid, wanneer het schepsel het meest aan de verwachting van de Maker voldoet. Ook de mens zal het doel bereiken dat de Schepper op het oog had, toen Hij tot de engelen zei: ‘Laten Wij mensen maken naar Ons beeld’. Dit beeld van God is niet het kind, maar de volwassen geestelijke mens. Deze draagt niet alleen de gelijkenis van God in zijn innerlijke mens, door wijsheid, liefde, barmhartigheid, geestkracht en Koninklijke waardigheid, maar ook in zijn lichaam. Daarom spreekt de Bijbel van Gods oog, oor, arm, mond en voeten. God die geest is, zou zich niet kunnen openbaren, als Hij niet in beelden tot Gods kinderen spreken kon (Matth.13:35).

Het oog van een kind ziet een boom, maar dat van de volwassene herkent de soort en merkt ook de jaargetijden op. Het oor van het kind hoort de muziek, maar dat van de geschoolde musicus kent het instrument en ook het niveau van de speler. Niet het armpje van de baby is beeld van Gods Geest, maar de gespierde arm van de atleet doet de inhoud van de Openbaring van Johannes begrijpen: ‘Gods machtige arm beschermt de Zijnen’. Niet de mond van het spelende kind dat enkele woorden spreekt, is het beeld van de mond van God, maar die van de leraar en profeet, want zij spreken ‘louter wijsheid’ en ‘de woorden van God’. Gods voeten betekenen dat Hij voortdurend in beweging is. Hij blijft ‘de hof doorwandelen’ die Hij als woning heeft gekozen en uitgezocht. Omdat Hij daarbij eeuwige rust bezit, wordt Hij noch moe noch uitgeput (Hebr.4:10).

De schepping van God – Voor zover bekend: 13,82 miljard jaar

De handen van God die alles geformeerd hebben, komen overeen met die van de kunstenaar, die uit een chaotisch blok steen een wonderbaar kunstwerk schept. Ook mensen kennen de tijdperken van het menselijke leven bij benadering. Wanneer het lichaam gezond is, gaan ze vloeiend in elkaar over. In het beeld van God horen geen jeugdziekten, overgangsproblemen of wetteloze ouderdomsverschijnsels. Daarom heeft God zijn Geest gegeven om het geschonden, sterfelijk lichaam te laten herleven, zodat het functioneren kan naar zijn scheppingswetten. 

Elk mens moet zijn levensblijheid vinden in de fase waarin hij leeft, terwijl hij mag uitzien naar het volgende tijdperk van zijn ontwikkelingsproces. In de slotperiode van het menselijk herstel verwachten kinderen van God dan het tijdstip, dat het sterfelijke lichaam zo levend is gemaakt, dat zij ‘niet ontslapen, maar veranderd zullen worden in een ondeelbaar ogenblik’. Dan is het tijdstip aangebroken, dat ‘het sterfelijke (lichaam) de onsterfelijkheid aandoet’ (1 Cor.15:51,54).

De metamorfose 

Om een beeld te gebruiken: het is het ogenblik dat de rups gemetamorfoseerd wordt in een vlinder, die er een nieuwe levensdimensie bij krijgt. Daarom houden Gods kinderen de belofte vast van een genezing van het lichaam door Gods Geest en verdrijven zij de ziekte verwekkende demonen, in de naam van de Heer Jezus Christus (Jac.5:13-16). Op de belofte dat zij de climax van het herstel zullen bereiken, wanneer ze in een ‘ogenblik’ een verheerlijkt lichaam ontvangen, kunnen opnieuw geborenen echter nog niet de hand leggen. Zij verwerpen daarom een leer die haar aanhangers al twee eeuwen lang wijs maakt dat de Heer ‘vannacht’ kan komen en zij dan plotseling een onsterfelijk lichaam ontvangen.

Net als in het groeiproces van het menselijke leven zullen er verschijnsels of tekens zijn, die de nieuwe fase in de reddingshistorie aankondigen. Die signalen vindt men niet in wereldse, van God losse instellingen als de media en politiek, die zich graag bezighouden met de tumultueuze gebeurtenissen in het land Israël en andere oorlogen. Het is Gods Geest die hen leidt. Zo was er een godsspraak tot de oude Simeon gekomen dat hij de dood niet zou zien, voor hij de Christus had gezien. Gods Geest maakt ons duidelijk wanneer het nieuwe tijdperk aanbreekt en tot ons gezegd wordt: ‘Als Ik wil, dat hij blijft, totdat Ik kom, wat gaat het u aan?’ Dan pas trekken opnieuw geboren christenen de conclusie dat zij niet meer zullen sterven (Joh.21:22,23). Dit zal hen bewaren voor onrust en gejaagdheid en extremisme. Zij willen zich alleen op de Heer richten om zijn stem te horen in het binnenste van hun hart.

Elia zal komen

Het volk Israël heeft ook zijn tijden en gelegenheden gehad, maar slechts enkelen hebben ‘de tijd van hun bezoeking’ herkend, toen er een nieuw reddingsproces inging. Maar ondanks het werk van de hielbijter, de satan, werd tenslotte toch in de volheid van de tijd Jezus geboren. Gods herstelplan begon bij Hem en ging met Hem door. Alle eeuwen door was er een rest in het volk geweest, dat de gerechtigheid van de ingeschapen wet en geweten had bewaard en daardoor het leven kon doorgeven. In haar midden kon de rijpe vrucht van de aarde, Jezus Christus, voortgebracht worden.

De Schriftgeleerden, die de sleutels van het Koninkrijk van de hemelen weggenomen hadden, zagen ook uit naar het herstel en naar de hersteller, maar zij hielden zich bezig met aardse verwachtingen. Dit zien we nu ook bij die kerkmensen, die hun hoop hebben gevestigd op de politieke ontwikkelingen in het Midden-Oosten. De ongeestelijke Joodse leiders rekenden op een geheimzinnige terugkeer van de profeet Elia, die alles zou herstellen en de aarde zou brengen onder de hegemonie van het natuurlijke zaad van Abraham in plaats van onder zijn geestelijk zaad, de gemeente. Jezus merkte echter op:

  • ‘Elia zal wel komen en alles herstellen, maar Ik zeg u, dat Elia al is gekomen en zij hebben hem niet erkend’ (Matth.17:12).

De leerlingen begrepen toen dat 500 jaar ervoor, Maleachi over Johannes de Doper had geprofeteerd:

  • ‘Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en gevreesde dag van de Heer komt’.

De naam ‘Elia’ betekent: mijn God is Jahweh of Heer. Toen deze profeet op de Karmel de valse Baäl profeten overwon, riep het volk daarom eensgezind uit: ‘De Heer, die is God’. Het ging op de Karmel over de God die werkelijk zou spreken. De valse profeten raakten wel in geestvervoering, maar er kwam geen geluid en niemand gaf antwoord (1 Kon.18:29). Het ging hier dus over een goddelijke inspiratie, die de profeten zou laten spreken. Uit Exodus 4:16 kan men opmaken, dat een god een inspirator is. God zei tot Mozes dat hij de god van Aäron zou zijn en deze op zijn beurt zou de mond van Mozes worden. Een god is een inspirator en een voorwerp van verering (vergelijk ook 2 Thess.2:4).

De doop met Gods Geest

Paulus schreef dat er veel goden of inspirators zijn, maar er is maar één ware inspirator, namelijk God, de Vader, uit wie alles is ontstaan en voor wie wij zijn bestemd (1 Cor.8:6). ‘Elia’s’ zijn dus profeten, die voor honderd procent de woorden van God spreken. Zij kunnen getuigen: ‘onze God of inspirator is de Heer.’ Zij zijn dus de stem of de mond van de Roepende, dus van God, die nieuwe dingen ging openbaren (Matth.3:3). Johannes de Doper onderscheidde de tijd waarin hij leefde en die ophanden was. Daarom werd van hem gezegd: ‘Alles wat Johannes van Jezus zei, was waar’ (Joh.10:41). Hij was de eerste die wist, dat in zijn tijd het herstelplan van God zich begon te realiseren. Hij kondigde de Hersteller aan met de woorden:

  • ‘Zie, het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt’ en: ‘Hij zal u dopen met Gods Geest en met vuur’ (Matth.3:11).

Wie had dit ooit gehoord? Johannes was de Hersteller niet, maar ging voor Deze uit. Hij gaf alleen aan het volk kennis van redding in de vergeving van hun zonden, maar Jezus bracht de redding, want Hij droeg de betekenisvolle naam: God redt. Jezus was ook een Elia, want Hij sprak wat Hij van de Vader hoorde. Daarom kende Hij de tijd en de gelegenheid waarin Hij leefde; Hij sprak over het aangename jaar van de Heer: ‘Vandaag is dit Schriftwoord voor uw oren vervuld’ (Lucas 4:21). Hij was echter meer dan Elia, meer dan Johannes of welke ware profeet ook, want Hij alleen kon getuigen: ‘Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien’.

De twee getuigen – Beeld van Gods zonen

Na de Heer Jezus zullen nog veel Elia’s op aarde komen. Zij zullen hun godsspraken niet vermengen met dwalingen en valse inspiraties en daarom worden zij geopenbaard als zonen van God, die de schepping door hun boodschap zullen vernieuwen. De twee getuigen die in de eindtijd op de straten van het grote Babylon zullen staan, kunnen voor de volle honderd procent zeggen: wij zijn aan het beeld van de Zoon gelijk geworden en denken, spreken en handelen zoals Hij deed. Deze Elia’s voeren de gemeente tot haar onberispelijkheid en hun wordt geopenbaard, dat het tijdstip gekomen is, dat de levend overgebleven christenen niet meer zullen sterven, maar in een ondeelbaar ogenblik bij de terugkomst van de Heer veranderd zullen worden. In een ‘punt des tijds’, dus sneller dan het licht.

Het grote Babylon – Dronken van het bloed van de heiligen

Babylon heeft massa’s buitenwijken en inspirators, want het is dé kerk van de verwarring. In haar worden de dwalingen gebracht die de christenen van de smalle weg – die van het Koninkrijk van de hemelen – afvoeren. Babel is geen organisatie, maar een zieke, besmette en geïnfecteerde denkwereld. Babel laat zich herkennen, omdat het herstelplan wordt geloochend en het evangelie van Jezus Christus vermengd wordt met aardsgerichte leringen.

Daarom klinkt het:

  • ‘Ga uit haar weg, Mijn volk, zodat u geen deel hebt aan haar zonden en zodat u niet van haar plagen zult ontvangen. Want haar zonden hebben zich opgestapeld tot aan de hemel en God herinnerde Zich haar ongerechtigheden. Vergeld haar zoals zij ook u vergolden heeft en vergeld haar dubbel naar haar werken. Schenk in de drinkbeker, waarin zij voor anderen ingeschonken heeft, voor haar het dubbele in. Naar de maat waarin zij zichzelf heeft verheerlijkt en losbandig heeft geleefd, geef haar naar die maat pijniging en rouw. Want in haar hart zegt zij: Ik zit als een koningin en ben geen weduwe en ik zal zeker geen rouw zien’ (Op.18:4-7).

Trek uit deze denkwereld! Is het vreemd dat men nu de Elia’s van deze tijd verwijt: denken jullie nu echt dat jullie het alleen weten? Hun antwoord zal bevestigend zijn!

De tijd van bezoeking

De Heer verweet de Farizeeën dat zij alleen maar de tekens in de natuurlijke wereld konden onderscheiden, maar niet die van de tijden en gelegenheden. Huilend zei Hij tegen de inwoners van Jeruzalem: ‘Had ook jij op deze dag maar geweten wat vrede kan brengen! Maar dat blijft voor je verborgen, ook nu’ (Lucas 19:42). God had immers ‘omgezien naar zijn volk’ en er was een nieuw tijdperk aangebroken. Het kenmerkende van de Elia-bediening is, dat deze de nieuwe periode in het eeuwig voornemen van God bekend maakt. Er staat immers geschreven: ‘Zo doet God, de Heer, niets, zonder dat hij zijn plan heeft onthuld aan zijn dienaren, de profeten’ (Amos 3:7).

Wie de nieuwe tijd niet onderscheidt, blijft stilstaan bij een voorbijgegane periode. Hij zoekt nog leven in de halm en in de aar, terwijl het de tijd is van het rijpe graan. Men is nog bezig met de tijd van de reformatie, met die van opwekkingsbewegingen, belijdenisgeschriften en sacramenten. Men kijkt nog steeds achterom en verwacht een herhaling van het geromantiseerde verleden, maar is ongeschikt voor het Koninkrijk van God dat op elk moment door wil doorbreken.

Angst aanjagen om de ‘opname’ te missen…

Voordat de nieuwe fase aanbreekt, moet men op de huidige situatie letten. De kerken lopen leeg en zij die de komst van de Heer ieder ogenblik in hun tijdperk verwachten, zijn nu gefrustreerd. De pinksterbeweging heeft zich afwijzend opgesteld tegenover het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen dat tot hun vrede had kunnen dienen. Geestvervulde christenen klemmen zich vast aan het evangelie van het Koninkrijk, dat over de hele aarde moet worden gebracht. Zij wijzen daarom, net als Paulus dit deed, elk ander evangelie van de hand. Zij laten zich niet in verwarring brengen door hen, die het evangelie van Christus verdraaien tot hun eigen verderf. Zij onderscheiden in de gestileerde vriendelijkheid van de predikers die in schapenvachten tot ons komen, de roofgierige wolven die de kudde verscheuren.

De anonieme meelopers zonder bruiloftskleed

Hun lampen zullen uitgaan en zij komen buiten de feestzaal te staan, ondanks hun eenheidsstreven dat ondersteund moet worden door een lekker etentje. De vraag is: waar is men eigenlijk mee bezig? Men gaat de nieuwe tijd niet in door een perfectie op het horizontale vlak. Men komt niet tot volmaaktheid door een overgeorganiseerde gemeentestructuur of door nieuwe prikkelingen van het emotionele leven. Alleen de leer van het Koninkrijk van de hemelen brengt vanzelf vrucht voort, want het zaad van dit geïnspireerde Woord dat in de goede aarde valt, zal honderdvoudige vrucht opleveren (Lucas 8:8).

De vijf wijze Maranatha meisjes hadden rekening gehouden met de nieuwe tijd. Ze hadden voorzorgsmaatregelen genomen in de onzienlijke wereld, want zij hadden reserveolie meegenomen om hun lampen brandend te houden. Hun lamp was het volle woord van God en hun olie was het toenemende geloof door Gods Geest in hen. Dit alleen geeft licht, dus leven. De vernieuwing van hun denken was daarom bestand tegen de opkomende vloed van demonen in het middernachtelijke uur. Daarom konden zij juist in die tijd de feestzaal binnengaan.

Lezer, hebt u ooit wel eens gehoord wat de betekenis is van deze blijdschap van de Heer? Wanneer viert u feest? Wanneer de Gods Geest in u zo machtig werkt, dat het herstel gaat functioneren in eigen leven en in dat van anderen. Jezus sprak over het verbreken van kettingen, het genezen van blinden en het in vrijheid stellen van de gebrokenen van hart. Is er iets mooiers te bedenken dan dat u mag meehelpen de zuchtende schepping te bevrijden? Daarom is de weg die opnieuw geboren christenen zijn opgegaan, de enige weg en zij zullen alleen deze weg tot het einde toe moeten bewandelen. Laat u dan niet door de mooie verpakking van natuurlijke leringen misleiden, want er is maar één weg die ten leven leidt. Weinigen zijn er die deze weg in het Koninkrijk van de hemelen vinden, want ze zoeken hem niet (Matth.7:13,14). Maar gelukkig is de christen, die ingaat door de enge poort en wandelt op de smalle weg, die naar het leven leidt!