
‘Zie, Ik heb het u van tevoren gezegd! Als men dan tegen u zal zeggen: Kijk, Hij is in de woestijn; ga er niet heen’ (Matth.24:25,26a).
Wat de Heer Jezus ons voorspeld heeft, is waar en komt uit. Hij zei dat onder hen die zijn naam zouden belijden, oorlogen en ruzies zouden zijn. Zij zouden ‘elkaar haten’, ‘overleveren’ en ‘slachten’. Valse profeten en valse christussen zouden door hun bedrieglijke tekens en wonderen velen verleiden. Het zou voor het volk van God heel moeilijk zijn om vrij te blijven van deze verwarring en de juiste koers te houden, hoewel Jezus had gewaarschuwd: ‘Let op, ik heb jullie dit van tevoren gezegd!’.
Maar het plan van God met de mens gaat door, ondanks het feit dat er onkruid tussen de tarwe gezaaid is. Zoals er een rest van het ware volk Israël in Babel bewaard bleef en terugkeerde naar het eigen land, zo zorgt God voor zijn gemeente en bewaart in de verwarring van de kerkgeschiedenis een overblijfsel, dat niet misleid wordt en niet omkomt, maar terugkeert op eigen bodem, de hemelse gewesten. De ontrouw moest komen, maar ondanks deze afval zal het Evangelie van het Koninkrijk van God toch blijven bestaan (vers 14).
Nu volgt in vers 26 de waarschuwing: ‘Als men dan tot u zegt: Kijk, Hij is in de woestijn, ga er niet ‘heen’. ‘Dan’ doelt op de tijd van het einde, wanneer de kinderen van God ontwaken en zich opmaken om het plan van God in hun leven uit te voeren. De bedoeling van God en zijn Woord is immers: om de mens ‘onderwijs te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de rechtvaardigheid’ (2 Tim.3:16). Er zijn veel christenen die God zoeken en heilig willen leven, maar toch worden misleid door dwaalleraars, die zeggen: ‘De Mensenzoon is in de woestijn’. Men zou dus een woestijnleven moeten leiden om het voorgestelde doel van de volmaaktheid te bereiken.
Bevrediging van eigen vlees – Inspanningen, geboden en vérboden

‘Vrome’ geesten laten boekjes en brochures schrijven, waarin zij erop aandringen dat de christen het natuurlijke leven moet loslaten; dat hij uit de wereld moet gaan om heilig en onberispelijk te kunnen lieven. Zij spreken graag over ‘het vlees kruisigen’ en hun volgelingen zien niet, dat deze pijniging van het lichaam zonder enige waarde is en alleen dient tot bevrediging van het (vrome) vlees (Col.2:23). Soepjurken, Ufo’s, ernstige blikken en hun huichelachtige maskers maken op de ware gemeente van Jezus Christus geen enkele indruk. Jezus vroeg ook niet of zijn Vader de leerlingen uit de wereld zou wegnemen, maar dat Hij ze zou beschermen voor de Satan (Joh.17:15).
Zo menen sommigen dat de ongehuwde staat iemand geestelijk verder zou brengen dan hij of zij in een gewoon gezinsleven bereiken kan. Men denkt dat het ingaan tégen de wetten die God bij de schepping gegeven heeft, voor Hem aangenaam is. De rooms-katholieke of protestantse kloosterling(e) in een habijt, die zichzelf zoveel ontzeggen moet, wordt eigenlijk zo een ‘geestelijk ideaal’. De gebedsverhoringen van dit soort ‘heiligen’ worden door de gewone ‘leek’ gezien als het gevolg van de ‘bijzondere gemeenschap met God’. Merk echter op dat hun ‘wonderen’ steeds op het natuurlijke terrein liggen en nooit overeenkomen met die van Jezus, die het herstel en de verlossing van de duivel bewerken.
Zware lasten promoten

Woestijnchristenen menen dat God er plezier in heeft als men het lichaam pijnigt en kwelt. Zij geloven dat God hun gebeden eerder verhoort, wanneer zij rammelen van de honger of misselijk zijn van het vasten. Zij houden hun bidstonden niet overdag, maar liever ‘s nachts (liefst om 03.00 uur) en dan zo lang mogelijk, alsof er een verdienste in zou steken om ‘s morgens slapend op het werk te komen. De fulltime leider van zo’n gemeente kan echter wel uitslapen, daarmee de woorden van de Heer waarmakend:
- ‘Ze bundelen alle voorschriften tot een zware last’. Andere handschriften lezen: ‘tot een zware en ondraaglijke last’ en leggen die de mensen op de schouders, terwijl ze zelf geen vinger uitsteken om die te verlichten’ (Matth.23:4).
Fanatieke streekgeesten

‘Vrome’ geesten dwingen meisjes en vrouwen tot het dragen van donkere lakens. Hele streken van ons land worden door zulke traditiegeesten overheerst. Wanneer een goddeloze geest het beeld van God niet kan bespotten door hem carnavalskleren aan te trekken, laat de ‘vrome’ macht hem of haar rustig lopen in een habijt of in een traditionele klederdracht die nog aan de middeleeuwen herinneren. Het resultaat is immers hetzelfde: de mens wordt een bezienswaardigheid!
Woestijnchristenen
Woestijnchristenen zijn getypeerd door voorschriften, die iets verbieden. Hun ‘zware’ leer tast het natuurlijke leven aan:
- Men draagt geen sieraden,
- zweert bij de ‘hoed en de knoet’,
- onthoudt zich en zijn kinderen de gewone genoegens op de zondag,
- leert de bezitloosheid (aan de buitenkant) en dringt er zeer op aan minstens zijn tienden te geven of het spaarbankboekje te leggen aan de voeten van de grote ‘godsman’,
- spreekt veel over boete, maar komt nooit tot bekering en tot een blij en ontspannen geloofsleven.
- ‘Vrome’ geesten zeggen nooit: ‘Het is genoeg’,
- hun valse profeten roepen: ‘Hij is in de woestijn’.
- Zij bidden: ‘Heer, schenk ons een Elia of een Johannes de Doper!’
- Zij zijn blij met de boetgezanten die een ‘stem in de woestijn’ zijn, in zulke Oudtestamentische figuren, die op een rotsblok staande, gehuld in een kamelenharen mantel, donderend uitroepen: ‘Land, land, land, hoort het woord van de Heer, anders…!’
Een nieuwe leer

Jezus bracht echter een leer voor de gewone mens die de strijd van het dagelijkse leven zelf meemaakte. Hij gaf zijn evangelie aan de moeder van het gezin, aan de werknemer in de fabriek, aan de ongetrouwde vrouw, werkzaam in het maatschappelijke leven en aan de universitair geschoolde die meer inzicht had in bepaalde specialismen. Hij wil hun allen Gods Geest geven, zodat zij de overwinning over zonde en ziekte zouden hebben en heilig en onberispelijk zouden kunnen leven. Jezus zei: ‘De minste in het Koninkrijk van de hemelen is meer dan Johannes’; dus meer dan Elia, dus meer dan welk groot mens ook uit een voorbijgaand tijdperk.
Het Koninkrijk van God wordt niet alleen gebouwd door zulke bijzondere ‘godsmannen’, maar: ‘door middel van de gemeente (bestaande uit gewone mannen en vrouwen), wordt nu aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid van God bekend’ (Ef.3:10). De gemeente wordt opgebouwd door de medebroers en zussen: apostelen, herders, leraars en voorgangers. Zij doen huisbezoeken, vermanen, vertroosten, leren en op deze manier groeit de gemeente naar de mannelijke volwassenheid, de maat van de volheid van Christus.
Hoe onopvallend was het leven van Jezus. Hij was gekomen ‘etende en drinkende’ (Matth.11:19). Hij liep niet rond in een kameelharen mantel, soepjurk of zwart pak, maar droeg een kostbare rok zonder naad, aan één stuk geweven. Hij was aanwezig op een bruiloft en maakte van water wijn en niet van wijn water! Hij vestigde de aandacht niet op zichzelf, schreeuwde niet en zijn stem werd op de pleinen niet gehoord (Matth.12:19). Hij gedroeg Zich als een gewoon mens en was daarom al een aanstoot voor de ‘vrome’ geesten. Maar hij opende de weg van de redding voor hen die hongerden en dorstten naar de gerechtigheid. Hij was het voorbeeld voor allen, die op dezelfde manier als Hij door Gods Geest geleid worden en dan zonen van God zijn (Rom.8:14).
Wie bij Jezus horen hechten weinig waarde aan uiterlijke vroomheid. In de onzienlijke wereld nemen zij geen contact op met Satans demonen en verweren zich tegen hun beïnvloeding. Daarom ‘hebben zij het vlees (ook het vrome) met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd’ (Gal.5:24). Hun verlangen is niet om met hun lichaam de zondige geesten te gehoorzamen, maar om hun lichaam te stellen in dienst van de gerechtigheid, zodat het Koninkrijk van God met zijn vrede, blijdschap en gerechtigheid in hun leven geopenbaard kan worden.
Ook niet in de binnenkamer
Voor hen die op een gemakkelijker en gerieflijker manier het Koninkrijk van God willen erven dan de woestijnchristenen, voor hen die in het natuurlijke leven op dezelfde voet verder willen gaan, heeft de duivel een andere dwaalweg, namelijk de leer voor de ‘binnenkamer’.
‘Als men dan tot u zegt: Kijk, Hij is in de binnenkamer, geloof het niet’ 26b.
Onze Heer gebruikte het woord ‘binnenkamer’ onder andere in Mattheüs 6:6: ‘Maar u, wanneer u bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bidt tot uw Vader in het verborgene’. Bidden is bezig zijn in het ‘verborgene’, dus in de hemelse gewesten. Het woord ‘binnenkamer’ wijst erop dat de mens zich tijdens zijn gebed afsluit van het natuurlijke leven. De bedoeling van de woorden van Jezus in Mattheüs 24:26 wordt ons nu duidelijk. De ‘binnenkamer’ is de onzienlijke, innerlijke mens. Er zal dus een leer gebracht worden die het leven met God beperken zal tot de onzienlijke wereld. Dit verbonden zijn met God zal dus in het natuurlijke niet geopenbaard hoeven te worden. Men zal in God geloven, spreken over bekering en nieuwe geboorte, zonder dat deze ervaringen in de wereld gezien werden. Het nieuwe leven zal dus geen vrucht dragen. Een kind zal een ‘bekeerde’ vader hebben, die echter net zo humeurig blijft als vroeger. De man zal bij zijn ‘opnieuw geboren’ vrouw geen levensverandering ontdekken. Maar de Heer heeft gezegd: ‘Aan hun vruchten zult u hen kennen’. De vrucht is datgene wat zichtbaar wordt.
Men leert dat christenen en wereldlingen allen zondaars zijn, dus allen gelijk. Men erkent wel dat de boze geesten in het ‘zondige vlees’ werken, maar de doorwerking en overwinning van Gods Geest in het vlees, ontkent men. Paulus schreef dat God het sterfelijk lichaam levend maakt door zijn Geest die in ons woont (Rom.8:11). Hij bedoelde dat ons vernederde (dus niet ons gestorven) lichaam functioneren mag naar de wetten van God, zodat het niet langer aan de zonde- én ziektemachten gehoorzaamt, maar aan de wetten van de Geest.
Is een kind van God, zondaar zijn tot de dood?

De dwaling is ontstaan dat ook het kind van God zondaar blijft tot de dood. Dit is het axioma van de meeste naamchristenen. Wij vragen of dit de taal is van een waar kind van Abraham, van hem die gelooft in een God, ‘die de doden levend maakt en die de dingen die niet zijn, roept alsof ze waren’ (Rom.4:17).
Twee heren dienen?
Hoort de levensregel ‘zondaar tot de dood’ bij een ongelovige of bij een gelovige? Kan men tegelijkertijd een medewerker van God en een slaaf van de zonde zijn? Immers in wiens dienst men zich stelt, die gehoorzaamt men als heer. Jezus zegt ons dat het onmogelijk is twee heren te dienen. Zo’n leven is gespleten en ‘een verdeeld hart is God een gruwel!’ Het is geen wonder dat kerkmensen die het dogma ‘zondaar tot de dood’ zich eigen gemaakt hebben, ook leven naar deze belijdenis van het ongeloof. Ook leert men:
- ‘Wij zijn zulke grote zondaars, maar gelukkig merkt God het niet, want als Hij ons opmerkt, ziet Hij ons aan in Jezus Christus…’
Wij denken aan het gebed van een predikant dat wij eens lazen:
- ‘Heere, wij danken U, dat Gij ons aanziet alsof wij geen zonde hebben, want Gij ziet de wil aan voor de daad en de keuze voor de volbrenging..’
Zo ook hoorden wij een andere man bidden voor de maaltijd:
- ‘Gij had zulke andere wegen met ons kunnen gaan, maar Gij laat ons nog in het land der levenden…!’
- Hij leert dan verder: ‘Wij zijn heilig en rein ‘in Christus’…’
Maar deze onberispelijkheid beperkt zich tot de ‘binnenkamer’, want niemand merkt het. Werkelijk, voor zo’n schizofrene leer heeft men wel een geloof nodig, groter dan ooit in Israël gevonden werd, want zij is in flagrante strijd met wat in de zichtbare wereld gezien wordt. Daarom zei de Heer: ‘Geloof het niet!’ en ‘Kijk uit voor dat valse zuurdesem’, dat is de huichelarij van de Farizeeën. Er is niets bedekt, of het zal geopenbaard worden en verborgen, of het zal bekend worden’ (Lucas 12:1,2).
Zoals de bliksem
Wanneer de Heer niet ‘in de woestijn’ te vinden is, noch ‘in de binnenkamer’, waar is Hij dan wel? Nu volgt het antwoord van Jezus:
‘Want zoals een bliksemschicht vanuit het oosten weerlicht tot in het westen, zo zal ook de Mensenzoon komen’ 27.
Deze komst is de parousia, zijn tegenwoordigheid of aanwezigheid. Paulus schreef in 2 Thessalonicenzen 1:10:
- ‘Op die dag komt Hij om te worden geprezen door al de zijnen, om te worden geëerd door allen die tot geloof gekomen zijn.’
Aan zijn heiligen heeft God bekend willen maken hoe rijk de heerlijkheid van dit geheim is onder de heidenen: Christus onder (of in) u, de hoop van de heerlijkheid’ (Col.1:27). Lezer, verwerp de valse leer, die inhoudt dat Jezus deze nacht komen kan en dat er niets meer in de weg staat (Tijdperkenknippers). Jezus waarschuwde:
‘Let op, laat je niet misleiden. Want er zullen velen komen die mijn Naam gebruiken en zeggen: ‘Ik ben het’ of: ‘De tijd is gekomen.’ Volg hen niet!’ (Lucas 21:8).