
‘Het Koninkrijk van God, dat al sinds de grondvesting van de wereld voor u bestemd is’ Matth.25:34.
Voordat de wereld geschapen werd, had God al het complete plan in gedachten, vanaf het begin tot aan het einde. In dit plan was het Koninkrijk van God opgenomen, gerealiseerd in mensen, die geschapen waren naar het beeld van God en naar zijn gelijkenis. Een van de eigenschappen die God speciaal ten opzichte van de mens geopenbaard heeft, is zijn barmhartigheid. Heilige engelen en duivelen hebben van deze karaktertrek van God geen ervaring, maar hij moet wél in het beeld van God (de mens) aanwezig zijn. Bij het laatste oordeel wordt deze eigenschap als toetssteen gebruikt, omdat zij ook het bewijs is van de aanwezigheid van liefde ten opzichte van God en de naaste, dat is de eis van de wet. In de eerste Bergrede zei de Heer: ‘Gelukkig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden’.
Barmhartigheid is een eigenschap die overvloedig bij God gevonden wordt, want Hij is vol ontferming en goedheid. Verschillende malen wordt ook gezegd dat de mens Jezus ‘met ontferming bewogen was’. Als opnieuw geboren en met Gods Geest vervulde christenen zullen wij barmhartig moeten zijn, zoals onze Vader in de hemelen barmhartig is (Lukas 6:6). Juist daaruit zal blijken dat wij kinderen van onze hemelse Vader zijn. Hij wil immers dat allen behouden worden en dat niemand verloren gaat. Daarom wordt hier bedoeld: ‘Erf het Koninkrijk dat voor u, barmhartigen, gemaakt is vanaf de grondvesting van de wereld.’
Werkers van de gerechtigheid
‘Want Ik had honger en jullie gaven mij te eten, Ik had dorst en jullie gaven mij te drinken. Ik was een vreemdeling en jullie namen mij op. Ik was naakt en jullie kleedden mij. Ik was ziek en jullie bezochten mij, Ik zat gevangen en jullie kwamen naar mij toe. Dan zullen de rechtvaardigen hem antwoorden: Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien en te eten gegeven, of dorstig en u te drinken gegeven? Wanneer hebben wij u als vreemdeling gezien en opgenomen, u naakt gezien en gekleed? Wanneer hebben wij gezien dat u ziek was of in de gevangenis zat en zijn we naar u toe gekomen?’ 35-39.
Hier is sprake van een schenkende of goddelijke liefde ten opzichte van de naaste. Van deze werkers van de gerechtigheid wordt niet gezegd dat zij liefde ontvangen hadden, maar dat zij deze verspreiden en in hun daden hadden laten zien. De satan en zijn demonen kennen geen enkele vorm van goedheid of liefde om elkaar of mensen op te bouwen. Daarom verliezen allen, die door demonen geleid worden, de menselijke barmhartigheid en het medelijden.
Wanneer iemand van de duistere macht verlost is en zijn normale menselijke natuur weer hersteld is (als zijn stenen hart veranderd is in een van vlees, Ez.36:26), zal hij ook weer genade en goedheid kunnen tónen. Hoeveel temeer zal een mens, die met Gods Geest gedoopt is, hiertoe in staat zijn, omdat bij hem met de liefde van God ook de geestelijke gaven kunnen werken. Dan zal hij anderen kunnen helpen, verlossen en genezen.
Gods ontferming en barmhartigheid

Het evangelie is de boodschap van Gods ontferming en barmhartigheid. Alles wat zich richt op beschadiging of vernietiging, is van de duivel. Alleen door de geestelijke gaven wordt een mens tot alle goede herstelwerken volledig toegerust. Het evangelie van Jezus Christus stelt de gelovigen in staat meer te geven en meer uit te delen dan wat in deze verzen vermeld wordt. Daarom begrijpen wij nog meer dat het oordeel waarover hier gesproken wordt, niet de volgelingen van Jezus (de gemeente) betreft, maar de rechtvaardigen van het oude verbond en degenen waarin het beeld van God nog niet geheel verloren was gegaan en die ‘van nature die dingen deden die de wet van God gebiedt’ (Rom.2:14). Daarom verwonderen deze rechtvaardigen zich erover, wanneer de Koning hen met deze woorden toespreekt en zij vragen: ‘Wanneer hebben wij U gezien en op deze manier ten opzichte van U gehandeld?’ Zij hebben Hem immers persoonlijk niet gekend. Zij hebben hooguit van de belofte van zijn komst geweten en Hem ‘van verre gezien en omhelsd’.
De vraag is in hoeverre worden ook nu nog de goddelijke eigenschappen van liefde en barmhartigheid geopenbaard in mensen, die nooit van Jezus hoorden en die toch ‘hongeren en dorsten naar de gerechtigheid’? Zijn er ook nu nog mensen als Job of als Abimelech, de koning van Gerar, aan wie God zich in een droom kan openbaren en ‘die met een zuiver geweten gehandeld had’ hoewel Abraham vreesde, dat er in Gerar ‘geen vrees voor God zou zijn’ (Gen.20:1-18). Wij vragen ons af of er ook nu nog mensen kunnen zijn, zoals Henoch en Melchizédek, waarin het ingeschapen beeld van God nog gezien wordt.
Wij spreken niet over ‘heidenen’, want hiermee bedoelt men meer de afgodendienaars, mensen die met boze geesten contact hebben. Ook weten wij dat in de dagen van Noach, geen rechtvaardigen buiten het gezin van deze Godsman gevonden werden en dit zal ook zo zijn in de laatste dagen. Dan zal volgens Mattheüs 24:14 over de hele wereld het evangelie van het Koninkrijk van God gebracht zijn en de demonen zullen uit de hemel worden geworpen en als een zondvloed over de aarde gaan om zich in de mens te verbergen. Buiten de gemeente zullen er dan ook geen rechtvaardigen meer gevonden worden. Hier wordt gesproken over natuurlijke mensen, die met natuurlijke middelen in de natuurlijke wereld hun liefde en barmhartigheid konden tonen en dit ook gedaan hebben. Aan degenen die deel hebben aan de eerste opstanding, worden grotere eisen gesteld, want zij kunnen werken met de kracht en de gaven van Gods Geest, zoals gezegd wordt: ‘Als tekens zullen de gelovigen deze dingen volgen: in mijn Naam zullen zij demonen uitdrijven en zieken de handen opleggen voor genezing’. Hun wordt macht gegeven om de Woorden van God te brengen en mee te werken aan een volledig herstel.
‘Bronnen van levend water zal ik u geven’

In deze verzen gaat het over mensen die eten brachten aan hen, die honger hadden in de natuurlijke wereld, maar de Heer zegt dat zijn volgelingen het Levensbrood, het Woord van God, moeten brengen bij hen, die hongeren naar de gerechtigheid en dat dezen dan verzadigd zullen worden. Er wordt gesproken over mensen die water gaven aan hen die dorst hadden, maar Jezus zei dat Gods Geest in de gelovigen zal worden tot een springende fontein, waardoor de dorstende mensen naar de gerechtigheid gelaafd worden. Over Zichzelf zei hij: ‘Maar wie gedronken heeft van het water, dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst krijgen.’ Hier zijn mensen die een huis hadden en vreemdelingen herbergden.
Het nieuwe verbond richt zich tot hen, die vervreemd zijn van het burgerschap in de geestelijke wereld en nu door het werk van de volgelingen van Jezus, geen gasten meer zijn of vreemdelingen, maar medeburgers en huisgenoten van God (Efeze 2:19). Hier wordt gesproken over hulp aan misdeelden en armen, die in de natuurlijke wereld gekleed werden, maar de gelovigen van het nieuwe verbond mogen helpen, zodat degenen die het kleed van de gerechtigheid missen, dit witte kleed ontvangen en een gewaad van lof in plaats van een benauwde geest. Hier worden de zieken genoemd, die bezocht werden met de bedoeling ze te bemoedigen, maar een volgeling van Jezus, die met Gods Geest gedoopt is, heeft meer troost, want hij legt de handen op de zieken tot genezing in de naam van Jezus.
Tenslotte wordt nog vermeld het bezoeken van gevangenen om hun eenzaamheid te verlichten of hen te bemoedigen, maar Jezus was gekomen om aan de gevangenen vrijlating te geven en om de gevangenisdeuren in de geestelijke wereld te openen en zij die Hem volgden, deden hetzelfde als hun Meester. Wij merken op dat de volgelingen van Jezus ook in de natuurlijke wereld doen, wat hier de barmhartigen deden. Zegt Jacobus niet: ‘Stel, dat een broer of zus gebrek heeft aan kleding en aan dagelijks voedsel en iemand van u zegt tot hen: ‘Het ga je goed! Kleed je warm en eet smakelijk!’ zonder de ander te voorzien van de eerste levensbehoeften – wat heeft dat voor zin? Zo is het ook met geloof: als het zich niet daadwerkelijk bewijst, is het dood’ (Jac.2:15-17). Maar daarnaast doet de gelovige in de onzienlijke wereld ‘de grotere werken’, waarover Jezus sprak in Johannes 14:12. In de eindtijd zal dit steeds moeilijker, zo niet onmogelijk worden.
De haat tegen God en zijn Zoon Jezus met zijn gemeente

Er komt een nacht waarin niemand meer werken kan, d.w.z. kinderen van God kunnen geen barmhartigheid meer tonen. De zon en de maan houden hun glans in, de zon wordt zwart en de maan wordt als bloed (Openb.6:12-17). Zon en maan zijn beelden van God en Jezus Christus. Als die niet meer worden gezien (als God en Jezus niet meer erkend worden) worden opnieuw geboren kinderen van God intens gehaat. Het aardse naamchristendom verliest zich in een nieuwe wereldorde, waardoor de kinderen van God worden aangevallen. Zij kunnen niets anders doen dat zich houden aan het woord van Jezus: Zie toe op uzelf!
Het antwoord
‘En de koning zal hun antwoorden: ‘Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broers of zussen, dat hebben jullie voor mij gedaan’ 40.
Mensen, waarin het beeld van God niet geheel verloren is gegaan, functioneren nog mee in Gods gedachten en luisteren nog naar zijn ingeschapen wet. In het oordeel kan hun geweten met hen mee getuigen, omdat zij het niet hebben dichtgeschroeid met brandijzers. Hun gedachten klagen hen aan of verontschuldigen hen (Rom.2:16). Zij hadden meer willen doen, maar hun eigen geest was ontoereikend en zij wisten dat deze arm was. Zij deden echter wat zij konden. Zij waren barmhartig en hadden hetzelfde doel als God, namelijk behoud.
In dit vers antwoordt de Koning deze verbaasde rechtvaardigen. Hij doet dit door zich met het menselijke geslacht te identificeren, niet alleen met de groten, maar ook met de geringsten onder hen. Hij zegt dat de barmhartigheid en liefde, die zij zijn broers en zussen, groot of klein, gegeven hebben, aan Hém gedaan zijn. Op de nieuwe aarde zullen zij de stad van God binnengaan en eten van de bladeren (geestelijke gaven) van het levensgeboomte (de gemeente). Zij zullen ook ingevoegd worden in de kudde, zodat God tenslotte zal zijn ‘alles in allen’.