
‘Daarop zal hij ook de groep aan zijn linkerkant toespreken: ‘Jullie zijn vervloekt, verdwijn uit mijn ogen naar het eeuwige vuur dat bestemd is voor de duivel en zijn engelen’ Matth.25:41.
Demonen kennen geen enkele liefde en ontferming. Zij zijn uit henzelf ontrouw geworden aan God en Deze liet hen los omdat Hij alleen kan leven met mensen en engelen die Hem vrijwillig (en niet gedwongen) liefhebben (Ez.28). Door hun val weten de satan en zijn demonen niet wat barmhartigheid inhoudt. Zij hebben Gods ingeschapen(!) wijsheid zelf veracht en vertrapt. Mensen die zich vrijwillig(!) door satans demonen laten leiden, verliezen hun barmhartigheid. In dit verband merkt de apostel op: ‘Onbarmhartig zal het oordeel zijn over wie geen barmhartigheid heeft bewezen; maar de barmhartigheid overwint het oordeel’ (Jac.2:13). Het oordeel eist de eeuwige straf van de zondaars (vers 46) maar in het laatste oordeel overwint de ontferming van God over hen, die de goddelijke eigenschap van barmhartigheid geopenbaard hebben, zoals er staat: ‘Gelukkig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden.’
Wij wijzen er op, dat mensen met beide handen het eeuwig evangelie van Jezus Christus zouden hebben aangegrepen als het hun verteld was. Met het evangelie bedoelen wij dan de boodschap over het Koninkrijk van de hemelen, dat de gelegenheid opent om goed te doen aan allen, die door de duivel overweldigd zijn en niet door de leugens van de satan. Wie werkelijk zijn verdrukte en beschadigde naaste helpen wil, zal uitgerust moeten zijn met de geestelijke gaven van het Koninkrijk van God en vooral inzicht moeten krijgen in het onderscheiden van goed en kwaad. Lang niet alles wat zich vandaag als ‘goed’ voordoet is dit in werkelijkheid ook. Vaak juist omgekeerd (Hebr.5:14).
Zich verbinden met het beest uit de zee, Apollyon

Onbarmhartige mensen zijn met satans demonen verbonden. Er wordt gesproken van vervloekten omdat zij zichzelf vrijwillig(!) in beslag lieten nemen door de duistere geesten. Door hun ingeschapen geweten zélf bewust dicht te schroeien met brandijzers, worden zij voor eeuwig aan de satan prijsgegeven. De Romeinenbrief gebruikt in het eerste hoofdstuk telkens de uitdrukking: ‘Daarom heeft God hen overgegeven!’ Deze mensen zochten zélf contact met de gevallen engelen en God liet hen los en hen ‘geworden’. Er staat niet: vervloekten van de Vader, zoals er wél staat: gezegenden van de Vader, want God vervloekte hen niet, maar zijzelf ‘achtten het verwerpelijk God te erkennen’ (Rom.1:28). Dit is wat er vandaag op steeds grotere schaal gebeurt. De aanbidding van Apollyon wordt immens (Op.13:1, 3,4). Het wachten is op hét beest uit de aarde, dé antichrist (Op.13:11-18).
De vuurpoel zonder einde

Er is een Koninkrijk dat voor de rechtvaardigen bestemd is van de grondvesting van de wereld af, maar ook een eeuwig vuur dat bestemd is voor de duivel, zijn gevallen engelen en alle mensen die hen aanbidden. Beide hebben geen einde. De apostel sprak van ‘het eeuwige Koninkrijk van onze Heer en Redder, Jezus Christus’ (2 Petrus 1:11) en hier is sprake van ‘het eeuwige vuur’. De vuurpoel is het beeld van de concentratie van demonen en mensen die hen aanbidden. Deze poel zal pas gestalte krijgen wanneer de antichrist en zijn inwonende geest Apollyon als eersten, levend(!) zelf daarheen vluchten (Op.19:20). De enkel goede God kan immers geen vuurpoel scheppen. Dit creëren de satan, zijn demonen en hun aanbiddende mensen op aarde, zelf.
Het beeld van Gods Geest is dat van water, het element dat juist het tegengestelde van het vuur is. Water is levenwekkend en vuur is afbrekend en levens vernietigend. Soms wordt Gods Geest voorgesteld als een brandend vuur, maar dan komt een andere eigenschap naar voren; niet het verteren (let op het braambos en de vurige tongen op Pinksteren), maar het produceren van licht. Zo zou men kunnen lezen: ‘Doof het licht van Gods Geest niet uit’ (1 Thess.5:19). Van Jezus staat dat Hij de rokende vlaspit (beeld van de levensgeest van de mensen) niet uitdooft (Mattheüs 12:20). De walmende vlaspit moet dus weer helder licht gaan geven.
De buitenste duisternis

De vuurpoel zal de samenbundeling zijn van het rijk van de duisternis, waarin geen enkele lichtstraal meer te ontdekken valt. Daarom heet deze ook ‘de buitenste duisternis’. De scheiding tussen goeden en kwaden is dan radicaal, volkomen en de kloof onoverbrugbaar. Zij die het goede gedaan hebben, gerechtigheid en barmhartigheid hebben getoond, erven het Koninkrijk van God.
Maar zij die hun lichaam en hun gedachten slechts in dienst hebben gesteld van de demonen om het kwade te doen en in ongerechtigheid en onbarmhartigheid hebben geleefd en liefgehad, gaan met deze machten voor eeuwig ten onder. Zij hebben immers zelf hun door God ingeschapen geweten dichtgeschroeid met brandijzers. Miljarden onschuldige mensen zijn bewust vermoord door deze schatrijken op aarde met hun perverse speeltjes. Daar is geen verweer tegen!
‘Want ik had honger en jullie gaven mij niet te eten, Ik had dorst en jullie gaven me niet te drinken. Ik was een vreemdeling en jullie namen mij niet op, Ik was naakt en jullie kleedden mij niet. Ik was ziek en zat in de gevangenis en jullie bezochten mij niet. Dan zullen ook zij antwoorden: Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien of dorstig, als vreemdeling of naakt, ziek of in de gevangenis, en hebben wij niet voor u gezorgd? En Hij zal hun antwoorden: Ik verzeker jullie: alles wat jullie voor een van deze onaanzienlijksten niet gedaan hebben, hebben jullie ook voor Mij niet gedaan’ 42-45.
Het zelf dichtgeschroeide geweten
Wat hebben deze ‘vervloekten’ verkeerd gedaan? Worden zij van diefstal, onreinheid, moord en andere ongerechtigheden beschuldigd? De apostel waarschuwde ervoor, dat wie dergelijke dingen doen, niet ingaan in het Koninkrijk van God. Maar dat is hier niet aan de orde. Het gaat hier niet over goddelozen, misdadigers en slechte mensen, want hun lot staat al vast. Het gaat hier over de uitwendig keurige, fatsoenlijke zorgeloze en berustende mensen, die nagelaten hebben het goede te doen, dat zij hebben kúnnen doen. Zij hebben het belangrijkste van de wet verwaarloosd, namelijk het oordeel, de barmhartigheid en de trouw. Ook in hen had God ‘Zijn Geest doen wonen’ (Jac.4:5). De menselijke geest was goed, want anders zou God deze niet met jaloersheid verlangen. De geest laat het geweten werken, dat spreekt van goed en kwaad:
- ‘Wie voldoende geest heeft, doet de ongerechtigheid niet’ (Maleachi 2:15).
- ‘Want de geest getuigt tegen de zondige begeerten en wijst deze als niet bij de mens behorende af. Zijn onderling tegenstrijdige gedachten klagen de mens aan of verontschuldigen hem, op de dag dat God het in de mensen verborgene oordeelt naar de maatstaven van het evangelie’ (Rom.2:15,16).
Waar de geest van de mens nog vrij kan getuigen, werkt de ingeschapen wet van God. Dan is er nog een juist oordeel tussen goed en kwaad en is er ook menselijke barmhartigheid en trouw om de stem van het geweten te gehoorzamen.
Vanwege hun ongehoorzaamheid: De toegevoegde(!) noodwetten op de Sinaï

Waarom moest God eigenlijk de wet op de Sinaï geven? Omdat Hij niet met rechtvaardigen te doen had zoals Abraham, Job en Henoch, van wie de geest op God gericht was en van wie het geweten werkte, maar met wettelozen en tuchteloze, goddelozen en zondaars (1 Tim.1:9). Zij die hardnekkig waren en van wie het geweten als met een brandijzer zelf was dichtgeschroeid. De wetten van God functioneerden niet meer van binnenuit en God gaf hun een wet om hen door voorschriften van buitenaf in het goede spoor te houden (Gal.3:19). Toch waren er nog velen onder de volken en ook gelovigen vóór de wetgeving, die trouw leefden bij het licht dat zij bezaten. Zo zijn er ook onder hen, die van Jezus nooit hoorden, of die bijvoorbeeld in de duistere middeleeuwen slechts een geringe kennis van het evangelie bezaten, ‘gezegenden van de Vader’ geweest.
De ‘vervloekten’ echter, hebben de stem van hun geweten dicht gesmoord. Hun geest is niet op God gericht en hun hart is verhard. Zij geven misschien ieder het zijne, maar zijn nooit met innerlijke ontferming bewogen. Zij zijn ‘liefhebbers van zichzelf.’ Zij hebben ‘de geringsten van Zijn broers’ zoals Jezus de mensen noemde, laten schieten. Omdat zij altijd zichzelf zoeken en zich nooit op een tweede plaats zetten, hebben zij geen oog voor de gekwelde mensen, de verdrukten, voor hen die ‘voortgejaagd en afgemat worden, als schapen die geen herder hebben’ (Matth.9:36). Jezus gaf het voorbeeld van menselijke barmhartigheid, want Hij at met tollenaars en zondaars en zei:
- ‘Zij die gezond zijn, hebben geen dokter nodig, maar zij die ziek zijn. Ga heen en leer wat het betekent: Barmhartigheid wil Ik en geen (huichelachtig) offer’ (Mattheüs 9:12,13).
Zij die hongerden en dorstten naar de gerechtigheid

Bij de ‘gezegenden van de Vader’ horen de Egyptische vroedvrouwen Sifra en Pua, ‘die God vreesden’ en die weigerden het bevel van de koning op te volgen om de pas geboren Joodse jongetjes te doden. Ook Ebed-Melech, de Ethiopiër, bewees barmhartigheid, toen hij voor de profeet Jeremia bij de koning in de bres sprong en deze uit de put haalde. Hij nam zelfs lappen en lompen mee, zodat de profeet van de Heer deze onder de oksels zou brengen om niet tijdens het optrekken verwond te worden. Onder de ‘gezegenden van de Vader’ bevindt zich ook de barmhartige Samaritaan, die zijn ‘naaste’, ‘een van deze minsten’, wél liefhad en voorthielp. Deze Samaritaan deed alleen van nature wat de wet gebiedt, namelijk zijn naaste liefhebben als zichzelf. Onder de ‘vervloekten’ zijn allen, die als de priester en de leviet de medemens ‘aan de overkant voorbij gingen’.
De rijke man en de arme Lazarus

Onder hen zijn ook degenen die zich wel uiterlijk goed willen voordoen door tienden te geven van de munt, de dille en de komijn, maar die tegelijkertijd de huizen van de weduwen op eten. Van het laatste oordeel wordt gezegd: ‘En zij werden geoordeeld, ieder naar zijn werken’ (Op.20:13). Waarom kreeg de rijke man in het dodenrijk te maken met pijnigingen? Alleen vanwege het feit dat hij Lazarus niet vertroost had, diens honger niet gestild had, omdat hij nooit bewogen was met een van de minsten en geringsten onder de mensenkinderen. Als het naamchristendom geen betere gesteldheid van het hart heeft, als zij voor zichzelf leven om het goed te hebben in deze wereld zoals de rijke man, zullen zij ook veroordeeld worden. Zegt Jacobus niet:
- ‘Zuivere, onbevlekte godsdienst voor God, de Vader, is: omzien naar wezen en weduwen in hun druk en zichzelf onbesmet van de wereld te bewaren’?
- Wie Jezus wil volgen, zal als eerste oproep horen: ‘Wie achter Mij wil komen (dus de allereerste stap wil doen), verloochent zichzelf’.
Wij kunnen begrijpen hoe dit evangelie de ‘vrome’ geesten doen steigeren. Op alle mogelijke manieren proberen de uitleggers deze heldere bedoeling van de Bijbel te miniseren of te verdraaien. De verschrikkelijke leringen over de ‘natuurlijke verdorvenheid’ van het hart en het axioma dat de mens geneigd is tot alle kwaad en onbekwaam tot enig goed, stemmen beslist niet overeen met de mogelijkheid dat de mens naar de stem van zijn geweten kan luisteren. Bij de ondergang van Sodom ging Abraham van de gedachte uit, dat er nog een klein percentage rechtvaardigen in deze stad zou zijn. Vanwege tien rechtvaardigen zou de Heer de stad nog gespaard hebben. Maar dit was de ongerechtigheid van Sodom:
- ‘In trots, overdaad en zorgeloze rust leefde zij met haar dochters zonder de ellendigen en de armen te ondersteunen’ (Ezechiël 16:49).
In het laatste oordeel gaat het over mensen, die hun goede werken niet in verband konden brengen met Jezus Christus. Zij vragen immers:
‘Wanneer hebben wij U gezien?’

Deze vraag stellen zowel de ‘gezegenden van de Vader’ als de ‘vervloekten’. Hier worden de goeden en de kwaden van elkaar gescheiden. Zij die vóór de eerste komst van de Heer geleefd hebben, of die zijn evangelie nooit gehoord hadden:
- Voor hen die het ware evangelie van Jezus Christus óngehoorzaam waren, geldt dat zij de raad van God (waardoor zij behouden hadden kunnen worden) bewust verworpen hadden. Tijdens hun aardse bestaan keurden zij zich het eeuwige leven niet waardig (Handelingen 13:46).
- Opnieuw geboren christenen leggen echter verband tussen al hun daden met het dienen van hun Heer én het leggen van het héle Bijbelse Fundament voorop. Hun goede werken doen ze door de naam van Jezus en ook het ‘door allen gehaat zijn‘, ondergaan zij om Zijn wil.
Ook onder de ‘heidenen’ die Jezus niet kenden, zijn er in allen tijden goede mensen geweest (Rom.2:14,15). Wij herinneren wij ons de hoofdman te Kapernaüm, van wie gezegd werd, dat hij het waard was om hem te helpen. Vóór zijn bekering wordt van deze Romeinse hoofdman het volgende getuigenis gegeven:
- ‘Cornelius, een hoofdman van de zogenaamde Italiaanse afdeling, een godvruchtig man, een vereerder van God met zijn hele huis, die veel giften aan het volk gaf en geregeld tot God bad’ (Hand.10:1,2).
Hij was een voorbeeld van ‘een gezegende van de Vader’, die goed bekend stond in zijn omgeving en bij het volk, hoewel de orthodoxe Jood het huis van de hoofdman niet mocht binnengaan om niet verontreinigd te worden.
Calvijn met zijn geliefde martelwerk

Wat een verschil toch met de zich ‘christelijk’ noemende Calvijn en zijn aanhang vandaag en zijn satanisch heksenproces. Wie de Bijbel onbevangen lezen wil, zal zich los moeten maken uit al de verstarde inzichten en de vele aangeleerde menselijke dogma’s, waarmee hij vanwege een ‘voorzeide leer…’ opgevoed is.
De Maranatha-uitleg: blinde tijdperkenknippers

Wat moeten wij ook denken van een maranatha-uitleg van dit Bijbelgedeelte, die in de ‘geringe broers’ het Joodse overblijfsel ziet, dat in de tijd van de grote verdrukking het evangelie zou verspreiden over de hele wereld? Een overblijfsel wat dan nog voor 2/3e wordt afgeslacht en de rest ‘gelouterd in vuur’, terwijl de opgenomen aardse Israëlaanbidders gerieflijk toekijken vanaf hemelse (wolkjes)? Alsof de Heer de opdracht om het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen te brengen, niet aan zijn gemeente van alle tijden gegeven heeft. Wanneer Jezus spreekt over de ‘minsten onder zijn broers’ bedoelt Hij zeker niet apostelen, profeten, evangelisten, herders of leraars, want Hij noemt allen groot, die medewerkers willen zijn, dus die willen dienen en niet zich willen láten dienen (Matth.20:26). Was Paulus in de gevangenis van Filippi, verdrukt en geslagen, een grote of geringe medewerker van de Heer?
’Hun staat een eeuwige bestraffing te wachten, de rechtvaardigen echter het eeuwige leven’ 46.
Er is voor ieder mens een eeuwige bestemming. Deze hangt af van zijn verhouding tot God en de medemens, zich uitend in daadwerkelijke en géén gespeelde naastenliefde. Er wordt geleerd dat een natuurlijk mens, wanneer hij goede werken doet, dit slechts doet om zichzelf te behagen, want zijn beste werken moeten immers volgens het on-Bijbelse dogma met zonden bevlekt zijn. Maar het is zo dat wanneer een natuurlijk mens goede daden doet, hij dit doet volgens de wetten, die God in zijn schepping gelegd heeft. Wanneer een oog goed ziet, gebeurt dit niet om de mens te behagen, maar het doet dit omdat het zo geschapen is. Alles wat niet goed functioneert, wordt veroorzaakt door beïnvloeding of beschadiging van de satan. Wanneer de mens van nature barmhartigheid en liefde bewijst, trouw of eerlijk is, komt dit omdat God hem geschapen heeft naar zijn beeld en omdat barmhartigheid, trouw, eerlijkheid en liefde eigenschappen van God zijn.
Het doel van de barmhartigheid is om de naaste te troosten, te helpen, te genezen en zijn levensmogelijkheden te veranderen, zodat hij gelukkiger kan leven. Het doel van het evangelie is hetzelfde, maar ligt op een hoger plan. De mens moet getrokken worden uit de duisternis en overgezet worden in het Koninkrijk van God. Hij moet naar lichaam, ziel en geest volmaakt worden. Hij verheerlijkt pas volledig zijn Schepper, als hij volmaakt is en tot alle goede werken volmaakt toegerust (2 Tim.3:16,17). Bij elke boodschap moet dit doel voorop staan. Waar de natuurlijke mens dit doel voor ogen heeft, maar uiteraard in zijn middelen ver tekort schiet, denkt hij toch nog parallel aan de gedachten van God met de mens. Hij streeft immers naar herstel en levensvernieuwing. Alleen het evangelie van Jezus Christus schept echter de mogelijkheid dat dit doel geen hersenschim blijft, maar werkelijk gerealiseerd wordt. Daarom zal ieder mens die het goede zoekt, het eeuwig evangelie met blijdschap zal aanvaarden.
Verdraaid en misvormd

Het is verschrikkelijk dat het evangelie van Jezus Christus steeds zo verdraaid en verwrongen gebracht wordt, dat het niet meer begerenswaardig is voor degene die hongert en dorst naar gerechtigheid. De mens heeft een eeuwige bestemming, omdat hij een onsterfelijke, innerlijke mens heeft die mee functioneren kan in de wereld, waarvan Paulus schreef: ‘Het onzichtbare is eeuwig’. In dit Bijbelvers is de tegenstelling niet: dood en leven, maar eeuwige straf en eeuwig leven. In de finale gaat het om eeuwige rampzaligheid of eeuwig geluk.
Nu weten wij dat de vuurpoel niet voor de mens, maar door de demonen zelf wordt gecreëerd. Het beest uit de afgrond, Apollyon en de antichrist, geven daar als eerste gestalte aan. Maar als de mens met een boze geest verbonden is, zal hij ook dáár terechtkomen, waar deze demon naar toegaat. Als hij met Gods Geest verbonden is, zal hij zich met God verbinden.
Bij hen die gebonden zijn aan satans demonen, onderscheiden wij twee categorieën:
- Zij die dit bewust willen en er plezier in hebben het kwade te doen.
- Zij, die zich er – tevergeefs – tegen verzetten.
Paulus sprak over een situatie dat de mens het goede wil, maar dat de zondemacht in hem overheerst. De laatste groep ziet vaak de weg tot bevrijding niet, omdat deze nooit duidelijk verteld werd. Hoe klein is de groep, die inzicht ontvangen heeft in het Koninkrijk van de hemelen en de sleutels ervan ook hanteert. Paulus spreekt over mensen, die wel gered worden, maar schade zullen lijden (1 Corinthe 3:15).
Zulke ‘beschadigde’ rechtvaardigen, die de zonde haatten, maar toch dikwijls gedwongen werden dingen te doen, die zij niet wilden, gaan als Oudtestamentische gelovigen naar het dodenrijk en zullen net als dezen bij hun opstanding staan aan de kant van de ‘gezegenden van de Vader’ en zij zullen hun volkomen genezing vinden bij het levensgeboomte (de gemeente), waarvan de bladeren, (de geestelijke gaven) zijn tot genezing van de volken. Op deze manier zullen de rechtvaardigen van het oude en van het nieuwe verbond, die het beloofde (de volmaaktheid) niet gekregen hebben, door de gemeente tot de volkomenheid gebracht worden (Hebr.11:40.
Alle mensen, of zij zich nu christenen noemen of niet, die onverschillig hebben gestaan ten opzichte van de zuchtende schepping, die weigerden de geringsten onder de broers en zussen te ondersteunen, staan in wezen aan de kant van het rijk van de duisternis. De ontbindende en wetteloze machten van ziekte en zonde, van armoede en onrecht, maakten op hen geen indruk en wekten geen erbarmen op. Zij zijn alleen maar druk om tijdens het aardse leven te genieten wat er te genieten en te halen wat er te halen was. Honger en dorst naar de gerechtigheid kwamen in hun leven niet voor. Voor deze onverschilligen geldt: ‘En de rook van hun pijniging stijgt op in alle eeuwigheid.’ Terwijl de rechtvaardigen blij kunnen zeggen:
- ‘Hij, die op de troon zit en het Lam, zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden’ (Op.14:11 en 5:13).
In dit laatste vers wordt ook gesproken over de toekomst van de rechtvaardigen. Zij ontvangen het eeuwige leven. Dit is niet alleen een leven dat altijd voortduurt, maar het houdt ook in: kwaliteitsleven. Dit geluk werd mogelijk gemaakt, omdat Jezus voor de zonde van de hele wereld als Lam van God stierf. De eeuwigdurende eeuwigheid maakt ons blij met zijn vooruitzicht: licht, vrede, blijdschap en kracht.
Tot slot willen wij stilstaan bij het tijdstip, waarop Jezus deze woorden sprak. Mattheüs 26, het volgende hoofdstuk begint met de woorden:
‘Toen Jezus deze laatste boodschap had uitgesproken, zei Hij tegen zijn leerlingen: Over twee dagen is het, zoals jullie weten, Pasen. Dan wordt de Mensenzoon uitgeleverd om gekruisigd te worden.’
Wat een weg heeft Hij gebaand en wat een toekomst weggelegd! Glorie voor Zijn Naam!