
- ‘Het koninkrijk van de hemelen lijkt op een zaadje van de mosterdplant dat iemand meenam en in zijn akker zaaide’ (Matth.13:31).
Op welke manier komt het Koninkrijk van God met zijn sfeer van gerechtigheid, vrede en blijdschap in deze wereld? Hoe ontwikkelt het zich in de mens en hoe neemt het bezit van de hele kosmos? Jezus zei dat ‘iemand’ een mosterdzaadje nam en in zijn tuin zaaide. Deze ‘iemand’ is God, die zijn eniggeboren Zoon, als Zijn vleesgeworden Woord (Zijn Logos Joh.1:1) naar de aarde zond. (Geen 1/3e verzonnen godheid). Net als de wereldrijken in het oude verbond gepersonifieerd werden in hun koningen, zo wordt het Koninkrijk van God geïdentificeerd met zijn Koning, Jezus Christus. God stuurde geen machtige koning naar de aarde. Hij had geen stoet van zich manifesterende hemelingen bij zich, die bij ieder verzet vuur uit de hemel lieten neerdalen op zijn vijanden. God gaf zijn Zoon in de gestalte van een dienstknecht, ‘veracht en de onwaardigste onder de mensen…’
Jezus was geen met aardse olie gezalfde koning of priester. Zijn culturele en religieuze vorming liet naar menselijke en godsdienstige maatstaven te wensen over. Hij had nooit aan de voeten van grote geleerden als Gamaliël gezeten. De kennis en de wijsheid die Hij had, vond geen enkele aansluiting bij de kerk van zijn tijd. Er was hier sprake van ‘het dwaze van God’ en van ‘het zwakke van God’ (1 Cor.1:25). Zijn optreden was niet imposant en wie geloofde wat Hij vertelde? Wie begreep zijn woorden en wie nam ze op in zijn hart? Hij bracht immers een evangelie van de onzienlijke wereld. Daarom hield men Hem voor een verleider of valse profeet en zei: ‘Er is toch geen enkele leider of farizeeër tot geloof in Hem gekomen?’ (Joh.7:48).
Jezus sprak over een tempel van God in de geestelijke wereld en van een huis van de Vader met veel kamers. Hij gebruikte woorden en begrippen die een totaal andere inhoud hadden dan de godsdienstige leiders gewend waren. Zij konden immers alleen maar denken aan een tempel met prachtige stenen en gewijde geschenken versierd. Daarmee imponeerden zij vriend en vijand vanwege de architectonische schoonheid en verhevenheid.
Het Mosterdzaadje

Neem een mosterdzaadje en leg het op uw hand. Wat is het klein en het weegt helemaal niets. De Heer hanteert geen lijst van:
- Voorschriften,
- inzettingen,
- wassingen,
- onthoudingen,
- spijswetten,
- sabbatten,
- tempeldienst,
- heilige plaatsen.
Hij is niet gecharmeerd van gewijde ambtsdragers met pronkerige soepjurken en ufo’s, van hun ernstige boetepreken en uitgebreide vermaningen. Hij maakt geen reclame voor een kloosterleven, ook niet voor grote gebouwen en kathedralen.
Op welke manier kan de mens zich dan trainen om geestelijk verder te komen? Hoe kan men tot God naderen zonder vasten en zonder lange gebeden, liturgieën en opgeheven handen in een heilige tempel? Hoe simpel is de boodschap van een schuldvergeving zonder inspanningen, offers en het eindeloos ‘doden van het eigen ik’. De boodschap is alleen gericht op het aanvaarden van het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt.
Dit evangelie van rechtvaardiging (een vreselijk woord in de kerken!) zonder wettische werken staat lijnrecht tegenover het het religieuze denken. Een aardsgericht volk wil de toekomstverwachting van Jezus niet horen. Hij gaf wel een belofte van verlossing uit de handen van al hun vijanden (Lucas 1:71) maar geen toezegging voor bevrijding van het gehate juk van de politieke overheersers. Met Jezus Christus en zijn evangelie werd in Sion een aanstootgevende steen gelegd en een rots van ergernis (Rom.9:33). Het evangelie van Jezus Christus is een dwaasheid, vergeleken met de filosofische leringen van de grote wereldleraars! Hij gaf geen yogalessen, bracht geen zelfverlossing en geen concentratie van het gedachteleven om op hoger niveau te komen. Hij richtte zich niet tot een geestelijke elite, tot een kleine, ‘ontwikkelde’ bovenlaag in het maatschappelijke en religieuze leven. Jezus bracht een boodschap voor een menigte mannen en vrouwen, die bij de strijd en de moeite van alle dag betrokken waren. Zij zullen het doel bereiken zonder enige natuurlijke inspanning. Zij hebben een onvoorwaardelijk en standvastig geloof in Zijn woorden. Het begin van het rijk van God was, op het moment dat Jezus op aarde kwam, nietig en onaanzienlijk. Maar het zal toch eenmaal alle andere rijken overtreffen.
Eerst klonk de stem van de roepende in de woestijn, van de voorloper Johannes de Doper. Daarna kwam Jezus van Nazareth (opgegroeid in het huis van een timmerman) die een twaalftal gewone burgers om Zich verzamelde. Hij werd een gekruisigde en was door iedereen veracht en verlaten. Daarna een kleine groep, verzameld in de opperzaal. Welke garantie was er dat dit uitspruitende mosterdzaadje in de hele zienlijke wereld zou uitgroeien, zodat onder zijn schaduw genezing zou zijn voor alle volken en zijn takken ruimte zouden bieden voor alle reine vogels uit de lucht?
Een volgroeide struik

Het Koninkrijk van God op aarde had een minimaal begin, maar heeft een maximaal eindresultaat. Het groeit en ontwikkelt, maar nooit door natuurlijke kracht en aards geweld. De duisternis van zonde, ziekte en gebondenheid wordt niet door menselijke inspanningen overwonnen, maar alleen door Gods Geest. Het komt niet door allerlei activiteiten te forceren of door middel van organisaties. Het komt niet door uiterlijk vertoon en ook niet door wereldmijding. Het ontplooit binnen in de mens. Het komt overeen met een kiemkrachtig zaadje, waarin geest en leven zitten. Deze horen beide bij de onzienlijke wereld. In het mosterdzaadje, dat de hemelse tuinman in de aarde bracht, bevond zich een goede geest en goed leven en daaraan ontleende het zijn ontwikkelingsmogelijkheden. Dit zaad verborg de gedachten van God met de mens en het kreeg gestalte in Jezus Christus. In Hem werd het Woord (Gods Logos, Joh.1:1) vlees. Hij bracht het evangelie van het Koninkrijk en zijn woorden waren geest en leven.
Het mosterdzaad viel in de akker en stierf en het leven dat erin was, kwam eruit. Op deze manier ontstond de boom, ‘die grote takken maakte’, zoals Marcus beschrijft. Door het eeuwige en levende Woord van God dat de gelovige aanvaardt en vasthoudt, wordt deze opnieuw geboren. Hij gaat deel uitmaken van een tak die beeld is van de gemeente, waar hij bij hoort. Op die manier vormt de gemeente van alle tijden en plaatsen met haar Hoofd, de volgroeide boom. In de gelijkenis van het mosterdzaadje ligt het volle accent op de groei van het rijk van God op aarde.
De Heer gaf zijn leerlingen de opdracht tot aan de uiteinden van de aarde te getuigen. Wat zij opschreven en vertelden, zou over de hele wereld gelezen en gebracht worden. Waar de andere wereldgodsdiensten zich vrijwel alleen beperken tot Azië, zou het christendom vanuit zijn bakermat in dit werelddeel zich verbreiden over alle andere continenten. Nu zien wij dat de naam van Jezus als Redder en Verlosser over de hele aarde bekend is, ook al is het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen nog weinig gebracht. Ook dit zal echter de ‘uiteinden van de aarde’ bereiken, ondanks het fanatieke weigeren door sommige wereldheersers en landen. De goede boodschap kan weerklank vinden bij ieder volk en bij ieder mens, omdat zij zich niet richt op de uiterlijke mens, maar op de innerlijke.
Bij het beeld van het mosterdzaadje gaat het niet over de innerlijke groei en ontwikkeling die naar de volkomenheid leidt, zoals bij het goede graan in de vorige gelijkenissen, maar over de verspreiding van het evangelie door de tijden heen over de hele wereld. Door het vallen van de late regen, gepaard met de boodschap van het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen in de laatste dagen, zal de boom snel tot volle groei komen. Door de vernieuwing van hun denken zullen dan over de hele wereld de zonen van God als rijpe vruchten geopenbaard worden.
Het mosterdzaadje – Beeld van Jezus Christus op het witte paard

Het rijk van Jezus Christus zal niet ondergaan, maar het zal de hele aarde erven. Er komt een menigte die onberispelijk zal zijn, uit alle volken, stammen, talen en natiën. De ruiter op het witte paard (het Woord van God) is uitgetrokken om te overwinnen en zijn leger groeit uit tot grote legermachten die Hem volgen op witte paarden, gehuld in wit en smetteloos fijn linnen (Op.6:2; 19:14). Het zwarte, Rode en vale paard die Jezus’ werk willen vernietigen, worden uiteindelijk in de vuurpoel geworpen.
Toen de evangelisten deze gelijkenis opschreven, was het Koninkrijk van God nog maar een teer en uiterlijk zwak plantje. Men zou de vraag kunnen stellen of het wel in staat was voort te leven. Ook in onze dagen kan de gedachte opkomen: ‘Heeft het ware christendom zijn tijd gehad?’ Deze gelijkenis van de Redder geeft ons het antwoord. Valse kerken of dorre takken zullen weggebroken worden, maar de ware boom zal zijn volwassenheid bereiken, de Woorden van God zullen niet leeg terugkeren, maar het zullen doen wat Hem behaagt en doen, waartoe Hij het zond. Jezus zei immers van de mosterdplant, dat zij groter zou worden dan alle tuingewassen en grote takken zou maken als een boom, zodat in haar schaduw de vogels van de hemel kunnen schuilen.
- Wanneer is het Koninkrijk van God volgroeid? In deze eeuw? In de toekomende eeuw in de tijd van het duizendjarige rijk? Deze tijdperken zijn alle nog ontwikkelingsfasen van het eeuwige rijk van God.
- Is er dan op de nieuwe aarde al dadelijk sprake van een volgroeid zijn? Hoewel de heerlijkheid van dit nieuwe begin onze voorstelling ver overtreft, is het groeiproces ook daar nog niet afgelopen. Wel is in die tijd de laatste vijand, de dood, onttroond en kan deze geen verdere schade toebrengen, maar nog zegt de Heer: ‘Zie, Ik maak alle dingen nieuw’ (Op.21:5). Het herstel van de hele schepping is dan nog niet voltooid.
Het levensgeboomte

Wij lezen nog van het levensgeboomte, of in verband met onze gelijkenis met de Statenvertalers: ‘van een boom van het leven, wiens bladeren door hun schaduw tot herstel van de volken zijn.’ Dit loof wijst op het gebruik van de geestelijke gaven door de zonen van God. Wanneer de mosterdplant volgroeid is, wanneer dus het Koninkrijk van God volkomen is, zijn alle rechtvaardigen van het oude en van het nieuwe verbond vervuld met Gods Geest en worden geen beschadigingen meer gevonden. Dan is God ‘alles in allen’ (1 Cor.15:28). In deze machtige boom vinden de vogels uit de hemel hun plaats.
Bij de gelijkenis van de zaaier waren de vogels (in ongunstige zin ) beeld van satans demonen van de duisternis die het goede zaad wegroven. In deze gelijkenis worden wij geconfronteerd met de voltooiing van het rijk van God, waarin de heilige engelen allen hun plaats ingenomen hebben. Nu al zijn zij dienende geesten, die uitgezonden worden voor hen die het geluk erven. Nu al zijn er de engelen van de gemeente en hebben onze kleinen hun engelen, die steeds de Vader in de hemel zien. Maar nog niet alle engelen hebben werk. Velen wachten nog om hun plaats in te nemen, om zich te verheugen medewerkers te mogen zijn in het rijk van God. Dan zullen alle goede engelen, van hoog tot laag, hun uiteindelijke bestemming krijgen, net als de mensen. Zij zullen dan hun gaven volledig kunnen benutten.
Opmerkelijk is dat in een mosterdplant geen nest kan worden gebouwd, want een vogel nestelt om zich te vermenigvuldigen en zijn soort in stand te houden. Zij leven en vermaken zich alleen tussen de takken. Zo is ook het vermenigvuldigen van engelen naar de woorden van Jezus, uitgesloten (Marc.12:25). Te midden van de kinderen van God verheugen zij zich om met hen voor eeuwig deel te hebben aan het Koninkrijk van God en aan de voltooide schepping.