1. Bomen – beelden van machten

De kleinheid van het mosterdzaad was bij de Joodse rabbijnen spreekwoordelijk. Zij waren zo bang om tegen de wet te zondigen, dat een mosterdzaadje geen enkele vlek mocht hebben. Als men een vliegje (in de wijn gevallen) per ongeluk inslikte, was men al onrein. En dat vliegje was nog kleiner dan een mosterdzaad. Jezus zei tegen hen: ‘Blinde leiders, die de mug uitzift, maar de kameel doorslikt’. Hij wenste daarom dat zijn leerlingen geloof hadden als een mosterdzaadje: dit zaad is levend en krachtig al is het maar klein. Als zij dat geloof hadden, zou hun niets onmogelijk zijn.

Brassica Nigra – Zwarte Mosterd

Het gaat in deze gelijkenis om het zaad van de zwarte mosterd (Brassica Nigra), dat verbouwd werd om de olie die het bevat. Dit zaad heeft een doorsnee van 0,95 tot 1,6 mm, weegt 1 mg en is in werkelijkheid niet alleen het kleinste zaad van de mosterdsoorten, maar ook van alle gekweekte zaden (Lucas 13.18-21). Het zaad van de papaver of de klaproos (maanzaad) is nog kleiner, maar wordt in Palestina niet verbouwd. Hoewel het een eenjarige plant is, schiet de mosterd snel op en vertakt zich sterk. Hij bereikt, in het bijzonder in de omgeving van Tiberias, een hoogte van 2,5 tot 3 m. Net als bij veel planten in het oosten gaan ook deze stengels sterk verhouten, zodat men vanwege de boomvormige vertakkingen en de aanwezigheid van slechts één houtige stengel, van een boom kan spreken. Vergeet niet dat in Palestina veel bomen lager zijn dan die bij ons.

De landbouwer stopt maar één mosterdzaadje in de grond. Dat hij maar één zaadje nam, doet ons denken aan een aparte bedoeling. Misschien wilde hij er een proef mee nemen of geselecteerd zaad winnen. Doordat de plant alleen stond, had zij meer licht boven de grond en meer ruimte in de aarde om voedsel tot zich te trekken. Het zaad schoot bij regen en dauw diep wortel, groeide omhoog en spreidde als een boom zijn takken uit. Eerst kwamen er sierlijke gele bloemtrossen, later kwamen er ongelooflijk veel zaadpeulen aan, zodat de vogels daarop konden zitten en met elkaar konden spelen. Zij bouwden daar echter géén nesten, want dit doen ze alleen in echte bomen. Trouwens, in de tijd dat de mosterdplant haar grootste omvang bereikt heeft, is het volop zomer en is de tijd om te nestelen al voorbij. In mosterdbomen wemelt het altijd van vogels, vooral van goudvinkjes die gek zijn op de olierijke zaden. In plaats van ‘zich een nest bouwen’ kan men dit ook vertalen met: zich neerzetten of onder de bladeren schuilgaan.

Bomen in de profetie: De grote Ceder van de Libanon

De hoofdgedachte in deze gelijkenis is dat wat bij het zaaien het kleinste van de moeskruiden is, het grootste van alles wordt. Hij is zelfs aan een boom gelijk zonder een boom te zijn.

Het mosterd ‘boompje’ – Beeld van het Koninkrijk van God in zijn voltooiing

In het Oude Testament worden grote wereldrijken herhaaldelijk door kolossale bomen uitgebeeld. In Daniël 4:10-12 en 20,21 wordt het Babylonische rijk in de persoon van Nebukadnezar vergeleken met een geweldige woudreus die tot aan de uiteinden van de aarde te zien was. Zijn loof was prachtig, zijn vrucht overvloedig; aan allen bood hij te eten en alles wat leeft, werd door hem gevoed. De wilde dieren zochten er schaduw en in zijn takken nestelden de vogels uit de lucht. Op dezelfde manier vergelijkt Ezechiël de koning van Assyrië en de koning van Egypte als vertegenwoordigers van hun rijken, met een ceder (Dan.4:10-22).

Satan, de grootste gevallen boom

In de hof van Eden (beeld van de koninkrijken van de aarde) namen deze machtige ceders een opvallende plaats in. Geen enkele boom was er mee te vergelijken. In Ezechiël 31 wordt gezegd dat de andere bomen in de hof jaloers waren. Uiteraard moeten we hier niet denken aan letterlijke bomen, die door God geschapen zijn. Bomen zijn beelden van machten, gevallen engelen. De jaloersheid van deze bomen ontstond nadat de grootste boom, dé troonengel, gevallen was. Iedere wereldmacht gaat echter voorbij, ze worden allen vanwege hun hoogmoed prijsgegeven aan de dood, aan de diepten van de aarde. Zij komen dan bij de mensen die al in het graf zijn gedaald. 

‘Op die dag’, dus op de dag van de Heer, voorspelt de profeet de ondergang van Assyrië, dat een typisch beeld is van het rijk van de antichrist. De Heer slaat de takken af met de bijl, de toppen worden gekapt en de kruinen komen omlaag. Het dichte woud wordt door het ijzer geveld en de Libanon valt met al zijn pracht. Er is dan maar één rijk over dat blijft bestaan. Het is het Koninkrijk van de Jezus Christus, want er zal een rijsje, een minutieus takje, voortkomen uit de tronk van Isaï en een scheut uit zijn wortel zal vrucht dragen: 

  • ‘Het zal op die dag gebeuren, dat de volken de wortel van Isaï zullen zoeken, die zal staan als een banier van de natiën en zijn rustplaats zal heerlijk zijn’ (Jesaja 10:33; 11:10).

Op ‘de dag van de Heer’ gaat het oordeel over alle wereldrijken, zoals een orkaan de machtige bomen van het bos velt. De kerk van het oude (en bij velen ook het nieuwe verbond) is ontrouw aan God, omdat het gelijk wil zijn aan alle andere volken. Het zoekt contact met de groten van de aarde en gaat met hen verder. Maar de ware gemeente (het geestelijke Israël) heeft de belofte dat God een dun twijgje van de bovenste takken van de ceder breken zal en in de grond zal zetten. Hij zal dit takje planten op de hoge berg van het geestelijke Israël. Het zal wortel schieten, vruchten vormen en uitgroeien tot een geweldige ceder:

  • ‘En allerlei vogels van allerlei pluimage zullen onder hem wonen; in de schaduw van zijn takken zullen zij wonen’ (Ez.17:22,23).

Deze laatste boom stelt dus hetzelfde voor als het eeuwige Koninkrijk van God, waarvan de gelijkenis van het mosterdzaadje spreekt. Het is hetzelfde koninkrijk, waarvan de oudtestamentische profeten zeggen, dat het op een hoge en verheven berg, beeld van Gods Geest, geplant is (vergelijk ook Dan.2:44). Ook in het Oude Testament wordt dus op dezelfde manier over de aanplant en groei van Gods rijk gesproken als Jezus doet in de gelijkenis van het mosterdzaadje.

Koninkrijken

Opmerkelijk is dat in Mattheüs gesproken wordt over het Koninkrijk van de hemelen, terwijl in Marcus en Lucas sprake is van het Koninkrijk van God. Wij lezen in Marcus de dubbele retorische vraag: ‘Hoe zullen wij het Koninkrijk van God afbeelden of door welke gelijkenis zullen we het voorstellen?’ Met het Koninkrijk van de hemelen wordt de héle onzienlijke wereld bedoeld, waarin drie koninkrijken zijn:

  1. Het Koninkrijk van God,
  2. het koninkrijk van satan (Matth.12:26),
  3. het koninkrijk van de dood (Matth.12:26; Op.9:11).

Wanneer Jezus dus in Mattheüs het Koninkrijk van de hemelen vergelijkt, betreft dit een uitbeelding van het Koninkrijk van God, de lichtkant van de geestelijke wereld. Het gaat daarom niet om een beschrijving van de wereldkerk, het grote Babylon waar goed zaad en onkruid samen opgroeien. Het gaat over het domein waar Jezus zelf heerst, dus over zijn eigen onderdanen, ‘de kinderen van het Koninkrijk’ en niet over ‘de kinderen van de boze’.

De hypnotiserende Bedelingenleer – Tijdperkenknippers

Sommige uitleggers ontkennen dat Jezus koning is over de ware gemeente. Zij zeggen dat Hij alleen ‘de komende bruidegom’ is. Zijn koningschap zou alleen in verband staan met het natuurlijke Israël. Men beweert: ‘Hij is voor ons bruidegom en géén koning’. Deze exegeten zien dan niet in dat de Bijbel veel beelden geeft om de verhouding van onze Heer tot zijn gemeente uit te drukken:

  • Zo is Hij de goede herder van zijn kudde.
  • Hij is oudste broer in het goddelijke huisgezin van de gemeente.
  • Hij is het hoofd van het lichaam, de man van de vrouw (en niet haar bruidegom).
  • Hij is de hogepriester ten opzichte van een priesterlijk volk.
  • Hij is ook de koning over het geestelijke Israël!

Daarom kon Paulus schrijven:

  • ‘Hij (de Vader) heeft ons verlost uit de macht van de duisternis (het koninkrijk van satan) en overgebracht in het Koninkrijk van zijn geliefde Zoon’ (Col.1:13).

De schat in de akker

In deze gelijkenis vertelt Jezus dat het Koninkrijk van God als een mosterdzaadje in de wereld komt, want de akker (de tuin of het veld) is de wereld. Er is sprake van ‘zijn’ akker, want Hij kocht hem met zijn bloed. Daarom is de strijd in de hemelse gewesten ontbrand: satan, ‘de overste van deze wereld’ had de mensheid overweldigd. Hij bracht haar onder zijn invloed en in zijn dienst. Vanaf de jeugd wordt ieder mens door de geesten van de duisternis benaderd en beïnvloed en zo komt hij, soms geleidelijk, soms snel, onder hun juk. Maar met Jezus Christus begint het licht in de duisternis te schijnen.

De gelijkenis van het mosterdzaadje beeldt uit, hoe het Koninkrijk van God in deze wereld door een groeiproces de overwinning behalen zal. Dan wordt vervuld:

  • ‘Want de aarde zal worden vervuld met kennis van de glorie van de Heer, zoals de zee boordevol water staat’ (Hab.2:14).

Alles wat leeft, groeit en ontwikkelt. Er is geen sprake van geweld, van schokeffecten of van een plotseling ingrijpen, maar van een levensproces, waarvan geschreven staat:

  • ‘In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen’ (Joh.1:4,5).

>>>>>