11. De doop met vuur

<<<<<

Jezus, de Sterkere

Als Johannes de Doper zijn opdracht met die van Jezus vergelijkt, toont hij het verschil aan met de volgende woorden: ‘Hij, die na mij komt, is sterker dan ik … die zal u dopen met Gods Geest en met vuur (letterlijk: ‘in Heilige Geest en vuur’) – Mattheüs 3:11. Jezus Christus is de Sterkere, want door Hem is het Koninkrijk van God over ons gekomen. In het nieuwe verbond wordt meer kracht gegeven en meer macht geopenbaard dan in het oude. Jezus verzoent de schuld die na de zonde als een drab in het menselijk hart neerslaat. Dit onreine hart wordt gewassen in Zijn bloed dat reinigt van alle zonden. Jezus is de Sterkere, omdat Hij als Lam van God de zonde van de wereld wegneemt. Er is geen heerlijker en krachtiger boodschap dan deze. Jezus neemt de zondeschuld weg. Hij neemt ook weg wat tot zonde verleidt, want Hij verlost (maakt los) van de satan. Tussen de mens en de werkers van de ongerechtigheid trekt Hij een muur. Jezus is gekomen om de mens van de zondemachten te scheiden.

Als kinderen van God gezondigd hebben, dit wil zeggen opnieuw contact opgenomen met de satan, moeten zij nooit berustend zeggen: ‘Zo ben ik nu eenmaal.’ Ogenblikkelijk zullen zij hun zonden belijden en laten, dit wil zeggen het contact verbreken. Het bloed van Jezus zal hen opnieuw reinigen, want Hij is trouw. Wanneer zij zich gaan vereenzelvigen met de zonde, belijden zij daarmee hun gehoorzaamheid en verbondenheid met het rijk van de duisternis. Het is al erg genoeg, als zij zich door de duivel laten gebruiken, maar zij moeten zichzelf nooit zien alsof ze één geest met satan zijn. Zij zijn voor satan niet als een knecht die zoveel hart voor de zaak van zijn baas heeft, dat hij ervoor werkt alsof het zijn eigen bezit is. Zo benadert satan de mensen niet die hij in zijn macht heeft. Kinderen van God zullen daar nooit mee akkoord gaan. Zij zijn geen kinderen van de duivel, maar van de hemelse Vader.

Jezus is de Sterkere als de Doper met Gods Geest. Gods Geest en de menselijke geest worden door Hem een twee-eenheid. De opnieuw geboren mens ontvangt een kracht uit de onzienlijke wereld, die sterker is dan die van de vijand, zodat deze erdoor overwonnen wordt. Zij werken samen op: de menselijke geest en de Geest van God. Wanneer deze zijn intrek in de mens neemt, brengt Hij al de goddelijke gaven mee. Jezus is ook de Sterkere, omdat Hij via de doop met Gods Geest de ontwikkeling van de geestelijke gaven binnen bereik brengt. Gods Geest wil immers als leraar onderwijzen in gerechtigheid en waarheid. Alleen door die kracht van de Geest kan de mens rijpe en gave vruchten voortbrengen, die als een schat in de onzienlijke wereld tot het eeuwige leven bewaard wordt. Rust, blijdschap en vrede dalen neer in het hart van degene, die de doop van de Sterkere heeft ondergaan.

Maar Jezus doopt niet alleen met Gods Geest, maar ook in vuur. Gods Geest, die bij de doop wordt ontvangen, moet tegen de vijand ingezet worden. Ieder die met Gods Geest gedoopt wordt, zal blootgesteld worden aan de felle aanvallen van de vorst van de duisternis. Hij zal door vuur beproefd en gelouterd worden: ‘Allen, die Ik liefheb, wijs Ik terecht en bestraf Ik’ (Openb.3:19).

Jezus het voorbeeld

Toen Jezus in water gedoopt was, ontving Hij vervolgens de Geest van God en met deze doop ook de toerusting tot zijn werk. God zalfde Hem met Zijn Geest en met kracht (Hand.10:38). Na de doop met Gods Geest volgde direct de doop met vuur.

  • ‘Toen werd Jezus door de Geest naar de woestijn geleid om verzocht te worden door de duivel’ (Matth.4:1).

Jezus moest de vuurproef doorstaan. De Vader beproefde en testte zijn in de Geest gedoopte Zoon. In een geestelijk gevecht werden de krachten afgetast en de posities bepaald. In Jezus werkten de gaven van wijsheid, kennis en onderscheiding van geesten. De tegenstander werd vanaf het begin onderkend en ontmaskerd. Jezus sloeg de aanvallen van de duivel af en zei door de kracht van Gods Geest: ‘Ga weg, satan!’ (Mattheüs 4:10). Toen deze afdroop, konden de heilige engelen komen om Hem te dienen.

Jezus’ wandel was in de onzienlijke, hemelse gewesten. Hier was zijn strijd en ook zijn overwinning. Telkens opnieuw kwam Jezus in dit vuur. De demonen lieten Hem voor een tijd met rust om dan opnieuw aan te vallen. De doop met Gods Geest gaf Hem de wapens waarmee de onzichtbare aanvallers geweerd werden. Men wilde Jezus in Nazareth van een hoogte in de afgrond werpen, maar Hij bond de onzienlijke of onzichtbare demonen; de vuisten verslapten en Hij ‘liep midden tussen hen door en vertrok’ (Lucas 4:30). Men probeerde Hem te stenigen en te grijpen, maar Hij ontkwam. Jezus was onkwetsbaar door de volle openbaring van de doop in Goddelijke kracht. Het vuur van de vijand kon hem niet schaden. De satan kon Hem niet aantasten, niet ziek maken en niet tot zonde verleiden.

De losprijs aan satan

Toen echter aan het einde van zijn rondgang op aarde, de Zoon afstand nam van zijn gelijkheid aan God (en niet als God zelf, Fil.2:7) en de Vader Zijn Geest terugtrok, werd Jezus bang. Hij wist dat zijn bescherming was weggenomen en de duivel Hem kon treffen, want het was het uur van de duisternis. Het was de dag van de toorn van God en Jezus heeft zich vrijwillig voor ons allen overgegeven. In de lijdensdagen, maar vooral toen Hij aan het kruis hing, stormden alle demonen op Hem aan. Honden omringden Hem, stieren van Basan omsingelden de Gekruisigde en de muil van de leeuw was wijd opengesperd (Psalm 22) – allemaal beelden van demonen. Hier bleek wie de vijanden van God en die van de mens zijn en welke verwoestende werking zij kunnen verrichten. Maar Jezus hield stand en – ondanks de vreselijke pijnen aan het kruis – zondigde Hij niet, maar legde vrijwillig zijn aardse leven af (Joh.10:17,18). Nooit kunnen zij de geestelijke, onzienlijke mens aantasten, die een nieuwe schepping is.

In Romeinen 4:25 wordt vermeld dat Jezus om onze zonden werd overgeleverd. Hetzelfde woord overleveren treffen wij aan in Romeinen 1:24,26 en 28. Daar wordt gesproken over de zondaar, die overgegeven wordt aan onreinheid, schandelijke verlangens en een verwerpelijk denken. Deze komt daarmee in het vuur en wanneer hij zich niet bekeert, wordt hij verbonden met het helse vuur dat voor eeuwig bij hem en in hem blijft. Bij Jezus werd de toorn van God, dit onuitblusbaar vuur, geblust, omdat Hij een volmaakt nieuwe schepping was. Hij overwon altijd de geestelijke duivelse overheden en machten. Hij ontwapende hen, omdat in Hem de wet van god volmaakt functioneerde. Satans demonen hielden geen wapens over, omdat zij in de Eersteling van de nieuwe schepping niets vonden. Dood hemzelf kon Hem niet vasthouden omdat Hij niets in Jezus vond om hem gevangen te houden. Zij werden openlijk tentoongesteld en Christus overwon hen (Col.2:15).

De vuurdoop

Jezus zei eens tot zijn leerlingen: ‘De beker, die Ik drink, zult u drinken en met de doop, waarmee Ik gedoopt word, zult u gedoopt worden’ (Marc.10:39). Zijn volgelingen zouden in deze wereld aan de felle aanvallen van de demonen van de lucht bloot staan. Hoe meer zij in de voetstappen van Jezus zouden wandelen, des te meer zouden zij hun strijd in de hemelse gewesten te voeren hebben. Jezus bracht geen evangelie van rust en vrede voor het leven op aarde, want Hij zei: ‘Ik bid niet, dat U hen uit de wereld wegneemt, maar dat U hen bewaart voor de duivel’ (Joh.17:15). Ook de apostel zegt: ‘Als wij alleen voor dit leven (op aarde) onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen’ (1 Cor.15:19). Juist de kinderen van God zijn in de eerste plaats blootgesteld aan de aanvallen van de boze geesten, want ieder van hen zal ‘met vuur gezouten worden’ (Marcus 9:49). Wie echter in de kracht van Gods Geest staan blijft, kan innerlijk niet beschadigd worden: ‘We weten, dat wie uit God is geboren, niet zondigt; maar wie uit God is geboren, waakt over zichzelf en de duivel heeft geen vat op hem’ (1 Joh.5:18).

De Heer roept op om in zijn kracht te staan als men door de demonen aangevallen wordt. Bij het verbrandingsproces voeden hout, hooi en stoppels het vuur. Goud gaat echter geen fusie met het vuur aan. Door verhitting smelt het. Schuim en slakken worden dan afgescheiden en komen boven drijven. In het edele metaal vindt het vuur geen enkel voedsel. Nadat het gelouterd is, wordt het dan ook uit het vuur genomen, want het is niet bestemd om steeds daarin te blijven. Paulus schreef in 1 Corinthe 3:13: ‘Want de dag zal het doen blijken, omdat hij met vuur verschijnt, en hoedanig ieders werk is, dat zal het vuur uitmaken.’ De Heer raadt aan bij Hem goud te kopen, dat in het vuur gelouterd is, zodat wij rijk mogen worden (Openb.3:18). Van de komende Messias die tot zijn tempel komen zou, profeteerde Maleachi: ‘Want Hij zal zijn als het vuur van de smelter en als het loog van de blekers. Hij zal zitten, het zilver smeltend en reinigend. Hij zal de zonen van Levi reinigen, Hij zal hen louteren als goud en als zilver’ (Mal.3:2,3).

Jezus is de Doper met Gods Geest, maar ook met vuur! De ogen van de kinderen van God moeten voor de geestelijke strijd geopend worden en zij moeten er niet voor opzij gaan. Zo krijgen zij deel aan het lijden van Christus. De vuurgloed van de beproeving hoort bij hen, omdat hij ook bij Christus hoorde. ‘Geliefden, laat de vuurgloed, die tot beproeving dient, u niet vreemd overkomen. Integendeel, wees blij naarmate u deel hebt aan het lijden van Christus’ (1 Petr.4:12,13). De vuurgloed wordt steeds sterker, naarmate de kinderen van God het einde naderen:

  • ‘Want zie, de dag komt, brandend als een oven! Dan zullen alle overmoedige mensen en allen die goddeloos zijn, zijn als stoppels en de dag die komt, zal hen in brand steken .. Maar voor u, die mijn naam vreest, zal de zon van de gerechtigheid opgaan en er zal genezing zijn onder haar vleugels’ (Mal.4:1,2).

Laat de gemeente van Jezus Christus niet aan struisvogelpolitiek doen. De tijd is gekomen dat het oordeel begint bij het huis van God (1 Petr.4:17). De gemeente moet de kracht van Gods Geest bezitten om de duivelen te weerstaan, terug te drijven en te overwinnen. Jezus deed het en de gemeente moet Hem volgen. Dit betekent zijn voetstappen volgen. Laat men zich niet tevreden stellen met vrome leugens. De macht van de duisternis neemt toe. Als de kinderen van God al zo door de onzienlijke demonenhordes worden bestookt, wat zal dan het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie van God, die zich niét willen bekeren en die niét in water en met Gods Geest gedoopt zijn? Wat zal in de toekomst het einde zijn van een volk van God, dat de onzienlijke wereld niet kent en zich tevreden heeft gesteld met een voedsel, dat niet uit de hemel – onzienlijke wereld – maar van de aarde kwam? Van een volk, dat niet gewandeld en gestreden heeft in de hemelse gewesten? Van een volk waarvan gezegd kan worden: ‘Het gaat te gronde – wordt een prooi van vrome demonen – door het gebrek aan kennis’ (Hosea 4:6)?

God gebruikt de demonen tot zijn dienst. Zoals een ingenieur een nieuwe brug extra belast om haar deugdelijkheid vast te stellen, zo onderzoekt de Heer ook zijn nieuwe schepping. De oude mens faalde, maar de nieuwe zal standhouden als deze gelijk wordt aan Jezus Christus. Als de Heer dat machtige, vernietigende leger van sprinkhanen, knagers, kaalvreters en verslinders toelaat, is dit ‘het leger dat zijn woord volbrengt; want groot is de dag van de Heer en zeer ontzagwekkend. Wie zal hem kunnen verdragen?’ (Joël 1:4 en 2:11). Jezus is de Doper in vuur: ‘De wan is in zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer geheel zuiveren’ (Matth.3:12). Er komt een tijd dat ook het kaf, dat vroeger toch ook een functie had, een prooi wordt. In de tijd dat het graan rijp geworden is, heeft ook het kaf afgedaan. Het Koninkrijk van God kent alleen maar groei. Wie achterom kijkt, is ten dode opgeschreven. Mogelijk hadden de dwaze maagden voor hun tijd een aardig ledlampje, maar ’s nachts ging het toch uit.

De grote scheiding

Ooit gebruikte God een watervloed om het oordeel over de aarde te brengen, maar Noach met zijn gezin werd behouden. Deze man van God met de zijnen was midden in de waterstromen, waardoor de toorn van God over de wereld ging. Maar in de ark werden zij bewaard. De kinderen van Israël waren in de diepte van de zee, maar zij kwamen niet om. Te midden van de brandende steden, Sodom en Gomorra en daarnaast ook de hele Streek, werd het plaatsje Zoar gespaard vanwege de rechtvaardige Lot. Wanneer Petrus deze voorbeelden uit het tijdperk van de schaduwen, die de gelovigen als lessen overgeleverd zijn, overdenkt, merkt hij op: ‘Dan weet de Heer de gelovige mensen uit de verzoeking te verlossen en de onrechtvaardigen te bewaren om hen op de dag van het oordeel te straffen.’ ‘De toenmalige wereld verging door water, maar de tegenwoordige hemelen en aarde zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, voor het vuur bewaard tegen de dag van het oordeel en van de ondergang van de goddeloze mensen’ (2 Petr.2:9 en 3:6,7).

Het oordeel is aangekondigd. Er komt een zondvloed van vuur over de onzienlijke en de zienlijke wereld. Het is duidelijk dat de hemelse gewesten nooit door tastbaar en zichtbaar vuur zullen vergaan. Het vuur dat bedoeld wordt, is het ontketenen van satans’ demonen van de duisternis. Maar in de laatste dagen zal God royaal zijn Geest op alles wat (voor God) leeft, uitstorten, zodat ieder die bij Jezus Christus hoort, kan blijven staan in de dag van de Heer.

Goed en kwaad liggen zeer dicht bij elkaar. Ze wonen soms samen in één mensenhart (dubbelhartigheid). Hoe meer de dag van het eindoordeel nadert, hoe duidelijker goed en kwaad zich als wit en zwart zullen aftekenen. Dit gebeurt door de machtige werking van Gods Geest enerzijds en de opdringende druk en dwang van het rijk van de duisternis anderzijds. Wie gereinigd is, zal nog meer geheiligd worden en wie vuil is, nog vuiler (Op.22:11). De gerechtigheid staat dan zichtbaar tegenover de zonde en de gebondenheid. Het koren is rijp geworden, maar het onkruid ook:

  • ‘En in de oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: Haal eerst het onkruid bijeen en bindt het in bossen om het te verbranden, maar breng het koren bijeen in mijn schuur’ (Mattheüs 13:30).

Een onoverbrugbare kloof – een eeuwige scheiding

Dan is de tijd gekomen dat de occulte demonen zich allen concentreren in een bewust, Goddeloos geworden mensheid. De gemeente van Jezus Christus wordt dan geopenbaard zonder vlek of rimpel, vervuld en geleid door Gods Geest. Hemel en aarde worden door vuur gelouterd en gereinigd. Er is een onuitblusbaar vuur, zoals er ook een stroom van levend water is. Beide zijn geestelijk, dat wil zeggen begrippen uit de onzienlijke wereld. Wanneer het vuur hier op aarde én in de hemel zijn werk gedaan heeft, wordt het teruggeworpen in de vuurpoel (Openb.19:20 en 20:14). ‘Het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is’, heet ook wel de buitenste duisternis (Matth.25:41). Deze poel is de eeuwige afgrendeling tussen de demonenlegers met hun machten en krachten met de mensen die met hen verbonden zijn en de kinderen van God die een plaats hebben in het Koninkrijk van God met de heilige engelen.

Tussen deze twee werelden is een onoverbrugbare kloof, een eeuwige scheiding. In het rijk van de buitenste duisternis is de geest van de goddeloze volkomen overgegeven aan de willekeur en macht van de duivelse legers. Een toestand die door Jezus duidelijk gemaakt wordt met de woorden van Jezus: ‘Waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust’ (Marcus 9:48). Daar stroomt geen levend water meer om het vuur uit te blussen en er is ook geen volkomen vernietiging van de mens, want zijn worm – onvernietigbaar overblijfsel – sterft niet. Vreselijk oordeel van de hel!

De geest van de kinderen van God wordt echter één met Gods Geest. Deze heeft hen met liefde en zachtmoedigheid geleid, vertroost, bemoedigd, opgebouwd, gesterkt en bewaard, om hen zuiver en onberispelijk de Vader voor te kunnen stellen. Zij zijn geschikt om met de Vader te zitten in zijn troon (Openbaring 3:21).

>>>>>