10. Doopformule

<<<<<

Bij het doorlezen van het Nieuwe Testament valt steeds weer op dat de naam van Jezus een grote rol speelde in het denken en werken van de apostelen. Het is daarom vreemd dat in de laatste verzen van het Mattheüs evangelie een formulering m.b.t. het dopen wordt gebruikt, waarin plotseling sprake is van een on-Bijbelse drie-eenheid. Omdat wij de volle raad van God willen kennen, gaan we niet akkoord met halve waarheden. Ons denken, spreken en handelen is gebaseerd op de letterlijke én geestelijke werkelijkheid van Christus. Daarom onderzoeken we deze ‘doopformule’ die in het Nieuwe Testament nooit is genoemd en ook niet gebruikt door de apostelen.

Het eerste Concilie van Nicéa met een van haar grofste dwalingen, de Marialogie

In dit verband gaat het dan met name om een toegevoegde(!) formule uit de 3e eeuw n. Christus in Mattheüs 28:19b:

  • ‘Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in….
  • ‘De naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest…?.

Wij vragen ons af hoe deze formulering te rijmen is met het gegeven dat er helemaal geen drie-eenheid bestaat. Gods Geest is geen zelfstandig, apart goddelijk wezen in wiens naam gehandeld moet worden. Nergens leert de Bijbel ons in de naam van ‘de heilige geest’ (een verzonnen 3e ‘persoon’) iets te doen. Het gefantaseerde mantra ‘de Vader, Zoon en de heilige Geest’ is daarom een leugen. Hier is duidelijk geknoeid met de vertaling en zijn er verzonnen toevoegingen tussen geplaatst.

Jezus alleen

Toen de drie trouwste volgelingen van Jezus op de berg van de verheerlijking een stem uit de hemel hoorden zeggen: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, luister naar Hem’, keken zij om zich heen en zagen niemand dan Jezus alleen (Matth.17:5-8). Alles draait om Jezus in het plan van God. Niemand is aan Hem gelijk. Hij is onder allen de eerste. Aan Hem alleen is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. De Vader heeft Hem alles in handen gegeven. Hij is de Christus, de Heer, de Koning. Vandaar ook dat Paulus de gelovigen de opdracht meegeeft om ‘alles wat zij doen met woorden of werken, dat alles te doen in de naam van de Heer Jezus’ (Col.3:17). Dit ‘alles’ gaat over alle activiteiten van de kinderen van God.

In de Bijbel zijn veel teksten die gaan over de naam van Jezus. Het is echter ondoenlijk om alle teksten te noteren. In de Concordantie beslaan ze meer dan een bladzijde. We noemen enkele teksten. Opvallend is trouwens dat nergens gesproken wordt over handelen in ‘de naam van de Vader’ of ‘de Heilige Geest’.

  • ‘op Zijn naam zullen de heidenen hopen’ (Matth.2:21).
  • ‘waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn naam’ (Matth.18:20).
  • ‘ieder die… heeft prijsgegeven om Mijn naam’ (Matth.19:29).
  • ‘die een kracht zal doen in Mijn naam’ (Marc.9:39).
  • ‘in Mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven’ (Marc.16:17).
  • ‘de geesten onderwerpen zich aan ons in Uw naam’ (Luc.10:17).
  • ‘dat in Zijn naam verteld moest worden over bekering tot vergeving van zonden aan alle volken’ (Luc.24:47).
  • ‘macht gegeven om kinderen van God te worden die in Zijn naam geloven’ (Joh.1:12).
  • ‘wat u ook vraagt in Mijn naam, Ik zal het doen’ (Joh.14:13).
  • ‘de Geest die de Vader zenden zal in Mijn naam’ (Joh.14:26) (Joh.15:16).
  • ‘dat u gelovende, het leven hebt in Zijn naam’ (Joh.20:31).
  • ‘op het geloof in Zijn naam heeft zijn naam deze sterk gemaakt’ (Hand.3:16).
  • ‘te spreken op gezag van de naam van Jezus’ (Hand.4:18).
  • ‘die de naam van Jezus Christus bracht’ (Hand.8:12).
  • ‘vergeving van zonden door Zijn naam’ (Hand.10:43).
  • ‘allen die de naam van onze Heer Jezus Christus aanroe­pen’ (1 Cor.1:2).
  • ‘gerechtvaardigd door de naam van de Heer Jezus Christus’ (1 Cor.6:11).
  • ‘Hem de naam boven alle naam gegeven, opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen’ (Fil.2:9,10).
  • ‘zodat de naam van onze Heer Jezus in u verheerlijkt wordt’ (2 Thess.1:12).
  • ‘de liefde die u voor zijn naam getoond hebt’ (Hebr.6:10).
  • ‘met olie zalven in de naam van de Heer’ (Jac.5:14).
  • ‘dat wij geloven in de naam van zijn Zoon’ (1 Joh.3:23).
  • ‘en u houdt vast aan Mijn naam’ (Op.2:13).
  • ‘U hebt Mijn naam niet verloochend’ (Op.3:8).
  • ‘op wier voorhoofden Zijn naam geschreven stond’ (Op.14:1).

Dopen

In bovengenoemde teksten gaat het niet over het dopen. Maar de teksten in de Bijbel die wél over de doop gaan, noemen alléén de naam van Jezus:

  • ‘ieder van u laat zich dopen in de naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden’ (Hand.2:38).
  • ‘zij waren gedoopt in de naam van de Heer Jezus’ (Hand.8:16).
  • ‘Petrus beval hen te dopen in de naam van Jezus Christus’ (Hand.10:48).
  • ‘zij lieten zich dopen in de naam van de Heer Jezus’ (Hand.19:5).
  • ‘wij allen die in Christus Jezus gedoopt zijn’ (Rom.6:3).
  • ‘U allen die in Christus gedoopt bent’ (Gal.3:27).

Het koppelen van de waterdoop aan de naam van Jezus is zo duidelijk, dat het vreemd is dat er in Mattheus 28:19b ineens ‘de Vader’ en ‘de Heilige Geest’ bijgehaald worden. Verder onderzoek brengt ons bij de Codex Sinaiticus.

Mattheüs 28:19,20

Codex Sinaiticus met 1 Johannes 5:7–9.

In deze tekst zijn de volgende elementen te onderscheiden:

  • A: ‘Maak al de volken tot (mijn) leerlingen (in mijn naam).’
  • B: ‘Doop hen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest…’
  • C: ‘En leer hen onderhouden alles wat Ik u bevolen heb.’
  • D: ‘En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding van de aeoon’ (= eeuw; naar de grondtekst).

In de regels A, C, D, is Jezus (mijn, Ik) het middelpunt. Regel B. valt daar duidelijk buiten. Deze zin is er tussengevoegd. Onderzoekers bevestigen dit. Uit hun commentaar nemen we de belangrijkste uitspraken hier over.

Onderzoek

De Griekse tekst van Nestle en Aland geeft in het tekstkritisch gedeelte aan dat er tot en met Eusebius (± 300 na Chr.) een andere tekst heeft gestaan die later niet meer gedeeld wordt door de diverse handschriften. Er staat namelijk in de eerste tekstregel ’in de naam van Mij’. Deze tekst zou na het concilie van Nicéa (325 na Chr. waar het dogma van de Drie-eenheid vastgelegd werd) veranderd zijn. Vandaar de toevoeging van regel B. Het boek ‘De Heer uw God is een’ van Lapide en Moltman stelt op blz.26:

  • Met betrekking tot de Drie-eenheidformule aan het slot van Mattheüs heeft F.C. Conybeare al in 1901 bewezen, dat die ontbreekt in alle geschriften en afschriften van Eusebius die vóór het concilie van Nicéa werden geschreven.

Intussen heeft David Flusser op basis van de rabbijnse analogieën en met behulp van handschriften uit de bibliotheek van Caesarea de hoogstwaarschijnlijke originele tekst van het oorspronkelijke zendingsbevel van Jezus gereconstrueerd:

  • ’Ga heen, onderwijs al de volken en leer hen onderhouden alles wat Ik u bevolen heb’.

Het onderzoek van David Flusser, gepubliceerd in het blad ASTI V / Jerusalem, leverde het volgende op: De tekst van Mattheus 28:19,20a luidde tot en met Eusebius: Uit de oude geschriften blijkt ook dat in de eerste christentijd alles gedaan werd ‘in de naam van Jezus’. Recentelijk is er zelfs een geschrift uit de vijfde eeuw ontdekt waarin vermeld wordt dat een groep christenen zich verzette tegen het opkomende dogma van de Drie-eenheid in de kerk van die tijd. Deze groep wilde de oude informatiebronnen behouden. Zij verwierpen op grond daarvan ook Mattheus 28:19 in zijn huidige vorm en stelden: ‘Handel zoals jullie Mij hebben zien handelen, leer hen wat Ik jullie geleerd heb en wees voor hen wat Ik voor jullie geweest ben’.

De rabbijn Schalom-ben-Chorim schrijft in zijn boek ‘Broeder Jezus’ ‘dat Mattheus 28:19 in de oudste handschriften van voor het concilie van Nicéa ontbreekt. Dit werd bevestigd door de ontdekking van professor Pines, die in 1966 te Istanbul een joods-christelijk handschrift uit de tijd van het vroege christendom heeft gevonden. Een aantal encyclopedieën bevestigen dat er in de vroegste christentijd gedoopt werd in de naam van Jezus Christus.

  • Katholieke Encyclopedie (Deel 2, blz.263). Hier erkennen de katholieken dat de doop door hun kerk werd veranderd.
  • Canney Encyclopedie (blz.53). De eerste gemeente doopte altijd in de naam van de Heer Jezus tot de ontwikkeling van de Drie-eenheid-’leer’ in de tweede eeuw.
  • Encyclopedie Brittanica (Deel 3, blz.363). De doopformule werd veranderd van ‘de naam van Jezus Christus’ naar de woorden ‘Vader, Zoon en Heilige Geest’ door de Katholieke kerk in de tweede eeuw.

Jezus’ afscheidswoorden

In de afscheidswoorden van Jezus aan het slot van de andere evangeliën komt ook alleen maar de uitdrukking ‘in mijn Naam’ voor.

  • ‘in mijn Naam zullen zij boze geesten uitdrijven’ (Marc.16:17).
  • ‘dat er in zijn Naam de boodschap gebracht moest worden bekering tot vergeving van de zonden aan alle volken’ (Luc.24:47).
  • ‘Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u’ (Joh.20:21).

Na het pinkstergebeuren voeren de leerlingen deze opdracht uit. De door Flusser in de bibliotheek te Caesarea gevonden versie van Mattheus 28:19 past daar geheel en al bij: ‘Maak allen tot leerlingen in mijn Naam.’

Conclusies

Voor ons betekent dit alles dat wij deze on-Bijbelse doopformule nooit meer gebruiken. De eeuwenlange Drie-eenheidsgedachte die zonder slag of stoot ook in de pinkster– en charismatische beweging overgenomen werd (Op.6:5,6), heeft voor ons volledig afgedaan. Bij het dopen van nieuwe bekeerlingen zullen de Bijbels gefundeerde woorden gebruikt worden:

  • ‘Broer/zuster, wij dopen u in de naam van Jezus Christus!’

Deze doop symboliseert verschillende aspecten van de werkelijkheid van Christus. In Romeinen 6 wordt de doop beschreven als beeld van sterven, begraven en opstaan met Christus.

De doop van Jezus

Jezus werd in de Jordaan ook in water gedoopt. Maar hij hoefde zich niet te bekeren. Vanaf zijn geboorte had de Vader Hem immers volmaakt geheiligd. Hij kende geen zonde, Hij had geen oud leven af te leggen. Toch beeldde Hij het sterven, begraven en opstaan uit door de onderdompeling in water. Maar dan als beeld van zijn eigen dood, begrafenis en opstanding als Lam van God dat geofferd zou gaan worden voor de zonde van de wereld. De Heer kende vanaf het begin van zijn Verlossingswerk deze opdracht. Johannes de Doper wees Hem in het openbaar al aan als het Lam van God (Joh.1:29,36). Dit blijkt ook uit de feit dat de Heer macht had om zonden te vergeven, vanwege zijn dood aan het kruis.

De losprijs aan satan betaald!

Om als offerlam werkelijk plaatsvervangend voor de mensheid te kunnen zijn, was het nodig dat Jezus in onze situatie zou komen, namelijk die van dienstknecht – dat is slaaf – van de zonde (Fil.2:7). Daartoe was het noodzakelijk dat Hij zijn heerlijkheid en rijkdom moest afleggen. De geestelijke rijkdom van onze Heer is gelegen in God (o.a. 2 Corinthe 4:7). Door het deelhebben, als gelovige mens, aan de goddelijke natuur is er aansluiting op het immense potentieel van de Schepper. In Jezus kwam diens goddelijk leven tot een maximale ontplooiing: ‘Want in Hem is de goddelijke volheid lichamelijk aanwezig’ (Col.2:9).

  • Zijdelings merken we hier nog op dat ook deze tekst duidelijk aangeeft dat Gods volheid ‘in’ Jezus woont en Hij niet zelf die godheid is.

Toen het verzoenend lijden van de Heer aanbrak in de hof van Gethsémane, legde Hij zijn rijkdom af en kwam in de geestelijke situatie van de arme, gevallen mensheid. ‘Hij was rijk, maar is om u arm geworden zodat u door zijn armoede rijk zou worden’ (2 Cor.8:9). Dit afleggen van zijn rijkdom kwam tot stand door een afgescheiden worden van God (Jes.59:2). Zijn roep ‘Mijn God, waarom hebt U mij verlaten’ is hiervan het schrijnende signaal.

Het evangelie in de gevangenis

Na het volbrachte werk kwam de gemeenschap met de Vader weer tot stand: ‘in uw handen beveel Ik mijn geest’ (Luc.23:46). Hoewel de Heer na zijn sterven in het dodenrijk sprak, was Hij daar met Gods Geest, ‘de hand van God’. Door deze rijkdom en heerlijkheid kon Hij opstaan tussen de doden uit en nam Hij ook nog krijgsgevangenen mee (Ef.4:8).

Jezus getuigde echter ook bij en met zijn doop van nog een andere waarheid die heel reëel voor Hem was. In Mattheus 3:15 zegt Hij: ‘Laat het nu maar gebeuren, want het is goed dat we op deze manier Gods gerechtigheid vervullen.’ Wat kwam Jezus in zijn leven vervullen? De wil van God, dat is zijn plan. ‘Gods gerechtigheid’ houdt Gods eeuwig voornemen in. De Heer was de eerste die dat volledig kende, geloofde en verwerkelijkte in zijn leven. De opdrachten om als Lam van God de zonde van de wereld te dragen, het rijk van de duisternis te verslaan en als Christus de leiding van de schepping op Zich te nemen, werden daar nog eens als extra taken aan toegevoegd. Voor ons eigen leven hoort dit laatste uiteraard niet bij alle gerechtigheid. Die fundamentele reddingszaken waren alleen door Jezus Christus te realiseren. Eén voor allen (2 Cor.5:14,15)!

De gerechtigheid die wij moeten vervullen is Gods bedoeling met de mens realiseren in het hier en nu. Dit geldt eigenlijk voor alle mensen. Jezus gaf het voorbeeld en Hij roept ons op Hem te volgen. Het antwoord op de vraag: Wat is het ware leven?, geeft Jezus: Ik ben de weg, de waarheid en het leven. ‘Alle gerechtigheid’ leren we van Hem alleen. Jezus aanvaardde Gods wil geheel en al. Hij wilde absoluut zich als losprijs geven uit liefde tot de Vader. Zijn keus om zich volledig te geven aan het goddelijk plan beeldde Hij uit door zich in water te laten onderdompelen.

Zoals zijn innerlijk zich geheel ‘onderdompelde’ in de wil van God, in het waterbad van het Woord, zo wilde Hij ook in de uitbeelding daarvan zijn natuurlijk lichaam ondergedompeld laten worden in water. ‘Laat het nu maar gebeuren’ spreekt Hij tot Johannes de Doper. Hier getuigt Jezus niet alleen van zijn totale keuze voor God, maar ook voor diens oorspronkelijk en eeuwig voornemen met de mens. Deze betekenis vormt het wezenlijke element van de waterdoop.

Voor ons zal hetzelfde moeten gelden. De mens hoort zich aan zijn Schepper te onderwerpen, zodat Deze hem verhoog in zijn troon (Gal.4:7; 1 Petr.5:6). God wordt het meest verheerlijkt als Schepper en als Vader, als mensen tot hun bestemming komen. Hoewel wij geloven dat Hij zijn plan door Jezus Christus tot een goed einde zal brengen, zullen de wij ons wel actief in moeten zetten. Niets gebeurt automatisch aan ons. God werkt met en door (zijn) mensen. Wie zich laat dopen in Jezus’ naam, geeft daardoor aan dat hij/zij alle gerechtigheid van God wil gaan vervullen. Paulus verwoordt dit in Galaten 3:26 en 27:

  • ‘Want door het geloof en in Christus Jezus bent u allen kinderen van God. U allen die door de doop één met Christus bent geworden, hebt u met Christus omkleed.’

Het laten dopen in zijn Naam is geen reli­gieus ritueel op zich, maar is een getuigenis van de hartgesteldheid: ik wil alle gerechtigheid in mijn leven gaan vervullen. Dit is voor ons alleen uit­voerbaar en haalbaar, onder leiding van Jezus Christus. Alleen door Jezus Christus, de Zoon van God, komt men tot de Vader en krijgt men deel aan diens goddelij­ke natuur. Door Jezus hebben wij gemeenschap met God. Alleen de God en Vader van onze Heer Jezus Christus is de waarachtige God en alleen in Hem is het eeuwige leven. Dit leven is ons gegeven door zijn Zoon. Hij is het begin van de nieuwe schepping en het einde, de Alpha en Omega, de eerste en de laatste (Op.22:13). Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwig­heden!

  • ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde.’ En denk er aan: ‘Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld’ (Mattheüs 28:20).

>>>>>