
Deze kinderen zijn heilig
Het is duidelijk dat in de gemeente van Jezus Christus, waar het eeuwig evangelie gebracht wordt, de kleine kinderen niét gedoopt worden. Zij krijgen wel een zegen mee die Bijbels verantwoord is. In 1 Corinthe 7:14 staat: ‘Want de ongelovige man is geheiligd door zijn vrouw en de ongelovige vrouw is geheiligd door haar man. Anders waren immers uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig.’ De redding en verlossing gaat dus via de gelovige huwelijkspartners op die manier komt hun zegen bij het kind, dat in hen geheiligd is.
De babybesprenkeling gaat volgens het kerkelijk doopformulier van de gedachte uit, dat ‘de kinderen van de gelovigen in zonde ontvangen en geboren zijn en daarom aan allerlei ellende, ja aan de verdoemenis zelf zijn onderworpen’. Frappant is wel dat men vóór de ‘doop’ van het kleine kind aan de ouders vraagt te belijden dat ‘hun kinderen in Christus geheiligd zijn en daarom als leden van de gemeente gedoopt (besprenkeld) moeten worden…’ Dat is duidelijk hinken op twee gedachten.
Aan de verdoemenis onderworpen?
Wanneer de kinderen in de gemeente ‘aan de verdoemenis onderworpen zijn’, gaan zij niet verloren, maar zijn zij verloren! Zij zijn dan in wezen kinderen van de satan. Dit stemt niet overeen met ‘geheiligd zijn in Christus’. Daarom moet deze heiligheid volgens velen gezien worden als ‘Sacramentele heiligheid…’. De bedoeling ervan is om de waarde van de heiligheid van de kinderen door het woordje sacramenteel te verminderen en de betekenis ervan te verzwakken. Maar omdat sacramenten ‘heilige, zichtbare tekens en zegels’ zijn (volgens dezelfde kerkelijke formulieren en de Catechismus), moet de toevoeging sacramenteel juist aangeven, dat deze heiligheid van de kinderen dubbel waar is en vaststaat. Het zou dan immers een heiligheid zijn, die door een heilig teken, een sacrament gegarandeerd wordt.
De kinderen in de gemeente zijn echter niet geheiligd in Christus, zoals hun doopformulier leert, maar – volgens bovengenoemde tekst uit 1 Corinthe – in de ouders. Gelovigen zijn koningen en priesters in het koninkrijk van God en hun kinderen zijn geen kleine verdoemelingen, maar prinsen en prinsessen, ook bestemd om te zijner tijd het koningschap te ontvangen. Het huwelijk is een heilige, van God gewilde en geboden zaak. Daarom zijn de kinderen niet in zonde ontvangen, niet een erfgenaam van de satan, maar van de Heer. Zij worden niet grootgebracht voor de tegenstander, maar voor God. Daarom horen de kinderen van gelovige ouders bij het ontginningswerk van Gods Geest en niet bij dat van de demonen. De Bijbel zegt dat deze kinderen niet onrein zijn, maar heilig! Heilig betekent afgezonderd tot heling. Apart gesteld onder de leiding van hun ouders, totdat zij zelf hun keuze hebben bepaald.
Kinderen komen op een duistere aarde, waar de satan macht heeft. Zij worden vanaf de geboorte – en misschien nog wel vóór die tijd – door satans demonen bedreigd. Dezen proberen hen ziek en tot een prooi van de zonde te maken, te binden, bang te maken of ergens te beschadigen. Zo zijn er hele generaties in de greep van bepaalde ziekte- en zondemachten. Van geslacht op geslacht leggen deze demonen beslag op de ouders en hun kinderen. Daarom moet de onzichtbare band met het voorgeslacht dikwijls in de naam van Jezus verbroken worden. Hierdoor wordt het kind losgemaakt van zijn familie en van de demonen, die zijn familie geleid en onderdrukt hebben.
Geheiligd in de ouders
Heeft een kind gelovige ouders, dan nemen zij de leiding en bescherming van het kind op zich onder leiding van Gods Geest die in hen woont. Kinderen zijn in hun ouders geheiligd, zowel de kleine als de grote. Zoals vader en moeder voor kleding en voeding zorgen en de natuurlijke beschermers van het kind zijn, zo zijn zij dit ook in geestelijk opzicht. Zij staan daarom voor hen op de bres, wanneer demonen van zonde en ziekte het kind aanvallen. Hun taak is om de aanvallen van de demonen af te slaan, die het weerloze kind, dikwijls al vanaf zijn geboorte en ook zelfs daarvoor. Als de demonen het kind overweldigd hebben, moeten de ouders ze uitdrijven. Via de gelovige vader en moeder ontvangt het kind genezing, bevrijding, rust en blijdschap. De ouders heiligen zich voor hun kinderen, zoals de Heer dit voor hen deed:
- ‘Zoals U Mij gezonden hebt in de wereld, heb ook Ik hen gezonden in de wereld; en Ik heilig Mijzelf voor hen, zodat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid’ (Joh.17:18,19).
Jezus heiligde Zich voor de oprechte christenen. Hij had Zich van de wereld afgescheiden om hen te redden. Daarom kunnen gelovige ouders zich geen enkele binding met het rijk van de duisternis permitteren. Als zij liegen, kunnen zij de leugenmacht, die hun kind aanvalt, niet weerstaan. Als zijzelf onreine gedachten koesteren, kunnen zij geen machten van onreinheid in Jezus’ naam verdrijven. De kinderen zijn geheiligd in de ouders, dat wil zeggen: zij vinden in hun ouders een geestelijke bescherming tegen de machten van de duisternis, terwijl zij hen ook leiden en onderwijzen in het behoud door Jezus Christus. De redding van deze kinderen hangt af van de geestelijke positie en activiteit van hun ouders in de hemelse gewesten. Uit de natuurlijke dingen kan men de geestelijke verstaan.
Veel kinderen groeien op in een omgeving, waar hun ziel besmeurd en besmet wordt, omdat zij niet door het gebed van ouders en door de geestelijke gaven – die in de ouders zouden moeten functioneren – worden beschermd. Als deze zaken bij de ouders niet gevonden worden, waar zullen deze kinderen dan bescherming vinden? Bij een overheid die vandaag vele malen slechter is dan deze ouders? God beware de kleintjes! Voor een ouder, die een kind niet heiligt, maar ontheiligt, dat wil zeggen het in aanraking brengt met de machten van de duisternis en het niet leidt op de weg van de gerechtigheid door voorbeeld en woord, geldt het woord van de Heer:
- ‘Het zou beter voor hem zijn, dat een molensteen om zijn hals was gehangen en hij verzwolgen was in de diepte van de zee’ (Matth.18:6).
Komt het dan nooit meer voor dat gelovige ouders een kind hebben dat lichamelijk of geestelijk overweldigd is? Zeker wel. Demonen zijn wetteloos en vallen ook zonder meer aan. Gelovige ouders moeten hierin echter niet berusten. Zij zullen in de naam van Jezus een tegenoffensief inzetten en de Heer zegt, dat Die met hen is, meerder is dan die tegen hen zijn. Zij zullen de voet zetten op al hun vijanden. Zij strijden voor het lichaam van hun kind alsof het hun eigen lichaam is en voor zijn geest en ziel, alsof zijzelf aangevallen worden. Alles is hierbij nog onvolkomen. Helaas, het is zelfs meestal zo dat men de vijand pas opmerkt, als deze zijn slag al in de kinderen geslagen heeft. Maar de ouders streven ook in deze worsteling naar de volmaaktheid.
Hun kinderen leven nog een natuurlijk leven, dat van deze aarde, maar als ouders zonderen zij hen af van deze wereld en bewaren ze voor de invloed van satans demonen tot zij zelf Jezus aannemen en opnieuw geboren worden tot geestelijke mensen. Dan worden zij ook inwoners van de stad van God, het hemelse Jeruzalem. Wanneer Jezus zegt: ‘Voor zulke kinderen is het Koninkrijk van de hemelen’ (Matth.19:14), bedoelt Hij daarmee dat deze kinderen bestemd zijn om het Koninkrijk van God te openbaren. In de gemeente wordt daarom bij het opdragen gezegd:
- ‘Alle onreine geesten in de naam van Jezus Christus, onze Heer en Rechter: wijk uit dit kind van God, dat onze Heer heeft willen roepen tot zijn heilige tempel, zodat het zelf een tempel wordt van de levende God, bewoond door Zijn Geest.’
Als een kind klein is, letten ouders goed op bij het oversteken van een gevaarlijke weg. Wanneer het echter ouder is, niet goed oplet bij het oversteken en aangereden wordt, is het zijn eigen schuld. Het is nu zo groot geworden, dat het zelf het gevaar onderkennen moet. De ouders zullen hem bij zijn thuiskomst toch blijven verzorgen. Zo is het ook in het geestelijke. Bij het groter worden moeten de kinderen zelf hun keus tussen goed en kwaad bepalen en medestrijders worden. Natuurlijk maken kinderen wel eens een foute keus, maar de ouders zullen hen niet wegsturen als zij met hun moeilijkheden bij hen komen. De ouders zullen samen met hen naar de Heer gaan. Wanneer zij zover opgegroeid zijn, dat zij zich met vol bewustzijn tot God kunnen en willen keren en een vaste keus gemaakt hebben, kunnen zij zich laten dopen IN water.
Opdragen in de gemeente
Wat de menselijke kant betreft, hangt de redding en verlossing van de kinderen af van de ouders. Daarom moeten deze de machten van onrust, angst, spanning, ziekte en zonde bij hun kinderen in de naam van Jezus verdrijven. Wanneer zij de overwinning niet behalen kunnen, gaan zij naar hun broers en zussen in de gemeente voor hulp. De gemeente is het huis (gezin) van God (1 Tim.3:15). Zij is de realisering van het lichaam van Christus op aarde. In de gemeente ligt de grootste kracht en heerlijkheid van de Geest van de Heer. De geestelijke gaven worden in het midden van de gemeente gegeven om elkaar te dienen en op te bouwen. Wanneer de goede werken van Jezus Christus met hun verlossing en genezing, zich in het bijzonder in de gemeente openbaren, zullen de ouders daar ook hun kinderen naar toe brengen.
Baby’s worden in de gemeente niet besprenkeld met een paar druppeltjes water, want dit is een occulte handeling die geen enkele betekenis of nut heeft, behalve het geestelijk verminken van de Woorden van God én de baby! Baby’s worden in de gemeente opgedragen. In de gemeente worden de kinderen voorgesteld aan het hoofd van de gemeente, Jezus Christus, zoals Maria en Jozef de kleine Jezus aan God voorstelden in de tempel (Luc.2:22). De gemeente wil hun een zegen schenken en doet dit op dezelfde manier, zoals Jezus dit deed. Zijn methode was goed. In Marcus 10:16 staat, dat Jezus de kleine (ongedoopte) kinderen omarmde, hun de handen oplegde en zegende. Jezus omarmde ze. Dit wil zeggen dat Hij ze voor het Koninkrijk van God claimde. Zo staan de ouders in het midden van de gemeente, terwijl de voorganger hun kind in de tegenwoordigheid van de Heer opheft. Denk hierbij aan het beeld van het oudtestamentische beweegoffer. De priesters brachten daar een gedeelte van het offer niet op het brandofferaltaar, maar hieven het als beweegoffer op in de tegenwoordigheid van God. Deze gaf het dan als het ware terug als aandeel dat voor de hogepriester of de priesters was (Ex.29:24; Lev.8:30, 31; 23:11,20).
De doop IN water en Gods Geest is een volwassen beslissing
In naam van de gemeente draagt de voorganger het kind aan de Heer op, zodat deze zijn redding en zijn heerlijkheid in het kind zal openbaren. Daarom zegent hij het onder handoplegging in de naam van Jezus Christus. Daarna wordt het kind aan de ouders terug gegeven, zodat zij het leiden, beschermen en heiligen zullen, totdat het zelf door zijn waterdoop en doop met Gods Geest getuigt, dat het ingevoegd is in het lichaam van Christus en dus een eigen plaats heeft in de gemeente. Ook de gemeente weet zich als huisgezin van God mede verantwoordelijk voor het welzijn van het opgedragen kind. De ouders kunnen altijd een beroep op de broers en zussen doen. De gemeente staat met hen op de bres voor de kinderen van de gelovigen, die geroepen zijn om het geluk te erven. Ook de Heer laat Zich niet onbetuigd, maar schenkt in de onzienlijke wereld het kind heilige engelen tot bescherming:
- ‘Want Ik zeg u, dat hun engelen continu in de tegenwoordigheid zijn van mijn Vader, die in de hemelen is’ (Matth.18:10).
- Deze engelen zijn ‘allen dienende geesten, die uitgezonden worden om hen te dienen, die de redding zullen erven’ (Hebr.1:14).
Zoals bij het bouwen van een huis al een stapel stenen klaar staat om ingevoegd te worden, zo liggen de kinderen van gelovige ouders als toekomstige stenen klaar in de onmiddellijke nabijheid van de tempel van God. Dit sluit natuurlijk het aanbrengen van andere stenen niet uit. Want die komen van oost en west, van noord en zuid, voor de bouw van de plaats van God in de geestelijke wereld (Ef.2:22).
De gemeente van Jezus Christus draagt niet alleen zorg voor haar eigen kinderen, maar zij is ook evangelisatie en zendingsgemeente. Zij is zich bewust van haar wereldwijde roeping en is geen volks- of familiekerk. Als kind groeide Mozes op aan het meest occulte hof van de wereld en hij bleef onbesmet. Hij was geheiligd in zijn ouders, Amram en Jochebed. Later zei God uit het brandende braambos tegen hem: ‘Ik ben de God van uw vader!’ (Ex.3:6). Mozes was één met het volk van God, beeld van de gemeente (Hebr.11:25). Samuël kwam in de onreine priesteromgeving van Hofni en Pinehas. Hij was echter geheiligd in zijn moeder Hanna door de gelofte in het huis van God uitgesproken. Job offerde voor zijn kinderen en heiligde hen. Jezus was geheiligd in zijn eigen Vader, Die Hem op bijzondere wijze beschermde en bewaakte.
De kinderen in de gemeente zullen weten dat zij gelovige ouders hebben, die bij een gemeente horen die bidt en strijdt. God geeft de ouders een zware verantwoordelijkheid om hun kinderen, die met hen in deze wereld achtergelaten zijn, in de hemelse gewesten te bewaren en te heiligen. Om deze taak uit te kunnen voeren geeft Hij hun kracht en wijsheid door Zijn Geest, die in hen woont en door de geestelijke gaven maakt Hij hen er geschikt voor. De Woorden van God leggen ook een verplichting op het kind. Dit moet aan zijn ouders gehoorzamen, want een ongehoorzaam kind is als een onbestuurbaar schip. Wanneer een ouder in het natuurlijke leven het kind van de jeugd af aan gehoorzaamheid leert, zal dit ook later in het geestelijke leven gehoorzaamheid leren aan God. Een kind dat zijn gelovige ouders ongehoorzaam is, kan nooit aan God gehoorzaam zijn: ‘Weerspannigheid is zonde van toverij en ongezeglijkheid is afgoderij en dienen van terafim’ (1 Sam.15:23). Als een kind zijn gelovige ouders niet gehoorzaamt, is het dus aan een andere geest verbonden, die het ook van God afvoert. Daarom is het van het grootste belang om het kind ook in zijn natuurlijke leven aan gehoorzaamheid te wennen.
Een vader en moeder, die door Gods Geest geleid worden, hebben van God de kracht en de wijsheid ontvangen om een gehoorzaam kind zonder dwang of geweld te leiden en het in het spoor van de gerechtigheid te houden tot eer van de Naam van Jezus.