
Openbaring 1:1-9
1: ‘Openbaring van Jezus Christus, die God Hem gegeven heeft om Zijn dienstknechten te laten zien wat spoedig moet gebeuren en die Hij door Zijn engel gezonden en aan Zijn dienstknecht Johannes te kennen heeft gegeven.’
Openbaring van Jezus Christus! Met deze woorden worden wij ogenblikkelijk met de verborgen ontwikkelingen in de toekomst geconfronteerd. Tijdens zijn leven op aarde openbaarde Jezus óók verborgenheden, namelijk die van het wezen van het Koninkrijk van de hemelen. In dit laatste Bijbelboek wordt de sluier opgelicht die de toekomst van de hemel en aarde verborgen of bedekt houdt. Jezus heeft het inzicht in het reddingsplan van de Vader ontvangen en door middel van zijn engel geeft Hij dit door aan Johannes, die het op zijn beurt weer opschrijft, zodat de dienstknechten van God zouden weten wat binnenkort gebeuren moet. De Heer moet dit reddingsplan noodzakelijkerwijs kennen, want Hem is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Hij is de uitvoerder ervan en de Vader doet in deze niets buiten zijn Zoon om. De Vader heeft maar één ding aan zichzelf gehouden: de bepaling van de tijden en gelegenheden (Hand.1:7), zoals ook in Mattheüs 24:36 staat:
- ‘Niemand weet wanneer die dag en dat moment zullen aanbreken, ook de hemelse engelen en de Zoon niet, alleen de (tijdloze) Vader weet het’ (dus ook niet degenen die de Bedelingenleer aanbidden!).
Bij de uitleg van de Openbaring hoeven wij geen speculaties te maken om enig tijdstip te fixeren. In iedere eeuw heeft men geprobeerd dit boek in zijn eigen tijd te dateren, maar dit is altijd foutief gebleken. Wel kunnen wij natuurlijk vaststellen wat al vervuld is, of kunnen wij bijvoorbeeld constateren dat wij nu in de tijd van de late regen zijn, van de verzegeling met Gods Geest, maar wij weten niet hoe lang deze periode duren zal. De Vader heeft dus alleen de leidraad aan de Zoon geopenbaard, waar deze zich aan houden moet.
De boer die geduldig blijft wachten op de kostbare opbrengst van zijn land

Het reddingsplan is als een plant die langzaam tot rijpheid en vrucht dragen komt:
- ‘En Hij zei: ‘Het is met het koninkrijk van God als met een mens die zaad uitstrooit op de aarde: hij slaapt en staat weer op, dag in dag uit, terwijl het zaad ontkiemt en opschiet, ook al weet hij niet hoe. De aarde brengt uit zichzelf vrucht voort, eerst de halm, dan de aar en dan het rijpe graan in de aar. Maar zo gauw het graan het toelaat, slaat hij er de sikkel in, omdat het tijd is voor de oogst’ (Marc.4:26-29).
- In Jacobus 5:7 wordt gezegd: ‘Heb geduld, broers en zusters, tot de Heer komt. Denk eens aan de boer, die geduldig blijft wachten op de kostbare opbrengst van zijn land, tot de regens van najaar en voorjaar zijn gevallen.’
Wanneer gezegd wordt, dat de dingen binnenkort gebeuren moeten, betekent dit dat de eerste spruiten van de plant er al waren. Daarom wordt vooraf getoond hoe de Heer wandelt tussen de kandelaren, zijn gemeenten. Daarna worden de begin-gemeenten zelf toegesproken en vervolgens zien wij God op de troon, die aan Jezus de boekrol geeft, waarin de komende gebeurtenissen beschreven zijn. Deze Openbaring wordt doorgegeven aan Johannes, de geliefde apostel van Jezus, die op zijn oude dag naar het eiland Patmos verbannen was. De visioenen ontving hij door middel van een engel, die ze hem toonde. Er wordt gesproken van ‘zijn engel’, dit wil zeggen: de engel van de Heer of die van Jezus, die later in hoofdstuk 10 beschreven wordt.
2: ‘Deze heeft van het Woord van God getuigd en van het getuigenis van Jezus Christus, alles wat hij gezien heeft.’
Johannes heeft van het Woord van God getuigd. Hij was de evangelist, die neerschreef: ‘In het begin was het Woord, het Woord (Gods Logos, Joh.1:1) was bij God en het Woord was (uit) God’. Hij had de verhouding tussen God en zijn Zoon duidelijk weergegeven. Dezen staan tot elkaar als spreker en woord. Het gaat dus om twee aparte identiteiten (en geen verzonnen drie-enige godheid uit Nicéa, Italië). Johannes ziet bij het begin van zijn boek ook weer Jezus Christus, die de openbaring van het reddingsplan van de Vader ontving en doorgaf aan Johannes. Dit Woord is de uitvoerder, want:
- ‘Hij trok uit, overwinnende en om te overwinnen’ (Openb.6:2). ‘Het keert niet vruchteloos naar Mij terug, niet zonder eerst te doen wat Ik wil en te volmaken wat Ik gebied’ (Jesaja 55.11).
Het is een levend Woord. Zo is het getuigenis van Jezus het woord, dat Johannes door de geest van de profetie hoort en ziet (Openb.19:10). Vroeger had Johannes ook getuigd van wat hij had gezien. In zijn evangelie is hij ‘de leerling die van deze dingen getuigt en die deze beschreven heeft’ (Joh.21:24). Om dit getuigenis was hij gevangen genomen (vers 9). Zijn eerste zendingsbrief begon hij met de woorden:
- ‘Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat brengen wij: het Woord dat leven is’ (1 Joh.1:1).
Toen had hij veel in de zichtbare wereld gezien en nauwkeurig verteld en weergegeven. Nu gaat hij opnieuw zorgvuldig opschrijven, maar nu wat de engel hem toont in de onzichtbare wereld.
3: ‘Gelukkig is wie dit voorleest en gelukkig zijn zij die deze profetie horen en zich houden aan wat hier gezegd wordt. Want de tijd is nabij’.
De Openbaring is een belangrijk boek. Door de woorden: ‘Gelukkig is wie dit voorleest en gelukkig zijn zij die deze profetie horen en zich houden aan wat hier gezegd wordt’, is het boek rechtstreeks gekwalificeerd als het Woord van God, want Jezus zegt: ‘gelukkig wie het Woord van God horen en het bewaren’ (Lucas 11:28). Er staat: ‘wie dit voorleest’, omdat niet allen in de tijd van Johannes lezen konden en deze geschriften in de gemeente voorgelezen werden. Men moet deze woorden niet alleen lezen, maar ook ter harte nemen en ernaar gaan handelen. Het begin van de vervulling was al in de dagen van Johannes aanstaande.
Een gesloten boek voor de weerspannigen

Voor veel kerkgangers is dit boek eeuwen lang gesloten gebleven, omdat zij de gaven van Gods Geest (1 Cor.12-14) verloren hadden of minachtten, geen visioenen ontvingen en de strijd en de overwinning in de hemelse gewesten niet kenden of wilden weten, net als vandaag. Het begin en het einde van dit boek komen overeen. Het eerste en het laatste hoofdstuk vormen als het ware de lijst, waarin de profetieën en visioenen over de gemeente gevat zijn. Zo staat er in hoofdstuk 22:7: ‘Gelukkig is wie zich houdt aan de profetie van dit boek.’ Vergelijk ook 1:8 met 22:13.
4: ‘Johannes aan de zeven gemeenten die in Asia zijn: genade zij u en vrede, van Hem Die is en Die was en Die komt en van de zeven Geesten, Die voor Zijn troon zijn,’

Als beeld van de gemeente van alle tijden en alle plaatsen worden de zeven gemeenten in Klein-Azië als voorbeeld genomen. Deze zeven symboliseren dus de gemeente van Jezus Christus zoals zij zich door de eeuwen in de hele wereld geopenbaard heeft en al van het begin af aan blootstond aan de verleiding, infiltratie en onderdrukking van satans demonen. Dit Bijbelboek is aan de gemeente gericht, zoals uit dit vers blijkt en ook uit hoofdstuk 22:16, waar staat: ‘Ik, Jezus, heb mijn engel gestuurd om jullie deze dingen bekend te maken voor de gemeenten.’ Dan volgt de zegengroet, een toebidden van genade en vrede. Er wordt gewezen op de schuldvergeving en op de vrede, die de vrucht ervan is en die samen de grondslag vormen van het leven en van de ontwikkeling van de gemeenten. Deze genade en vrede worden geschonken door de Vader als loon op het werk van Jezus Christus, terwijl Gods Geest deze dingen in het leven van de gelovigen uitwerkt en hierop voortbouwt.
God, De Vader, wordt hier aangeduid met de naam ‘Die is en Die was en Die komt’. ‘Die is en die was’ duiden op zijn eeuwig, onveranderlijk bestaan en wezen en ‘die komt’ wijst op zijn verhouding tot de mens. Hij komt door zijn Woord om de zonden te vergeven, om te redden en te verlossen en door zijn Geest om woning te maken in de harten van zijn volk, zodat zij deel hebben aan de goddelijke natuur. Met de gemeente van Jezus Christus komt Hij op de wolken, om door haar opnieuw redding en geluk op aarde te brengen. Hij blijft ‘komende’ tot Hij alles in allen zal zijn. De zeven geesten symboliseren Gods Geest, die over de hele aarde uitgezonden wordt (5:6) om woning te maken in de zeven gemeenten.
5: ‘en van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden en de Vorst van de koningen van de aarde, Hem Die ons heeft liefgehad en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed.’
Jezus Christus, het vleesgeworden Woord (Gods Logos, Joh.1:1), wordt hier ‘de betrouwbare Getuige’ genoemd, omdat hij nauwkeurig het wezen van de Vader en de bedoeling van God uitbeeldt, zijn plan uitvoert en zijn tempel bouwt (Hebr.1:1,2). In hoofdstuk 19:11 staat, dat Hij genoemd wordt: ‘Getrouw en Waarachtig’. Hij is getrouw bij het bouwen van zijn huis (Hebr.3:2). Jezus is de eerstgeborene van de nieuwe schepping. Hij is ook de eerste van deze schepping die met een verheerlijkt lichaam uit de doden verrezen is. Uit de dood werd een eeuwig levende voortgebracht. Hij is de aanvoerder van de nieuwe koningen van de aarde. Hieronder worden niet de wereldlijke schijnelites verstaan, maar degenen die Hij voor God gekocht heeft en die door Hem gemaakt zijn tot een koninklijk priesterdom. In Openbaring 19:16 voert Hij de naam: ‘Hoogste Heer en Koning’. Deze koningen regeren nu nog niet op aarde, maar zij zijn de losgekochten van de aarde, om later als koningen met Christus ook op de aarde te regeren (20:6).
Jezus betaalde de Losprijs aan satan: Zijn leven

Hij heeft ons lief, zoals er staat: ‘Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden’ (Joh.15:13). Zijn liefde werd geopenbaard toen wij nog zondaars waren, want Hij heeft met zijn bloed (dat is met zijn leven) onze schuld betaald en heeft ons tot rechtvaardigen gemaakt. Bovendien heeft Hij ons vrijgekocht uit de macht van de Satan en zijn demonen, zodat zij geen recht meer hebben ons te onderdrukken of te verleiden. Integendeel hebben wij, doordat wij in dienst van God zijn gekomen, het recht ontvangen over de zondegeesten te heersen.
6: ‘en Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader, Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.’
‘Wat Hij leeft, leeft Hij voor God en niet voor Zichzelf’. Wij zijn door Hem een koninklijk priesterdom tot glorie voor zijn God. Hij heeft ons gemaakt tot priesters en tot koningen; dus door de doop met Gods Geest, tot gezalfden. Na de verzegeling met deze doop met Gods Geest wordt van Christus en zijn gemeente gesproken als: de Gezalfde (11:15 en 12:10). Jezus heeft ons tot de Vader leren bidden:
- ‘Want van U is de kracht en de heerlijkheid’. Deze heerlijkheid en kracht heeft de Vader ook aan Jezus geschonken, want deze zit op de troon van zijn Vader. Hij zegt: ‘Alle dingen zijn Mij overgegeven door mijn Vader’ (Lucas 10:22). Hij zegt ook: ‘En de heerlijkheid die U Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven’ (Joh.17:22).
Jezus doet ons door de doop met Gods Geest, aan met kracht uit de hoogte. Deze heerlijkheid en kracht zijn voor eeuwig zijn deel. ‘Hem zij de glorie en de macht in alle eeuwen’, want Gods heerlijkheid is zijn heerlijkheid en Gods kracht is zijn kracht voor eeuwig en altijd. De lofprijzing voor de Zoon wordt bevestigd door een krachtig amen, dit wil zeggen: het zal waar en zeker zijn.
7: ‘Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem doorstoken hebben. En alle stammen van de aarde zullen rouw over Hem bedrijven. Ja, amen.’

Een wolk is het beeld van de gemeente. Hier wordt gesproken van wolken, dit wil zeggen van een wolkformatie, zoals er ook sprake is van kandelaars, twee getuigen, zeven gemeenten, levensgeboomte en de legers in de hemel. Allen beelden om de gemeente aan te duiden. Jezus is onafscheidelijk met zijn gemeente verbonden (14:14). Als de gemeente in de eindtijd, in een ondeelbaar ogenblik veranderd wordt en zich verenigt met de wolk, de gemeente van alle tijden, staat er: ‘voor het oog van hun vijanden’ (11:12). In de tijd die aan de opname voorafgaat, wordt van Jezus gezegd, dat Hij met verbazing gezien wordt in allen die tot geloof kwamen (2 Thess.1:10). In de geest ziet Johannes hoe zij die het beeld van de Zoon gelijkvormig geworden zijn, voor ieder zichtbaar de Heer tegemoet gaan.
De valse kerk die eenmaal Jezus verwierp en in het einde de getuigen zal doden ‘op het plein van de grote stad die in figuurlijke zin Sodom of Egypte heet, de stad waar ook hun Heer gekruisigd’ (11:8), zal dan zijn heerlijkheid en kracht zien. Dit verbasterd namaak christendom zal dan getuige zijn van wat opstanding en waarachtig leven zijn. Met de stammen of geslachten van de aarde worden niet Chinezen, Egyptenaren, Mexicanen of Nederlanders bedoeld, maar zij die bij de schijnkerken uit alle stam en natie horen, want deze leeft niet in de hemel, maar op de aarde als een zeer grote stad. In Openbaring 11:13 lezen wij over haar weeklacht. Men is bang en erkent de vinger van God, zoals bij Jezus’ sterven de menigten naar Jeruzalem terugkeerden en zich op de borst sloegen. Ook de hoofdman en zij die met hem Jezus bewaakten, ‘werden erg bang en zeiden: Werkelijk, dit was een Zoon van God’. Nu volgt nog een dubbele bevestiging, namelijk ‘ja en amen’.
8: ‘Ik ben de Alfa en de Omega,’ zegt God, de Heer, ‘Ik ben het die is, die was en die komt, de Almachtige,’

Dan spreekt de Heer door de profeet Johannes: ‘Ik ben de alfa en de omega’, dat wil zeggen het begin en het einde. De alfa en de omega zijn de eerste en de laatste letter van het Griekse alfabet. God is het begin en het einde van de schepping. In Openbaring 22:13 zegt Jezus, dat Hij de alfa en de omega is. Hij is (als het vleesgeworden Woord van God) het begin en het einde van de nieuwe schepping. Hier is dus het verschil tussen Schepper en Herschepper, tussen Spreker en Woord. Gods begin is van eeuwigheid en Jezus Christus is het begin van de nieuwe schepping (3:14). Als Woord van God is Jezus echter van eeuwigheid in de schoot van de Vader en op deze manier ook bij de eerste schepping betrokken. Door het Woord heeft God immers het universum geschapen (Hebr.1:2). Johannes herhaalt nu de naam van God, die in het oude verbond luidde: ‘Ik ben, die Ik ben’ en nu: ‘Die is en die was en die komt’. Hij voegt eraan toe: ‘De Almachtige’, omdat niets van wat in dit boek beschreven wordt, buiten Hem omgaat, maar naar zijn plan zich door zijn macht ontwikkelt.
9: ‘Ik, Johannes, die ook uw broer ben en deelgenoot in de verdrukking en in het Koninkrijk en in de volharding van Jezus Christus, was op het eiland genaamd Patmos, om het Woord van God en het getuigenis van Jezus Christus.’
Johannes richt zich tot hen aan wie hij de boodschap moet doorgeven. Hij heeft drie dingen met hen gemeen: de verdrukking die onafscheidelijk verbonden is met het ingaan in het Koninkrijk (Hand.14:22); het deelgenootschap aan de hemelse roeping en het overgezet zijn uit de duisternis in het licht van het Koninkrijk. Hij is ook deelgenoot in de volharding die nodig is om de wil van God doende, te ontvangen wat beloofd is. Johannes volhardde in Jezus, dat wil zeggen hij bleef in zijn Woord, zoals de Heer vermaand had, toen de apostel nog bij Hem was: ‘Blijf in Mij, zoals Ik in u’. Johannes was gevangen op Patmos, een eilandje tegenover Klein-Azië, het gewest waarin de zeven gemeenten lagen. De reden van zijn gevangenneming was zijn boodschap en zijn getuigen van Jezus’ leven, dood en opstanding, zoals hij schreef:
‘Wat wij gezien en gehoord hebben, vertellen we ook aan u, zodat ook u met ons verbonden bent’ (1 Joh.1:3).