Gemarteld en gedood vanwege de Bijbelse doop in water

De Haringspakkertoren – Amsterdam

  • ‘En nu, wat aarzelt u nog …’ (Handelingen 22:16).

We lezen op internet over een bijeenkomst van vrouwen van de Gereformeerde Gemeenten waar een spreker probeerde de aanwezige vrouwen en meisjes de betekenis van de Bijbelse doop uiteen te zetten. Hij bedoelde daar eigenlijk mee dat baby’s besprenkeld moeten worden. Hij keurde duidelijk de enige Bijbelse doop af, want hij zei:

  • ‘Allen die de babybesprenkeling verwerpen, zien niet wat de kerk eigenlijk is. De kerk is géén vereniging met Christus als voorzitter, waarvan je door ’een persoonlijke keuze’ lid wordt. De kerk is een volk. Door je geboorte hoor je bij dat volk’.

Deze spreker – en met hem veel protestanten – denken dat vanwege ‘het verbond met Abraham’ een baby het liefst zo vroeg mogelijk besprenkeld moet worden. Maar dit een on-Bijbelse gedachte. Er staat immers: ‘Wie gelooft en zich laat dopen’ in de Bijbel. Dus eerst moet iemand geloven (een baby gelooft nog niet) en daar volgt dan de doop IN water op. Iedere volwassene kan door bekering en geloof een kind van God worden. Als zichtbaar teken getuigt hij dan met zijn doop voor God, de engelen, de gemeente én voor de demonen dat hij opnieuw geboren is.

De keus voor de doop IN water heeft in het verleden – en ook nu nog steeds – scheiding gebracht tussen degene die zich bekeerd heeft en zijn directe omgeving (we spreken uit ervaring…). Maar wie het hele Bijbelse Fundament in zijn leven wil leggen, ziet voorbij aan de haat die er ontstaat. Hij mag vasthouden aan het verhaal van Paulus’ bekering en de oproep die Ananias in Damascus aan hem deed:

  • ‘Wat aarzelt u nog? Sta op, laat u dopen!’ (Hand.22:16).

Het is immers niet wáár dat men door geboorte een kind van God wordt: ‘Voorzeker, Ik zeg u’, zei Jezus tegen Nicodémus, ‘tenzij iemand opnieuw geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien…..’

Elisabeth Dirksdochter

Hieronder hebben we het ontroerende getuigenis van Elisabeth Dirksdochter geplaatst. Zij werd in het jaar 1549 in een zak gestopt en verdronken, omdat zij weigerde haar volwassendoop IN water te verloochenen. Vanuit de Haringpakkerstoren werden veel martelaars in het IJ gegooid en verdronken. Elisabeth Dirksdochter was één van de honderden doperse martelaren die in Nederland hun leven offerden voor de zaak van de Heer. Zij kwam uit een welgesteld gezin. In het klooster Tienge bij Leer (Oost-Friesland) was zij op kostschool geweest en had daar o.a. Latijn geleerd. Daar kwam zij in aanraking met de doperse opwekking rondom Menno Simons. Zij liet zich dopen en aanvaardde daarvan de volle consequenties.

  • ‘Dit is de belijdenis van een teer meisje, genaamd Elisabeth, die een begijn was geweest, die in Leeuwarden gevangen en gedood is. In het jaar 1549….’,

Zo begint haar verhaal, opgetekend door een geschiedschrijver. Uiteraard was dit geschreven in het Oudhollands, maar vanwege de leesbaarheid hebben we dit verhaal vertaald in modern Nederlands:

‘Op 15 januari 1549 werd Elisabeth gevangen genomen. Toen degenen die haar gevangen moesten nemen in haar huis kwamen, vonden zij daar een Latijns Testament. Toen zij Elisabeth gepakt hadden, zeiden zij: ‘Nu hebben wij de juiste persoon; wij hebben nu de lerares’. Vervolgens vroegen zij haar: ‘Waar is uw man, die leraar Menno Simons?’ Zij brachten haar naar het raadhuis. De volgende dag brachten twee Witkappen (monniken) haar naar het ‘Blokhuis’. Toen zij verhoord werd, begon men haar te vragen of zij onder ede wilde verklaren of zij een man had. Elisabeth antwoordde: ‘Wij horen niet te zweren, maar ons ja is ja en ons nee is nee: en nee, ik heb geen man.’

Het verhoor

  • De ‘Heren’ (‘rechters’) zeiden: ‘Wij weten dat je een lerares bent, die veel mensen verleidt. Daarom willen wij van u weten wie uw vrienden zijn.’ Elisabeth antwoordde: ‘Mijn God heeft mij geboden dat ik mijn Heer en mijn God zal liefhebben. Dat houdt in dat ik ook mijn ouders moet eren en daarom zal ik u niet vertellen wie mijn (geestelijke) ouders zijn.’ 

 

  • De ‘Heren’: ‘Daarover zullen wij je dan niet langer lastig vallen, maar wij willen weten welke mensen je lesgegeven hebt.’
  • Elisabeth: ‘Och nee, mijne Heren, laat mij toch met rust op dat punt. Vraagt u mij naar mijn geloof, want daarvan wil ik graag getuigen.’

 

  • De ‘Heren’: ‘Wij zullen je wel zó bang maken, dat je het ons vertellen zult.’
  • Elisabeth: ‘Ik hoop op de genade van God, dat Hij mijn tong bewaren zal, zodat ik geen verraadster word en mijn broers en zusters niet ten dode laat opschrijven.’

 

  • De ‘Heren’: ‘Welke mensen waren erbij toen je gedoopt werd?’
  • Elisabeth: ‘Christus leert ons dat men hen moet vragen die erbij waren of die het gehoord hebben.’

 

  • De ‘Heren’: ‘Wat is je mening over de kinderdoop, waardoor je je opnieuw hebt laten dopen?’
  • Elisabeth: ‘Nee, mijne Heren, ik heb mij niet opnieuw laten dopen. Maar ik heb mij laten dopen op mijn geloof, want er staat geschreven dat de gelovigen de doop toekomt.’

 

  • De ‘Heren’: ‘Zijn onze kinderen dan verdoemd, omdat zij gedoopt zijn?’
  • Elisabeth: ‘Nee, mijne Heren, het komt niet in mij op om kinderen te veroordelen.’

 

  • De ‘Heren’: ‘Zoek je je behoud dan niet in de doop?’
  • Elisabeth: ‘Nee, mijne Heren, al het water van de zee zou mij niet kunnen zalig maken, maar mijn behoud is in Christus.’

De marteling

Omdat ze geen grip op Elisabeth konden krijgen, werd het meisje naar de toren gebracht onder leiding van Meester Hans, de beul.

  • De ‘Heren’: ‘Wij zijn nu zo lang met goedheid te werk gegaan en omdat je nog steeds niet herroepen wilt, zullen wij nu hardere maatregelen nemen.’
  • De Procureur-generaal zei: ‘Meester Hans, pak haar beet.’
  • Meester Hans zei echter: ‘Och nee, mijne Heren, zij zal toch wel vrijwillig willen herroepen.’
  • Toen Elisabeth dat echter niet deed, legde men haar de duimschroeven aan. Vanwege de pijn en het bloed, zei Elisabeth: ‘O, ik wil niet langer pijn lijden.’
  • De ‘Heren’: ‘Belijd je schuld, dan zullen wij je pijn verlichten.’
  • Maar Elisabeth riep tot de Heer haar God: ‘Help mij o Heer, uw arme dienstmaagd, want U bent een Helper in nood.’
  • De ‘Heren’: ‘Wij hebben gezegd dat je schuld moet belijden, niet dat je tot God de Heer moest roepen.’
  • Daarop verlichtte God haar pijnen, zodat Elisabeth tot de rechter zei: ‘Vraag mij, want ik voel helemaal geen pijn meer in mijn vlees.’

De ‘Heren’ en de beul gingen nog verder met de marteling, ze gingen zo ver dat Elizabeth flauw viel. Eén van hen zei: ‘Misschien is zij dood’. Maar Elisabeth kwam weer bij en zei: ‘Ik leef en ben niet dood.’ Vervolgens maakte men haar los en probeerde haar met vleiende woorden over te halen.

  • ‘De Heren’: ‘Alle woorden die je hier gesproken hebt, wil je nu toch wel herroepen?’
  • Elisabeth antwoordde: ‘Nee, mijne Heren, maar ik wil ze bezegelen met mijn dood.’
  • ‘De Heren’: ‘Wij zullen u niet meer pijnigen, als u ons zeggen wilt door wie u gedoopt bent.’
  • Elisabeth: ‘Nee, mijne Heren, ik heb u immers gezegd dat ik dat niet vertellen wil.’

Hierna werd het vonnis over Elisabeth uitgesproken. Op 27 januari 1549 is zij ter dood veroordeeld vanwege haar geloof en heeft zo haar leven niet liefgehad tot in de dood (Openbaring 12:11).