3. Duisternis en licht

<<<<<

Verkilde liefde

‘En doordat de wetteloosheid zal toenemen, zal de liefde van velen verkillen’ (Matth.24:12).

In de kerk die zich naar Christus noemt, zou de wetsverachting toenemen en de liefde van de meesten verkillen (verg. de wereldraad van kerken). In Openbaring 2:4 wordt van de gemeente te Efeze gezegd, dat zij haar liefdesgemeenschap in de hemelse gewesten kwijtgeraakt was. Haar leden waren van een hoogte neergestort, namelijk van de onzienlijke wereld in de zienlijke. Zij leefden niet meer vanuit de liefde en de kracht van God, maar waren op aards niveau terechtgekomen. De mond van de waarheid, Jezus Christus, voorspelde een algemene teruggang, die in verband zou staan met de wetteloosheid en het dichtschroeien van het door God ingeschapen geweten. Het christendom zou niet meer leven naar de wet van Gods Geest. Het zou wel veel spreken over liefde, maar alleen over die van de natuurlijke mens en niet over de liefde van God, die door Gods Geest is gegeven.

De gaven van Gods Geest

In het begin hadden de christenen door de kracht van Gods Geest werken gedaan, die gebaseerd waren op de liefde tot God en tot de naaste. Maar dit oorspronkelijke model dat de Heer door eigen leven bij het begin van het nieuwe verbond getoond had, werd snel losgelaten. De liefde voor de broers en zusters en de gaven van Gods Geest vormen de weg ‘die nog veel verder omhoog voert’ (1 Cor.12:31). Waar deze beiden samenwerken, wordt de gemeente werkelijk gediend en opgebouwd. Zij openbaren zich alleen in Gods kinderen, bij een wandel en bij een strijd in de hemelse gewesten. Alleen de wet van de Geest van het leven maakt vrij (Rom.8:2). Wanneer deze in de gemeente functioneert, worden gebondenen bevrijd, zieken genezen en ontstaat de mogelijkheid het voorgestelde doel van de volkomen volwassenheid te bereiken.

Wanneer men de naaste liefheeft, wil men hem in zijn nood helpen. Alleen door het bezit van de geestelijke gaven is men hiertoe in staat. Dan werpt men duivelen uit, zodat de ongerechtigheid gestuit wordt en door de doop met Gods Geest kan zo’n bevrijde ook zelf een overwinningsleven leiden. Het woordje ‘velen’ in deze tekst wijst er duidelijk op, dat het verbasteringsproces algemeen zal zijn. Het gaat hier niet over enkele extreme groepen en sekten die de geboden van Jezus verachten, maar over de grote massa die geen enkele notie meer zal hebben, wat eigenlijk de bedoeling van het evangelie van Jezus Christus is.

‘Maar wie volhouden zal tot het einde, die zal gelukkig worden’ 13.

Opgemerkt wordt dat alleen zij die het einddoel van het geloof onafgebroken zullen blijven nastreven, gelukkig zullen worden, dus het volkomen herstel van lichaam, ziel en geest zullen ervaren. De apostel Paulus scheef vanuit zijn gevangenis aan de Filippenzen: ‘Maar één ding doe ik’! In Filippenzen 3:14 drukt de apostel het allesbeheersende in zijn leven uit, met de woorden: ‘Vergetende wat achter mij ligt en mij uitstrekkend naar wat vóór mij ligt, jaag ik naar het doel’ (de volmaaktheid). Ondanks de aangekondigde afval zal het plan van God met de mens toch doorgaan. Er is immers ook een machtige pinksterbelofte, die het mogelijk maakt het voorgestelde doel te bereiken: ‘Het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alles wat (voor God) lééft.’

‘En dit Evangelie van het Koninkrijk zal in heel de wereld gebracht worden tot een getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde komen’ 14.

Jesaja drukt de toekomst van de ware gemeente uit in de woorden:

  • ‘Sta op en schitter, je licht is gekomen, over jou schijnt de luister van de Heer. Duisternis bedekt de aarde en donkerte de naties, maar over jou schijnt de Heer, zijn luister is boven jou zichtbaar. Volken laten zich leiden door jouw licht, koningen door de glans van je schijnsel’ (60:1-3).

De Heer beloofde dat het evangelie van zijn Koninkrijk over de hele aarde gebracht zal worden (Matth.24:14). Het gaat hier om het ‘evangelie van het koninkrijk’ zoals de Heer zelf had gebracht:

  • ‘Hij trok rond in heel Galiléa; Hij gaf er onderwijs in de synagogen, bracht het goede nieuws van het koninkrijk en genas iedere ziekte en elke kwaal onder het volk. Het nieuws over Hem verspreidde zich in heel Syrië. Allen die ergens aan leden en die gekweld werden door een ziekte of door pijn en ook bezetenen en maanzieken en verlamden werden bij Hem gebracht en hij genas hen’ (Matth. 4:23,24).

Is het niet treurig, dat degenen die zich bezig houden met de laatste dingen en met de toekomst van de Heer, juist de grote vijanden zijn van het evangelie van het Koninkrijk door hun bewering, dat deze tekens en wonderen tot herstel van de mens niet meer voor onze tijd zijn? Zij brengen een Jezus, die geheel anders is dan die uit de evangeliën. Als nooit bekeerden zonder Bijbels Fundament, doen zij maar wat!

De zonen van God, die met Gods Geest verzegeld zijn, zullen het evangelie van het Koninkrijk brengen. Dit ‘gerucht’ zal tot aan het einde van de wereld doordringen: Jezus redt, geneest, doopt met Gods Geest en Hij voert de mens tot de volkomenheid. Deze dienstknechten van God hebben de wetten van Gods Geest in hun verstand en in hun hart (Hebr.8:10). Zij spreken zoals Jezus sprak en doen werken, die Hij deed en nog grotere (Joh.14:12). Op de hele aarde zal de vrucht van deze boodschap geopenbaard worden. Dan zal het ‘einde (einddoel) gekomen zijn’ en zal blijken wat de kracht van Gods Geest in de mens bewerken kan. De beschadigden, de verminkten en de ontoerekenbare mensen zullen met dit evangelie van het Koninkrijk geconfronteerd worden en ook zij kunnen binnengaan. Daarom schamen wij ons niet voor dit evangelie, ‘want het is een kracht van God tot behoud voor iedereen die gelooft’ (Rom.1:16).

De verwoesting van Jeruzalem

‘Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarover gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan op de heilige plaats – laat hij die het leest, daarop letten! Laten dan zij die in Judea zijn, vluchten naar de bergen. Wie op het dak is, moet niet naar beneden gaan om iets uit zijn huis te halen en wie op de akker is, moet niet terugkeren naar wat hij achterliet om zijn kleren te halen. Maar wee de zwangeren en de zogenden in die dagen! En bid dat uw vlucht niet zal plaatsvinden in de winter en ook niet op een sabbat’ 15-20.

Het zal wel nacht geweest zijn, toen Jezus zijn toespraak op de Olijfberg uitsprak. Overdag leerde Hij immers in de tempel en Pasen valt bij de Joden in de tijd van de volle maan. Wanneer het heldere maanlicht de witte stenen van de tempel verlicht, is alles vredig en stil. Bij dit vergezicht lijkt de profetie over het gruwelijke einde wel zeer onwaarschijnlijk. Politiek gezien was Jeruzalem onder de bescherming van Rome met zijn legioenen veiliger dan ooit tevoren. Nog steeds was de tempel niet voltooid en wie dacht aan zijn verwoesting? De heidenen respecteerden dit heiligdom en een verzonnen islam bestond nog niet. De Joden waren eensgezind in alles wat de tempeldienst betrof. Toch zouden de stad en de tempel verwoest worden. Zou God dit dan toestaan? Zou Hij deze heiligschennis gedogen?

De Heer bracht zijn leerlingen in gedachten dat deze ontheiliging van stad en tempel ook vroeger al voorspeld was. Ongetwijfeld zou dan opgemerkt kunnen worden, dat een psalm zoals Asaf deze dichtte: ‘Jeruzalem, de tempel, uw altaren, het ligt al verwoest’ betrekking had op de ondergang van de stad in de tijd van Nebukadnezar. Daarom citeert de Heer Daniël. Deze profeet leefde tijdens de ballingschap. In Daniël 9:2 staat, dat hij ‘lette’ op wat Jeremia voorspeld had over de eerste verwoesting van Jeruzalem. Maar Jezus zegt: ‘Let nu op, wat Daniël profeteerde’. Deze zei in hoofdstuk 9:27, dat de offerdienst gestaakt zou worden en ‘op een vleugel van gruwelen een verwoester zou komen’.

Een vleugel beeldt kracht uit. God zegt bijvoorbeeld tot zijn volk: ‘Ik heb u op arendsvleugels gedragen’, dit wil zeggen: door mijn kracht. De vleugels van een vogel komen overeen met de armen van een mens. Gods arm beeldt uit zijn kracht, die verlossing, bescherming en beschutting aan zijn volk geeft. Hier wordt gesproken over de komst van een verwoester, wiens kracht gruwel en ontheiliging zou brengen. Dit moest dus zien op een tweede catastrofe. Ook op andere plaatsen spreekt Daniël over een verschrikkelijke ondergang van stad en tempel (11:31 en 12:11).

Stad en tempel verwoest door de Romeinen

Het ongelooflijke zou gebeuren: Terwijl de orthodoxie bezig was steeds meer verordeningen en voorschriften te scheppen ‘in de dienst van de Heer…’ en de priesters voortgingen hun offers te brengen, zou plotseling het verderf komen. Zo zijn in het jaar 70 de Romeinse legioenen opgetrokken en zij hebben hun banier (de Romeinse adelaar) op het heiligdom van de Heer te Jeruzalem geplant, waardoor de tempel werd ontheiligd, die ze daarna verwoest hebben net als de stad.

De leerlingen ‘hadden gevraagd: ‘Wanneer zal dit gebeuren?’ Maar er is geen waarschuwingsteken. Het ongeluk komt snel en onverwacht. Wie op het platteland in Judea, de naderende legers opmerkt, moet geen schuilplaats zoeken in de stad, maar zo snel mogelijk naar de bergen vluchten. Wie in de stad op het platte dak van zijn huis is, heeft geen tijd meer om naar binnen te gaan en zijn bezittingen bij elkaar te rapen. Hij kan alleen maar langs de buitentrap zo snel mogelijk de straat op en het veld invluchten. De aanstaande moeders die een kind onder het hart dragen en allen die voor anderen verantwoordelijk zijn zoals de zogenden, zullen het bijzonder moeilijk hebben en bijzondere kracht nodig hebben om te ontkomen. Mocht de ramp in de winter gebeuren, dan zullen de winterregens de wegen onbegaanbaar maken en het overnachten in de open lucht bemoeilijken. Zij die de profetieën van Jezus geloven, mogen daarom bidden dat hun vlucht niet in de winter valt en ook niet op een sabbat (vers 20).

Stel je voor dat je moet vluchten op een sabbat. Men wil dan uit het midden van de geen kwaad vermoedende volksgenoten, met zijn gezin bepakt en bezakt, wegtrekken. Hoe zal de fanatieke, nationalistische buurt, reageren op deze wetten verachtende landverraders? Waar zullen zij voedsel en water kunnen kopen op de sabbat? Al deze waarschuwingen laten duidelijk uitkomen, dat het onheil plotseling over de stad zal losbarsten en dat er geen tekens van de tijden zouden zijn. ‘Denk aan de vrouw van Lot!’ (Lucas 17:32).

Josephus Flavius schrijft over deze verwoesting:

  • ‘In maart van het jaar 70 na Christus begon Titus de aanval tegen Jeruzalem. De stad werd volledig omsingeld en geïsoleerd. Jezus had voorspeld: ‘Zodra u nu Jeruzalem door legerkampen omsingeld ziet, weet dan dat zijn verwoesting nabij is’ (Lucas 21:20,21). De stad die eens Ur-u-shalem, ‘stad van de vrede’ heette, werd nu het toneel van een verschrikkelijk geweld. De verbetenheid aan beide zijden was groot. Vooral de felheid waarmee de joodse verdedigers vanaf de muren en bastions vochten, veroorzaakte onder de Romeinen zeer grote verliezen. Josephus Flavius, de gevangen joodse bevelhebber, bevond zich in het kamp van Titus en beschreef de toestanden als een verschrikkelijk inferno. Hij zei:  ‘Al het schoons is in een woestenij veranderd’. Onbeschrijfelijke taferelen van honger, ziekten, gewonden, doden, hebzucht, roof, brand en vernietiging speelden zich af…’

In Lucas 21:23 wordt nog gezegd dat er toorn over het volk zou zijn en dat velen gedood zouden worden of als gevangenen zouden worden weggevoerd. Het Joodse volk zou dus in dezelfde positie komen als de heidenen, want ook op dezen rust de toorn van God en ze zouden bovendien onder deze heidenen verstrooid worden. Alleen door het geloof in Jezus Christus wordt deze toorn individueel (en niet voor het hele volk) weggenomen, zowel van Jood als van heiden (Joh.3:36). Als natie zou voor Israël gelden wat ook voor de andere onbekeerde volken opgaat: ‘De toorn is over hen gekomen tot het einde’ (1 Thess.2:16). Ook de ongehoorzamen zullen hun einddoel bereiken, dat wil zeggen dat zij zich openbaren zullen als de rijpe vrucht van de ongerechtigheid.

‘Terwijl Jeruzalem vertrapt zal worden door heidenen, tot de tijd van de heidenen voorbij is’ (Luc.21:24).

Voor de natiën en voor Israël geldt in onze tijdsperk: ‘Want God heeft hen allen in ongehoorzaamheid opgesloten om Zich over allen te ontfermen’ (Rom.11:32). Er is geen onderscheid meer tussen Jood en heiden. God heeft Israël niet weggedaan voor zijn aangezicht zoals de afgevallen engelen en Hij heeft Jeruzalem niet ‘verstoten’, maar op één lijn gesteld met de andere volken. God heeft aan zijn volk het eerstgeboorterecht ontnomen (Ex.4:22) en hen gelijk gesteld met de anderen en dit eerstgeboorterecht gegeven aan een volk, dat zijn vruchten wél voortbrengt:

  • ‘Hij wilde ons door het vertellen van de waarheid tot leven roepen, om ons de eersten te maken in zijn schepping’ (Jac.1:18).
  • ‘Daarom zeg ik u: het koninkrijk van God zal u worden ontnomen en gegeven worden aan een volk dat het wel vrucht laat dragen’ (Matth.21:43).

Wie leest: ‘Jeruzalem zal door de heidenen vertrapt worden, totdat de tijden van de heidenen voorbij zullen zijn ‘en dan komt héél Israël tot bekering..,’ voegt er iets aan toe. Hij laat zijn eigen verwachtingen bij de uitleg van deze tekst prevaleren. Wanneer in onze tijd Jeruzalem in handen van de Joden is, hoort dit volk ook nu bij ‘de onbesnedenen van hart en oren’, net als in de tijd van Stefanus (Hand.7:51). De uitspraak die Jezus eenmaal deed m.b.t. de natuurlijke kinderen van Abraham, geldt nu nog: ‘Jullie zijn uit uw vader, de duivel’, wat verder ook gezegd kan worden van allen die de Zoon ongehoorzaam zijn (Op.20:14,15).

De ondergang en schaduw

Na de uittocht van de christenen uit Jeruzalem en na zijn verwoesting, houdt Israël op om beeld te zijn van de kerk. Na de ondergang van deze stad zijn er dan ook geen profetieën meer, die aan haar vervuld worden, maar in Christus zijn ze alle JA en AMEN en in hen die van Christus zijn. Van nu af aan worden de profetieën in hun hemelse werkelijkheid vervuld en heeft de schaduw afgedaan. Wanneer sprake is van een nieuw Jeruzalem, daalt dit neer uit de hemel en wordt het dus niet herbouwd op de aarde.

Het nieuwe Jeruzalem

De beloften en zegeningen, eenmaal uitgesproken over het ware volk van God, zijn nu voor het geestelijk Israël van God van het Nieuwe Testament. De waarschuwingen en bezoekingen uitgesproken over het afvallige Israël, gelden nu de dwaalkerken, het grote Babylon van het nieuwe verbond. Het is dwaas om te beweren dat de gemeente de rijke beloften van Israël wegneemt om ze zichzelf ’toe te eigenen’. De beloften zijn altijd alleen geweest voor het gehoorzame en gelovige deel van het volk. Ook is het dwaasheid te beweren dat men dan Israël met de vloek zou laten zitten, omdat deze vloek op alle ongehoorzamen rust. Iedere bekeerde Jood hoort bij het Israël van God en voor hem is iedere vloek weggenomen en zijn alle beloften van kracht.

Nog verschrikkelijker is het om de Nieuwtestamentische profetieën over de grote verdrukking alleen toe te wijzen aan het Joodse volk en om naar de algemene opvatting in de maranathabeweging, van de Joden tweederde te laten uitroeien en het derde deel nog in het vuur van de loutering onnoemelijk te laten lijden, terwijl men de valse kerken, bewust niet wil noemen!

>>>>>