
Jezus wil – door Zijn evangelie – de mens binnen de grenzen van het Koninkrijk van God brengen. Dat Koninkrijk betekent vrede, gerechtigheid en blijdschap. Zijn evangelie heeft in de eerste plaats het totale herstel van de mens als doel. Daarom waren genezingen en bevrijdingen onafscheidelijk met Zijn woorden verbonden: zij waren de realisatie van Zijn leer. Zijn woorden en werken zorgen er ook nu nog voor dat de mens God kan dienen met zijn hele hart, ziel en met al zijn kracht. Maar dan moet hij niet meer afgeremd of innerlijk verdeeld zijn, hij moet niet een gedeelte van zijn levenskracht bewust of onbewust in dienst stellen van de satan.
- Ziekte rooft de levenskracht, zodat men geen volwaardige werker van God kan zijn;
- zonde steelt zijn gerechtigheid, zijn geluk en zijn gemeenschap met God;
- leugen brengt zijn geest op dwaalwegen, zodat hij niet het gestelde doel bereikt, maar in verwarring en onvrede terechtkomt.
Om die reden werden de woorden van Jezus gevolgd door manifestaties in de geestelijke wereld. En dat zal ook van daag zo moeten zijn: demonen zullen uitgeworpen worden, zieken genezen en gebondenen bevrijd. Door de leer van het Koninkrijk van de hemelen ontvangt de mens inzicht om te herstellen. Alleen op die manier kan hij Jezus Christus dienen als Zijn medewerker.
Geen sensatie
In Mattheus 12:15 wordt verteld dat allen die Jezus volgden en door Hem genezen werden, niet mochten vertellen wie Hij was. Jezus wilde dus niet dat men reclame met Hem maakte als genezer. Waarom niet? Omdat zijn optreden principieel verschilde met dat van de geestelijke leiders in zijn tijd, net als vandaag. Deze mannen lieten hun leer juist opvallen door hun imponerende verschijning. Iedereen moest direct kunnen zien dat zij ‘mannen van God’ waren. Ook nu zien we mannen en vrouwen in ‘indrukwekkende soepjurken’ voortschrijden in alle ernst. Op die manier willen ze de mensen laten geloven dat zij wel een heel speciaal lijntje hebben met hun god. Maar het Koninkrijk van de hemelen komt niet met uiterlijk vertoon.
Jezus wilde geen aandacht, Hijzelf was niet op zoek naar aanzien. Alleen Zijn boodschap was belangrijk. Voor Hem golden de woorden:
- ‘Wie gelooft mijn boodschap?’
Wie van allen die Hem hoorden, aanvaardde zijn leer over het Koninkrijk van de hemelen? Wie volgde Hem in zijn denkwereld? Zijn aanzien als leraar was zonder gestalte en grootheid. Om zijn voorkomen en uiterlijk zou men Hem niet geliefd hebben, maar zijn leer ging gepaard met een enorm gezag in de onzienlijke wereld. Tegen zijn volgelingen zegt Hij echter, ook nu: ‘Ik heb u macht gegeven!’ (Lucas 10:19).
Wanneer men Jezus in de zichtbare wereld als mens omhoog wilde werken en hem koning wilde maken, maakte Hij Zich daarvan los en ontweek de enthousiaste menigte. Hij accepteerde niet dat men de aandacht op zijn persoon vestigde. Hij was nederig; Hij was gekomen om te dienen en niet om gediend te worden. Hij liet zijn stem niet horen op de pleinen en liet Zich daar niet aanbidden. Hij liet zelfs geen enkele persoonsbeschrijving voor ons na, maar zijn volgers waren gegrepen door de grootheid van zijn innerlijke mens en zij bleven bij Hem, omdat Hij de woorden had van het eeuwige leven:
- ‘Zij hadden zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de enig geborene van de Vader, vol van genade en waarheid’ (Joh.1.14).
Jezus bracht geen leer van de aarde, maar van de hemel. Hij gaf inzicht in het Koninkrijk van de Vader, maar ook in het koninkrijk van satan. Hij verwachtte van zijn leerlingen dat zij tijdens zijn leven niets over zijn wonderen zouden vertellen; die waren niet primair. Alleen Zijn boodschap was belangrijk. Zijn wonderen volgden echter noodzakelijkerwijze op zijn evangelie. De mensen die tot geloof in Hem kwamen, zeiden daarom:
- ‘Zal de Christus, wanneer Hij komt, soms meer tekens doen dan deze gedaan heeft?’ (Joh.7.31).
Jezus’ verzoeking in de woestijn

Bij het begin van Jezus’ optreden probeerde de duivel Hem te verleiden om Zich door een stunt bij het volk te introduceren. Er zou een opzienbarend wonder gebeuren, als Hij Zich van de rand van de tempel stortte. Deze gedachtegang neemt men ook nu graag over, als men gelooft dat de Heer zulke manifestaties nodig had om Zich als de Christus te openbaren. Op deze manier zal zich echter de antichrist aandienen door allerlei krachten, tekens en bedrieglijke wonderen. Jezus vermeed echter alles wat de aandacht trok. Hij was alleen een brenger van het evangelie van de onzienlijke wereld. Hij hield Zich ook niet bezig met openbare discussies, want ‘Hij zou niet ruziën of schreeuwen’.
Jezus gaf door zijn leer inzicht in de wezenlijke zaken en Hij toonde de achtergronden van goed en van kwaad. Hij brak de onzienlijke wereld voor de mens open en bracht ‘het oordeel uit tot overwinning’, dit wil zeggen dat Hij een scheiding tussen goed en kwaad in de innerlijke mens veroorzaakte, want Hij verdreef satans demonen. Op deze manier genas Hij ook zieken, want Hij bande de ziektemachten uit, die het organisme van de mens onder druk zetten en beschadigden. Hij doofde de walmende vlaspit niet uit, maar blies het sprankje leven, dat nog in de mens gebleven was, weer aan. Hij verbrijzelde het ‘verbroken riet’ niet, maar richtte het op, want God heeft immers geen plezier in wat verbroken is, maar herstelt juist alles.
De boodschap van onze Heer samen ging met wonderen. Deze gingen echter niet vooraf, maar volgden op zijn boodschap. Zij toonden aan dat zijn leer over het herstel van de mens ook werkte. Jezus leerde de mens niet alleen zijn vijand in de onzienlijke wereld kennen, maar Hij openbaarde ook de kracht van Gods Geest die in zijn Koninkrijk werkt en die overwint. Het volk dat Hem hoorde en bezig zag, begreep heel goed deze volgorde, want toen het de wonderen zag, vroeg het:
- ‘Wat is dit? Een nieuwe leer met gezag!’ (Marcus 1.27).

Eerst bezat alleen Jezus deze onzichtbare inwonende Geest van God, maar sinds Pinksteren zijn er opnieuw geboren christenen met Gods Geest gedoopt. Zij geloven in de leer die Jezus bracht, die van het Koninkrijk van de hemelen. Zij merken ook op dat de tekens die Hem volgden, zijn volgelingen ook volgen (Marcus 16:17). De Heer stelt geen speciale duiveluitdrijvers aan, zoals Hij apostelen, profeten, herders, leraars en evangelisten aanstelt. Waar zijn evangelie gebracht en aanvaard wordt, zal men zien dat de demonen van de duisternis wegvluchten, omdat de kracht van Gods Geest aanwezig is en omdat de ware gelovigen hun zintuigen geoefend hebben in het onderscheiden van goed en kwaad. Iedere opnieuw geboren christen zal daarbij moeten meewerken aan het herstel van hen, die Jezus willen volgen. Dit herstellen (uitdrijven van demonen en zieken genezen) gebeurt niet door een paranormale kracht, maar door Gods Geest. Daarom kon bijvoorbeeld Petrus zeggen:
- ‘En op het geloof in zijn Naam heeft zijn Naam deze, die u ziet en kent, sterk gemaakt en het geloof door Hem heeft hem dit volkomen herstel gegeven’ (Hand.3:16).
Als het inzicht over de geestelijke wereld toeneemt, komen er meer tekens, die meewerken aan het herstel van de mens. Jezus had als taak het openbaren van de geheimen van het Koninkrijk van de hemelen te openbaren en de gedachten van God over de mens bekend te maken. Jezus toonde Zijn leerlingen de onzienlijke wereld. Hij vertelde dat God niet wil dat er een mens verloren gaat, dus door satans demonen overweldigd wordt. God wil dat wij volmaakt zullen zijn zoals Hij zelf volmaakt is. Jezus leerde Zijn leerlingen bidden, dat is bezig zijn in de hemelse gewesten en daar te leven, te strijden en te overwinnen. Hij vertelde over de nieuwe geboorte of de vernieuwing van het denken door het eeuwige woord van God. En al die inzichten heeft Hij ook aan ons doorgegeven. Zodat ook wij dit evangelie mogen aannemen en vandaar uit leven voor God.
Jezus liet zien dat godsdienstige leiders met hun orthodoxe leugens de satan tot vader hebben. Hij liet ook de weg zien waarlangs degenen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, kinderen van de hemelse Vader kunnen worden. Hij leerde hoe zieken en gebondenen verlost kunnen worden van de machten van de duisternis en hoe zij, die in de leugen verstrikt zijn, door de waarheid vrijgemaakt kunnen worden. Jezus heeft voor de eerste maal in de geschiedenis de geheimen van het Koninkrijk van de hemelen ontsluierd. Hij deed dit door het vertellen van gelijkenissen. Dit was Zijn opdracht. Hij bracht een nieuwe leer:
- ‘Zo werd vervuld wat gezegd is door de mond van de profeet: Ik zal mijn mond openen in gelijkenissen, Ik zal uitspreken wat verborgen was vanaf de grondvesting van de wereld’ (Mattheüs 13:35).
In het oude verbond wist men niet dat God nog een hoger doel met de mens had dan alleen zijn ontwikkeling op het aardse niveau. Toen zong men: ‘De hemel is de hemel van de Heer, maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven’ (Ps.115:16). God had plezier in allen die op aarde rechtvaardig en onberispelijk leefden en in hen die zijn geboden en eisen nakwamen. Jezus Christus bracht echter de volle waarheid, het eeuwig evangelie, waarin geleerd werd dat de mens ook voor een wandel in de geestelijke wereld bestemd was. Hij stelde ook de mens schuldig die uiterlijk rechtvaardig was, maar tegelijk onrechtvaardig dacht (Matth.5:22,28).
Jezus openbaarde het geheim van de zonen van God, want Hij zei: ‘Zodat u zonen mag zijn van uw Vader, die in de hemelen is’ (Matth.5:45). Hij beloofde dat Gods Geest in zijn volk zou zijn. God zou in de mens gaan wonen en Zich verbinden met diens geest, omdat deze bij Hem paste. Voortaan zou zo’n mens ook zijn waar God is en zijn plaats innemen in het Koninkrijk van God, de lichtzijde van het Koninkrijk van de hemelen.

- ‘Als Ik aardse dingen tegen u zeg en u niet gelooft, hoe zult u geloven als Ik hemelse dingen tegen u zeg? En niemand is opgevaren naar de hemel dan Hij Die uit de hemel neergedaald is, namelijk de Mensenzoon, Die in de hemel IS. En zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Mensenzoon verhoogd worden, zodat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft’ (Joh.3:12-14).
Jezus sprak hier van zijn lijden en sterven, zaken van de zienlijke wereld. Toen zij realiteit werden, gaven zijn volgelingen alle hoop op. Zij geloofden wel in God, maar niet in alles wat Jezus zei. Hoe zouden zij dan inzicht kunnen hebben in de hemelse zaken, die nog veel hogere gedachten van God zouden openbaren (Joh.14:1)? Wat begrepen zij van de uitdrukking dat Jezus – en Hij alleen – opgevaren was naar de onzienlijke wereld? De Heer sprak hier over het gebeuren toen Hij gedoopt werd met Gods Geest. Voor die tijd had Hij als kind en jonge man rechtvaardig op deze aarde geleefd, maar toen werd Hij overgezet in het Koninkrijk van God. Voortaan had Hij daar zijn burgerschap, zijn wandel en zijn strijd. Wanneer ook wij gedoopt zijn met Gods Geest, mogen wij ook dezelfde plaats innemen, waar Hij is. Dan worden ook wij burgers van een onzienlijk rijk in de hemel. Dan worden wij ook geestelijke mensen.
Wij merken op hoe deze geestelijke, onzienlijke wereld voor veel zich ‘christelijk’ noemenden nog ongrijpbaar is. Zij missen het geloof om in dit geestelijke klimaat te leven en ‘hun plaats in te nemen’. Zolang zij het enige Bijbels Fundament in hun leven niet leggen, kunnen zij niet aan hun roeping voldoen. Ook van hen kan gezegd worden – ondanks alle inspanningen die zij doen:
- ‘Een ongeestelijk mens aanvaardt niet wat van de Geest van God is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is’ (1 Cor.2.14).