
Het naderen en contact leggen met God door de mens op aarde, is één van de mooiste dingen die je in je leven kunt meemaken. Maar wees er op bedacht: de satan wordt op zo’n moment ook actief. Deze grootste duivel gunt je alles op aarde (Matth.4.1-11) maar op het moment dat God contact met je zoekt, brengt hij al zijn demonenlegers in stelling. Denk aan de situatie in het paradijs. Adam heeft in die tijd daar rustig kunnen leven, maar als God hem in de hof van Eden brengt (naar de boom van het Leven) reageert de satan direct. Ook als God hem elke avond opzoekt, begint deze slang zich te roeren. De duivel wil niet dat de mens zich verheft en geestelijk gaat worden.
Mozes bij de brandende braamstruik

De tekst uit de Hebreeënbrief, waar wij het hier over hebben, gaat over het naderen van de berg Sinaï. In het Oude Testament zijn er meer mensen die God daar ontmoet hebben: Mozes was daar bij de brandende braambos. Het is merkwaardig dat wanneer Mozes God ontmoet en roept, dat er dan ineens vuur is en dat de braamstruik brandt. Vuur is géén teken van Gods genade, maar een teken van de aanwezigheid van de duisternis. Mozes is niet bang, nee, hij zoekt contact met God, ondanks het vuur.
Elia

Ook de profeet Elia staat bij de Horeb, de berg Sinaï. De aarde beweegt op dat moment, door een geweldig sterke wind, die bergen verscheurt en rotsen verbrijzelt. Het is dus niet zomaar een wind (tegenwoordig zou zo’n stormwind een naam hebben gekregen). Ook Elia is niet bang en hij rent niet weg. Vervolgens komt er een aardbeving. Ook nu raakt hij niet in paniek, terwijl de meeste mensen zouden denken: ‘Wegwezen, anders overkomt me hetzelfde als Korach, Dathan en Abiram, die in de grond wegzakten’. Daarna laait er vlak voor Elia een vuur op. Elia blijft echter rustig en constateert:
- ‘God is niet in het vuur, net zoals hij niet in die storm en aardbeving was. Nee, God verschijnt uiteindelijk aan hem in het suizen van een zachte koelte.’
Elia heeft er misschien lange tijd over gedaan, maar uiteindelijk begreep hij wie God is. Door in de rust te blijven en te wachten tot God hem naderde. Zowel Mozes als Elia waren mensen die naar boven konden komen. Elia is zelfs naar de hemel opgevaren, dat was voor hem weggelegd. Elia heeft de stem van God gehoord en hij wist: ‘Niet door geweld, maar door Mijn Geest zou God zich laten zien.’
De wetteloosheid in de laatste dagen

De satan gebruikt altijd geweld. Ook in onze dagen zijn er inmiddels massa’s aardse helpers van satan: mensen. Het resultaat? Wereldwijd miljarden bewust vermoorde, onschuldige mensen (incl. embryo’s). Wee hen die dit met zelf dichtgeschroeide gewetens uitvoeren. Deze moordenaars wacht de vuurpoel voor eeuwig (Op.16:4-7; 20:14,15).
De doop met vuur

Om het Oude naar het Nieuwe Testament over te brengen: naast de doop met Gods Geest is er ook een doop met vuur. In de massakerken wordt nooit over de doop met Gods Geest gesproken (laat staan dat ze de doop met vuur benoemen) terwijl niemand aan de vuurdoop kan ontkomen.
Het volk Israël heeft duidelijk laten zien hoe dat er uit ziet en vooral hoe men zich niét moet gedragen. Het volk trekt uit Egypte als een heel nieuw volk. Ze trekken door de Rode Zee. In de kerken wordt dit moment aangehaald in het formulier wat gebruikt wordt om de uitgevonden en gefantaseerde babybesprenkeling te onderbouwen. Ze zeggen dan: ‘daarmee wordt de doop aangeduid…’ Opmerkelijk toch dat zij dit zien als beeld van de waterdoop waarbij volwassenen ondergaan IN water, terwijl zij zelf maar een paar druppeltjes water gebruiken om hun baby’s (on-Bijbels) te ‘dopen’.

Het trekken door de Rode Zee is beeld van de doop IN water. Het volk volgde daarbij de wolkkolom. Er staat: ‘ze waren allen onder de wolk’, dit is dan beeld van de doop met Gods Geest. Mozes zegt namens God tegen het volk: ‘Jullie zijn Mijn eerstgeborene’. Israël is als volk de drager van de beloften van God. Een eerstgeborene heeft recht op de erfenis als ze tenminste naar God luisteren. In bovengenoemde tekst wordt Ezau als eerstgeborene genoemd, die de erfenis niet ontving, omdat hij een ontuchtpleger en onheilige was. Hij trouwde met een Kanaänitische, waardoor hij verbonden werd met iemand uit een goddeloos volk. De Kanaänieten waren beeld van de demonen. Ezau miste het gevoel voor de geestelijke waarden en was daarom onheilig bezig. Hij verkocht zijn eerstgeboorterecht, het deed hem niets. Later smeekte hij bij Jacob om alsnog de zegen van het eerstgeboorterecht te mogen krijgen, maar het was onomkeerbaar.
De berg naderen
- ‘U bent niet tot een tastbare berg genaderd en tot een brandend vuur’.
In de NBG-vertaling wordt gesproken over een tastbaar vuur. Stilistisch kan dat helemaal niet en zo staat het ook niet in de grondtekst: de meeste vertalingen zijn correct als ze spreken over een tastbare berg. Israël was genaderd tot de berg Sinaï, die kon je zien en aanraken, betasten. Die berg was een en al brandend vuur en donkerheid, bevingen en donder. Keek je naar de onderkant van de berg, dan was het een Egyptische duisternis; keek je naar boven, dan zag je het onweer, het vuur en de bliksemschichten heen en weer gaan. Boven de berg echter was God. In het Oude Testament lezen we in Exodus 19:4-6 dat God tot Mozes en het volk zegt:
- ‘U hebt zelf gezien wat Ik met de Egyptenaren gedaan heb en hoe Ik u op arendsvleugels gedragen en u bij Mij gebracht heb. Nu dan, als u nauwgezet Mijn stem gehoorzaamt en Mijn verbond in acht neemt, dan zult u uit alle volken Mijn persoonlijk eigendom zijn, want heel de aarde is van Mij. U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn.’
In vers 8 en verder lezen we hoe het volk spontaan en impulsief zegt: ‘Alles wat God gesproken heeft, zullen wij doen!’ Mozes brengt die woorden over aan God. Voorlopig moeten ze van de berg afblijven, want die berg is heilig. We lezen verderop:
- ‘U moet voor het volk een grens stellen rondom de berg door te zeggen: wees op uw hoede dat u de berg niet beklimt of ook maar de voet ervan aanraakt. Ieder die de berg aanraakt, zal zeker gedood worden. Geen hand mag hem aanraken, want hij zal zeker gestenigd of met pijlen doorschoten worden. Of het nu een dier of een mens is, hij mag niet blijven leven.’
Israël in de woestijn

Een typische situatie in die tijd. God zegt tegen Mozes:
- ‘Ga naar het volk toe en heilig hen vandaag en morgen en laten zij hun kleren wassen en over drie dagen klaar zijn. Op de derde dag zal Ik namelijk voor de ogen van heel het volk neerdalen op de berg Sinaï.’
Oudtestamentisch bezien betekent dit: zorg dat je erop voorbereid bent om God te naderen en zijn aanwezigheid mee te maken. Zonder heiliging kan niemand God zien. De heiliging bestond bij hen uit een uiterlijke reiniging. Pas als de ramshoorn een langgerekte toon laat horen, mag het volk Israël de berg beklimmen. God wil dus dat de mensen (als zij geheiligd zijn) op Zijn teken de berg beklimmen. Maar het volk Israël is echter nooit zo ver gekomen (1 Cor.10:6-10).
Als God de mens wil naderen, worden satan en zijn demonen direct actief
Dit is een verhaal uit het Oude Testament, waar het eerder genoemde mechanisme werkt: ‘Als God tot de mens wil naderen, wordt de duivel actief.’ In dit verhaal merk je dat de duivel met zijn leger verhindert dat de mensen tot God willen naderen. Als het volk de berg wil beklimmen, komen ze de demonen tegen, net als vandaag. De berg Sinaï had nog geen wegen, paden of kabelbanen. Ze krijgen daarom te maken met kloven, steile hellingen en afgronden. Ze moeten door het struikgewas en als ze dichterbij komen, merken ze dat de berg helemaal donker is. Dezelfde duisternis die er ook in Egypte was.
Een berg beklimmen in een Egyptische duisternis is toch onverantwoordelijk? Je ziet niet waar je je voeten neerzet, je kan zo in een afgrond terechtkomen. Niemand ziet je vallen, ze horen je hooguit roepen en schreeuwen. En dan moet je ook nog in het donker omhoog klimmen, de berg op. Met een geweldig onweer boven je, waar ook het vuur van de hemel aanwezig is. Je kan dan misschien wel wat zien daardoor, maar het is niet prettig. Het mag dan een wegwijzer zijn om wat hoger te komen, maar het is wel een verschrikkelijke wegwijzer.
De reactie van het volk
De Israëlieten worden bang, ze raken in paniek, want ze kunnen dit allemaal niet opbrengen. Het volk bleef op een ruime afstand van de berg. Alles komt in beweging, met als gevolg dat ze zeggen:
- ‘Laat God maar niet met ons spreken, zodat wij niet omkomen als wij in dat donker omhoog moeten klimmen.’
Hun ongeloof wordt openbaar, want als God zegt: ‘Kom maar hogerop’, zegt het volk: ‘Wij durven niet.’ Ze moeten door de duisternis en het vuur om de top te bereiken, maar ze worden ongeschikt verklaard, omdat ze bang zijn. Door te zeggen ‘anders komen wij om…’, maken ze zichzelf slachtoffer en halen ze ook nog aan dat ook hun vrouwen en kinderen zullen omkomen. Dat kan toch niet?
We kunnen nu heel goed begrijpen waarom dit volk nooit in Kanaän gekomen is. Ook al is het een heerlijk land, hoe moeten ze ooit die steden met hun hoge vestingmuren en grote poorten veroveren? En vergeet de reuzen niet. Elke keer herhaalt zich hetzelfde patroon: als het te moeilijk wordt, roepen ze: ‘Nee, ons niet gezien, bekijk het maar, wij gaan terug..!’
De toren van Babel nog steeds actueel

Het volk is in de woestijn gestorven vanwege hun óngeloof. Wij zouden ze betitelen als een ‘charismatische beweging’. Oké, ze kennen de doop in water, maar een doop in vuur en de rest van het Bijbelse Fundament? Dat is niet attractief. Iets van vroeger en daar wordt niet meer over gesproken tot aan vandaag. Is dat nou de manier om tot God te komen? Nee dus! Slechts één pijler uit het fundament is nooit genoeg om de satan en zijn bendes te overwinnen. God zegt: ‘Kom maar naar boven als je tenminste aandachtig luistert’. Gehoorzamen is horen, luisteren en doen. God heeft dat vaker gezegd:
- ‘Ik zal door anderen tot hen spreken in een vreemde taal, met andere lippen, maar ze luisteren niet’.
Paulus neemt dat later ook over: ze luisteren niet, want de geestelijke mens is niet aanwezig. Ze kijken alleen naar het zichtbare: de narigheid, de situatie en ze schrikken. Ze zeggen wel: ‘alles wat God zegt, zullen we doen…’, maar het heeft wel een limiet, het is begrensd. Als het kritieke moment komt en als God de mensen wil gaan gebruiken en hen wil metamorfoseren tot een geestelijk volk, laten ze het afweten.
God staat bóven het vuur

Als God contact zoekt met de mens en Hij de wereld wil redden, zal de duivel er alles aan doen om dat te verhinderen. Hij concentreert zijn troepen, wat zichtbaar is door dat brandende vuur, de stormwinden, de bliksem en donderslagen. Je hebt een groot geloof nodig om daardoor heen te trekken. God is niet dat vuur, Hij is bóven het vuur. Daarom zal men eerst de doop met vuur moeten meemaken om bij God te kunnen komen. God is geen duisternis, God is enkel licht. Israël, Rome, de Bijbelgordels en de V.S. hebben er later van gemaakt dat God in de duisternis woont, maar het nieuwe verbond zegt duidelijk dat God enkel licht en leven is.
Geen onderscheid willen maken tussen het Oude en Nieuwe Testament. Steeds … Maar … Weer!
Johannes zegt dat in God totaal geen duisternis is, maar in het Oude Testament bleef die gedachte maar door sudderen, net als vandaag! Terwijl God een beloner is voor wie Hem serieus zoeken, werd het volk bang en gaf niet thuis. Ze werden geen geestelijke mensen, maar gingen terug naar hun tenten. En wat doen ongeestelijke mensen? Ze zetten zich in hun tenten om te eten, te drinken en te spelen. Ze voelen zich beter bij een comfortabel pretpakket wat ook nog aanzien geeft in de wereld en vooral geld oplevert, want daar gaat het om bij deze vrome geesten. Macht, aanzien en aanbidding. Van hoe verder ze wegkomen, hoe groter de opbrengst voor hun schrijfsels.